<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9104</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-04T20:17:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB9104</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AL6377</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-11-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">98/1876 AAW, 98/1878 AAW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2001/2</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9104">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9104</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:58:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2003-07-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9104 Centrale Raad van Beroep , 07-11-2000 / 98/1876 AAW, 98/1878 AAW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9104:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>geschil spitst zich in hoofdzaak toe op de vraag of appellant terecht</para>
        <para> heeft geoordeeld  dat gedaagde in de periode 1 januari 1995 tot en met 31december 1995 inkomsten uit arbeid heeft genoten als bedoeld in artikel 33 van</para>
        <para> de AAW.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9104:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>98/1876 + 98/1878 AAW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in de gedingen tussen:</para>
    <para />
    <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>[A.], wonende te [B.], gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997</para>
      <para>inwerking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale</para>
      <para>verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv)</para>
      <para>in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het</para>
      <para>Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor Tabakverwerkende en</para>
      <para>Agrarische Bedrijven. In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het</para>
      <para>bestuur van deze bedrijfsvereniging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 23 december 1996 heeft appellant bepaald dat - onder toepassing</para>
      <para>van artikel 33 van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) - over de periode</para>
      <para>1 januari 1995 tot en met 31 december 1995 de uitkering van gedaagde ingevolge</para>
      <para>de AAW -welke was gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot</para>
      <para>100%- wordt uitbetaald als ware gedaagde 45 tot 55% arbeidsongeschikt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 28 april 1997 heeft appellant van gedaagde de, volgens appellant</para>
      <para>over de periode 1 januari 1995 tot en met 31 december 1995 ten onrechte aan</para>
      <para>gedaagde betaalde AAW-uitkering ad f 5.694,84 teruggevorderd, onder overweging</para>
      <para>dat het aan gedaagde redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat zij ten onrechte</para>
      <para>uitkering ontving.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 7 augustus 1997 heeft appellant het besluit van 23 december 1996</para>
      <para>gewijzigd in die zin dat de AAW-uitkering wordt uitbetaald als ware gedaagde 55</para>
      <para>tot 65% arbeidsongeschikt.</para>
      <para>Bij besluit van 10 oktober 1997 heeft appellant het besluit van 28 april 1997</para>
      <para>gewijzigd in die zin dat het terug te vorderen bedrag is bepaald op f 4.558,80.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank te Roermond heeft bij uitspraak van 29 januari 1998 de beroepen</para>
      <para>tegen deze besluiten gegrond verklaard, die besluiten vernietigd, appellant</para>
      <para>veroordeeld in de proceskosten van gedaagde en bepaald dat appellant aan gedaagde</para>
      <para>het griffierecht vergoedt. Naar die uitspraak wordt hierbij verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden van die uitspraak</para>
      <para>in hoger beroep gekomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens gedaagde heeft mr ing. M.Ch.P.M. de Klein, werkzaam bij ABAB,</para>
      <para>Accountants Belastingadviseurs-Juristen, te 's-Hertogenbosch, een verweerschrift - annex</para>
      <para>bijlagen - ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Gedaagde heeft vragen beantwoord en nadere stukken ingezonden.</para>
    <para />
    <para>Appellant heeft een nader stuk ingezonden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gedingen zijn gevoegd met de gedingen bij de Raad bekend onder de nummers</para>
      <para>98/1516 + 00/136 AAW, behandeld ter zitting van de Raad op 3 oktober 2000, waar</para>
      <para>appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr M.J. Kraayeveld, werkzaam bij</para>
      <para>GUO Uitvoeringsinstelling B.V., terwijl gedaagde - daartoe ambtshalve</para>
      <para>opgeroepen - in persoon is verschenen, bijgestaan door mr H.M.M. van den Elzen,</para>
