<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9101</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T16:49:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB9101</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-12-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">98/8893 NABW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=14&amp;g=2000-12-12">Algemene bijstandswet 14</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=65&amp;g=2000-12-12">Algemene bijstandswet 65</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=14&amp;g=2000-12-12">Algemene bijstandswet 14</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=24&amp;g=2000-12-12">Algemene bijstandswet 24</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JABW 2001, 16</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2001/31</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9101">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9101</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:58:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2003-07-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9101 Centrale Raad van Beroep , 12-12-2000 / 98/8893 NABW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9101:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Inlichtingenplicht. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. Verlaging.  Evenredigheidsbeginsel.</para>
        <para>Geldlening. Ten onrechte geen rekening gehouden met belastingschulden.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9101:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>98/8893 NABW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A., wonende te B., appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Deventer, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant heeft mr Ph.J.N. Aarnoudse, advocaat te Deventer, op bij het beroepschrift aangegeven</para>
      <para>gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de Arrondissementsrechtbank te Zwolle op 18 november 1998</para>
      <para>tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en op verzoek van de Raad nadere stukken ingezonden.</para>
    <para />
    <para>De gemachtigde van appellant heeft eveneens nadere stukken ingezonden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van 31 oktober 2000, waar appellant in persoon is verschenen</para>
      <para>met bijstand van mr Aarnoudse voornoemd, en waar gedaagde zich met voorafgaand bericht niet heeft</para>
      <para>doen vertegenwoordigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de aangevallen uitspraak - waarin appellant als eiser is aangeduid en gedaagde als verweerder</para>
      <para>- ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden:</para>
      <para>"Aanvang 1995 heeft eiser na een bedrijfsbeëindiging een aanvraag om uitkering ingevolge de</para>
      <para>Rijksgroepsregeling Werkloze Werknemers (RWW) ingediend, welke aanvraag wegens het</para>
      <para>verstrekken van onvoldoende inlichtingen, waardoor het recht op bijstand niet kon worden</para>
      <para>vastgesteld, is afgewezen.</para>
      <para>Eiser is tegen deze afwijzing niet in bezwaar gekomen. Kort daarop werd eiser door de heer</para>
      <para>C. benaderd om medevennoot te worden van de X. VOF (hierna te noemen: VOF). De VOF, waarvan</para>
      <para>noch onderhands, noch notariëel een oprichtingsakte is opgemaakt, werd op 1 april 1995</para>
      <para>ingeschreven bij de Kamer van Koophandel te Deventer. Volgens afspraak op basis van een</para>
      <para>gentleman's agreement zou eiser, die geen kapitaal, doch slechts arbeid inbracht en wiens</para>
      <para>functie bestond uit het adviseren aan de heer C. terzake van investeringen in verschillende</para>
      <para>bedrijven, voor 50% in de winst delen. In september 1995 is eiser tevens voor een bedrag</para>
      <para>ad f 55.000,--, volgens eiser afkomstig uit de VOF, deelgenoot geworden in een casino.</para>
      <para>Omdat het casino niet goed bleek te lopen, heeft eiser zich hieruit enige tijd later</para>
      <para>teruggetrokken. Eiser zou niets hebben verdiend, doch slechts quitte hebben gespeeld.</para>
      <para>Vervolgens heeft eiser op 1 februari 1996 als huurder voor een bedrag ad f 50.000,-- café</para>
      <para>Y. aan de P.straat te B. overgenomen, welk bedrag eiser eveneens aan de VOF zou hebben</para>