      <para>advocaat te 's-Hertogenbosch.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het gaat in deze gedingen - blijkens het hoger beroepschrift - om de beantwoording</para>
      <para>van de vraag of de in rubriek I omschreven besluiten van 7 augustus 1997 en 10</para>
      <para>oktober 1997 in rechte stand kunnen houden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Daarbij spitst het geschil zich in hoofdzaak toe op de vraag of appellant terecht</para>
      <para>heeft geoordeeld  dat gedaagde in de periode 1 januari 1995 tot en met 31</para>
      <para>december 1995 inkomsten uit arbeid heeft genoten als bedoeld in artikel 33 van</para>
      <para>de AAW.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van het navolgende beantwoordt de Raad deze vraag, evenals de rechtbank,</para>
      <para>ontkennend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde, geboren in 1941, exploiteerde samen met wijlen haar echtgenoot een</para>
      <para>veeteelt annex tuinbouwbedrijf. Op 15 februari 1989 heeft zij een 'Melding AAW'</para>
      <para>gedaan, omdat zij zichzelf sedert 1967 gedeeltelijk en sedert eind 1987 geheel</para>
      <para>arbeidsongeschikt achtte. Appellant heeft met ingang van 29 november 1988 aan</para>
      <para>haar een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de AAW toegekend berekend</para>
      <para>naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.</para>
      <para>Wijlen de echtgenoot van gedaagde was reeds sedert 1 oktober 1976 in het genot</para>
      <para>van een AAW-uitkering, vanaf 1 april 1986 berekend naar een mate van</para>
      <para>arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.</para>
      <para>In 1989 is het bedrijf omgezet in een commanditaire vennootschap, waarbij de zoon</para>
      <para>van gedaagde werd aangewezen als beherend vennoot en gedaagde en wijlen haar</para>
      <para>echtgenoot als stille vennoten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de vraag of de inkomsten die gedaagde in 1995 uit deze</para>
      <para>vennootschap heeft genoten kunnen worden aangemerkt als inkomsten uit arbeid als</para>
      <para>bedoeld in artikel 33 van de AAW ontkennend beantwoord. Zij heeft daartoe</para>
      <para>overwogen dat uit de voorhanden gegevens blijkt dat gedaagde als commanditair</para>
      <para>vennoot in het geheel geen arbeid heeft verricht. Nu het verricht hebben van</para>
      <para>(enige) arbeid voorwaarde is voor toepassing van artikel 33 van de AAW konden,</para>
      <para>volgens de rechtbank, de inkomsten van gedaagde als commanditair vennoot over de</para>
      <para>periode 1 januari 1995 tot en met 31 december 1995 niet worden aangemerkt als</para>
      <para>inkomsten uit arbeid als bedoeld in de zin van artikel 33 van de AAW.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In hoger beroep heeft appellant hiertegen aangevoerd dat, blijkens de rechtspraak</para>
      <para>van de Raad, bij het beantwoorden van de vraag of een zelfstandige in zijn</para>
      <para>bedrijf arbeid heeft verricht, in beginsel doorslaggevend is de in het kader van</para>
      <para>de fiscale wetgeving door de uitkeringsgerechtigde gemaakte keuze. Appellant</para>
      <para>stelt vast dat gedaagde naar de fiscus toe heeft aangegeven, ook voor wat betreft</para>
      <para>de hier in het geding zijnde periode, winst uit onderneming te genieten. Volgens</para>
      <para>appellant is voor de toepassing van artikel 33 van de AAW voldoende dat er</para>
      <para>fiscale winst is. Er hoeft niet te worden getoetst of er daadwerkelijk arbeid is</para>
      <para>verricht.</para>
      <para>Appellant heeft er verder op gewezen dat gedaagde over het jaar 1995 aanspraak</para>
      <para>heeft gemaakt op toepassing van de regeling aangaande de zelfstandigenaftrek.</para>
      <para>Tot slot heeft appellant gesteld dat, gezien de juridische structuur van de</para>
      <para>commanditaire vennootschap, niet uitgesloten is, integendeel zelfs aannemelijk</para>
      <para>is, dat er in het onderhavige geval sprake is van enige omvang van arbeid. In dat</para>
      <para>verband heeft appellant gewezen op een zich onder de dossierstukken bevindend</para>
      <para>controlerapport d.d. 28 april 1995 van de belastingdienst. Hieruit zou volgens</para>
      <para>appellant blijken dat gedaagde de administratie en de LEI-boekhouding voor de</para>
      <para>vennootschap voerde.</para>
      <para>De Raad stelt voorop dat, gezien tekst van artikel 33 van de AAW, er geen</para>
      <para>misverstand over kan bestaan dat voor de mogelijke toepassing van deze bepaling</para>
      <para>vereist is dat de uitkeringsgerechtigde inkomsten uit arbeid heeft genoten. Nu</para>
      <para>het fiscale begrip 'winst uit onderneming' en het begrip 'inkomsten uit arbeid'</para>
      <para>elkaar niet (geheel) dekken, aan 'winst uit onderneming' hoeft niet per definitie</para>
      <para>arbeid ten grondslag te liggen, kan de Raad de primaire stelling van appellant,</para>