      <para>onttrokken. In verband met het feit dat dit café niet liep, heeft eiser het café in</para>
      <para>oktober 1996, volgens eigen zeggen voor een bedrag ad f 6.000,-- weer van de hand gedaan.</para>
      <para>Van deze transactie staat evenwel niets op papier. Het enige dat eiser in dit verband kan</para>
      <para>overleggen is een bewijs van uitschrijving van de Kamer van Koophandel. Op 14 januari 1997</para>
      <para>diende de echtgenote van eiser, mevrouw D., een aanvraag voor bijstand inzake de kosten</para>
      <para>van levensonderhoud en woonkostentoeslag in, omdat zij door haar echtgenoot zou zijn</para>
      <para>verlaten. Bij het intake-gesprek bleek evenwel dat er tussen beide echtelieden nog wel</para>
      <para>contact was en dat een echtscheiding (nog) niet werd overwogen, in verband waarmee eisers</para>
      <para>echtgenote werd medegedeeld dat zowel door haar als haar echtgenoot een bijstandsaanvrage</para>
      <para>moest worden ingediend.</para>
      <para>Vervolgens werd op 27 januari 1997 een gezamenlijke aanvraag om bijstand ingediend.</para>
      <para>Omdat tijdens de aanvraagprocedure geconstateerd werd dat eiser niet alle voor het</para>
      <para>vaststellen van het recht op bijstand benodigde informatie had overgelegd - zo bleek</para>
      <para>eiser de beschikking te hebben gehad over een auto, die een waarde van circa</para>
      <para>f 40.000,-- vertegenwoordigde - werd eiser hiervoor alsnog een hersteltermijn geboden.</para>
      <para>Daar eiser naar het oordeel van verweerder wederom in gebreke bleef, heeft verweerder de</para>
      <para>aanvraag om bijstand bij besluit d.d. 24 maart 1997 (verzonden d.d. 26 maart 1997)</para>
      <para>afgewezen. Hierbij is o.m. overwogen dat, nu eiser geen duidelijkheid inzake zijn</para>
      <para>inkomens- en vermogenspositie heeft gegeven en eiser zich in een positie heeft</para>
      <para>gemanoeuvreerd, dat niet meer op grond van enigszins betrouwbare gegevens kan worden</para>
      <para>vastgesteld of en in hoeverre over financiële middelen werd of wordt beschikt en op</para>
      <para>welke wijze eventuele intering heeft plaatsgevonden, het recht op bijstand niet kan</para>
      <para>worden vastgesteld.</para>
      <para>Namens eiser is tegen dit besluit bezwaar aangetekend bij bezwaarschrift d.d. 7 april 1997.</para>
      <para>(...)</para>
      <para>Bij besluit d.d. 7 juli 1997 heeft verweerder besloten het primaire besluit te herzien en</para>
      <para>eiser met ingang van 14 januari 1997, zijnde de datum van aanvraag, bijstand toe te kennen</para>
      <para>naar de norm voor een gezin.</para>
      <para>Voorts is hierbij besloten op de te verlenen bijstand met ingang van 14 januari 1997 voor</para>
      <para>de duur van twee maanden een sanctie van 20% wegens schending van de in artikel 65 van de</para>
      <para>Abw neergelegde informatieplicht toe te passen.</para>
      <para>In het kader van deze sanctie is overwogen dat eiser, behalve het niet verstrekken van</para>
      <para>relevante informatie over de periode voorafgaand aan de bijstandsverlening, tevens heeft</para>
      <para>nagelaten uit eigen beweging mee te delen dat hij ten tijde van de bijstandsaanvraag</para>
      <para>beschikte over een auto, waarvan de waarde op dat moment ca. f 40.000,-- bedroeg.</para>
      <para>Voorts is bij het bestreden besluit overwogen met ingang van 14 maart 1997 op de te</para>
      <para>verlenen bijstand een sanctie van 20% wegens een betoond tekortschietend besef van</para>
      <para>verantwoordelijkheid voor de voorziening in de bestaanskosten (artikel 14, eerste lid,</para>
      <para>van de Abw) toe te passen.</para>
      <para>In het kader van deze sanctie is overwogen dat eiser door het door de</para>
      <para>verzekeringsmaatschappij aan hem uitgekeerde verzekeringsbedrag ad f 42.000,--, zulks</para>
      <para>in verband met diefstal van zijn auto, door te storten naar de heer C. ter betaling</para>
      <para>van een niet-aantoonbare schuld, een keuze heeft gemaakt die niet op de bijstand kan</para>
      <para>worden afgewenteld.</para>
      <para>Voor wat betreft de bijstand die verleend wordt wegens een tekortschietend besef van</para>
      <para>verantwoordelijkheid voor de voorziening in de bestaanskosten is besloten deze tot een</para>