      <para>dat voor de toepassing van artikel 33 van de AAW voldoende is dat er fiscale</para>
      <para>winst is, niet onderschrijven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De ter zitting door appellant opgeworpen stelling dat gedaagde door fiscaal een</para>
      <para>zelfstandigenaftrek te claimen, welk verzoek door de fiscus is gehonoreerd, óók</para>
      <para>in het kader van de toepassing van de AAW door appellant als zodanig mag worden</para>
      <para>bejegend, kan de Raad niet volgen. De Raad acht hiervoor reeds beslissend, en dit</para>
      <para>is ook door appellant niet bestreden, dat voldoende aannemelijk is geworden dat,</para>
      <para>zoals namens gedaagde gemotiveerd is aangegeven, deze zelfstandigenaftrek</para>
      <para>volstrekt ten onrechte door de fiscale autoriteiten is gehonoreerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het voorafgaande brengt mee dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit</para>
      <para>afhangt van het antwoord op de vraag of door appellant (anderszins) voldoende</para>
      <para>aannemelijk is gemaakt dat in de periode hier in geding de betrokkenheid van</para>
      <para>gedaagde bij de (beheersbeslissingen binnen de) vennootschap zodanig is geweest,</para>
      <para>dat de conclusie moet zijn dat door gedaagde in de vennootschap relevante arbeid</para>
      <para>is verricht (in tegenstelling tot (normaal) vermogensbeheer).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft in dit verband gewezen op het controlerapport d.d. 28 april 1995</para>
      <para>van de belastingdienst, waaruit zou blijken dat gedaagde de administratie en de</para>
      <para>LEI-boekhouding voor de vennootschap voerde. Dienaangaande merkt de Raad,</para>
      <para>daargelaten de juistheid van dat standpunt, op dat dit rapport betrekking heeft</para>
      <para>op de jaren 1991 tot en met 1993, zodat daaraan geen conclusies kunnen worden</para>
      <para>verbonden voor het in het geding zijnde jaar 1995.</para>
      <para>Ter zitting van de Raad heeft appellant toegegeven anderszins het verrichten van</para>
      <para>arbeid voor de vennootschap door gedaagde niet te kunnen aantonen. In het licht</para>
      <para>van de, naar het oordeel van de Raad, volstrekt geloofwaardige ontkenning door</para>
      <para>gedaagde dat zij dergelijke werkzaamheden heeft verricht, kan de conclusie geen</para>
      <para>andere zijn dan dat door appellant niet aannemelijk is gemaakt dat door gedaagde</para>
      <para>in het jaar 1995 arbeid voor de commanditaire vennootschap is verricht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het voorgaande volgt dat de toepassing door appellant van artikel 33 van de</para>
      <para>AAW jegens gedaagde voor het jaar 1995 een juiste feitelijke grondslag ontbeert.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dat brengt mee dat het hoger beroep voor zover het is gericht tegen de</para>
      <para>vernietiging door de rechtbank van het besluit van 7 augustus 1997 niet slaagt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het voorgaande volgt tevens dat de rechtbank terecht het</para>
      <para>terugvorderingsbesluit van 10 oktober 1997 heeft vernietigd, nu dit besluit,</para>
      <para>gezien de vernietiging van het moederbesluit, een juridische grondslag ontbeert.</para>
      <para>Dat brengt mee dat ook het hoger beroep tegen dit deel van de uitspraak van de</para>
      <para>rechtbank niet slaagt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet</para>
      <para>bestuursrecht appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger</para>
      <para>beroep. Deze kosten worden begroot op f 2.130,- voor verleende rechtsbijstand en</para>
      <para>f 52,40 aan reiskosten, in totaal f 2.182,40.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Andere op grond van dat artikel te vergoeden kosten zijn niet gevorderd en</para>
      <para>daarvan is de Raad ook niet gebleken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het vorenstaande alsmede op het bepaalde in artikel 22, derde lid van</para>
      <para>de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat van appellant een recht van</para>
      <para>f 675,- dient te worden geheven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een</para>
      <para>bedrag groot f 2.182,40;</para>
      <para>Verstaat dat van appellant een recht van f 675,- wordt geheven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr K.J.S. Spaas als voorzitter en mr R.M. van Male en</para>
      <para>mr H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr J.D. Streefkerk als griffier</para>
      <para>en uitgesproken in het openbaar op 7 november 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) K.J.S. Spaas.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) J.D. Streefkerk.</para>
    <para />
    <para />
    <para>IS</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>