      <para>bedrag ad f 23.000,-- in de vorm van een geldlening te verstrekken, die wordt</para>
      <para>terugbetaald middels een maandelijkse inhouding van 10% op de van toepassing zijnde</para>
      <para>bijstandsnorm (art. 24, sub b, van de Abw). Hierbij is overwogen dat, nu sprake</para>
      <para>is van een vermogen dat uitgaat boven het zogenaamde vrij te laten bescheiden vermogen,</para>
      <para>eiser geacht wordt dit vermogen in te teren tot de grens van het vrij te laten</para>
      <para>bescheiden vermogen, overeenkomstig de hiertoe in de jurisprudentie ontwikkelde</para>
      <para>interingsnorm.</para>
      <para>Uitgaande van een vermogen van f 42.000,-- had eiser nog de beschikking kunnen hebben</para>
      <para>over f 23.000,-- (vermogen minus f 19.000,-- vrij te laten bescheiden vermogen).</para>
      <para>Uitgaande van de interingsnorm van 1,5 maal de bijstandsnorm plus een particuliere</para>
      <para>ziektekostenverzekering (in casu f 1.981,50 maal 1,5 = f 2.972,25 plus f 431,-- =</para>
      <para>f 3.403,25 per maand) had eiser ca. 6,5 maand van dit vermogen kunnen leven alvorens</para>
      <para>bijstand verleend had behoeven te worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit d.d. 21 juli 1997 heeft verweerder het besluit d.d. 7 juli 1997 in zoverre</para>
      <para>herzien, dat de bijstand, die in de vorm van een geldlening wordt verleend wegens een</para>
      <para>tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in de bestaanskosten</para>
      <para>alsnog is teruggebracht naar een bedrag ad f 14.046,56,--".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Die feiten en omstandigheden worden door partijen niet betwist, en vormen ook voor de Raad het</para>
      <para>uitgangspunt bij zijn oordeelsvorming.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het tegen het besluit van 21 juli 1997 ingestelde beroep ongegrond verklaard.</para>
      <para>De rechtbank is - kort samengevat - van oordeel dat appellant onvoldoende duidelijkheid heeft</para>
      <para>verschaft omtrent zijn inkomens- en vermogenspositie en daarmee de in artikel 65 van de Algemene</para>
      <para>bijstandswet (Abw) neergelegde informatieplicht heeft geschonden, en dat appellant niet aannemelijk</para>
      <para>heeft weten te maken dat de op zijn naam staande Mazda geen bestanddeel van zijn vermogen vormde. Appellant kan naar het oordeel van de</para>
      <para>rechtbank voorts worden verweten dat hij de verzekeringsuitkering aan zijn medevennoot heeft doorbetaald,</para>
      <para>waardoor hij zich eerder dan nodig was in een bijstandbehoeftige positie heeft gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant houdt in hoger beroep staande dat aan zijn zijde geen sprake is van een tekortschietend</para>
      <para>besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in de bestaanskosten en dat de in artikel 65 van</para>
      <para>de Abw neergelegde informatieplicht evenmin is geschonden. Daartoe heeft appellant onder meer naar</para>
      <para>voren gebracht dat de Mazda was gefinancierd met gelden van zijn medevennoot C. (hierna: C.) en om</para>
      <para>die reden niet als zijn bezit kon worden aangemerkt en niet is vermeld op het inlichtingenformulier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Met betrekking tot de op de uitkering van appellant opgelegde maatregelen overweegt de Raad het volgende.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad is met gedaagde en de rechtbank van oordeel dat appellant, door bij de indiening van zijn</para>
      <para>aanvraag onvoldoende informatie te verstrekken over zijn inkomens- en vermogenspositie en niet uit</para>
      <para>eigen beweging opgave te doen van het feit dat hij een Mazda op zijn naam had staan, de in artikel</para>
      <para>65, eerste lid, van de Abw neergelegde inlichtingenplicht heeft geschonden. Appellant heeft niet</para>
      <para>aannemelijk gemaakt dat de Mazda, die op zijn naam verzekerd was en op 14 januari 1997 tot zijn</para>
      <para>beschikking stond, niet tot zijn vermogen behoorde. Evenmin is aangetoond dat de auto op de door</para>
      <para>appellant gestelde wijze is gefinancierd. Dit leidt de Raad tot de conclusie dat gedaagde terecht</para>
      <para>de bijstand tijdelijk gedeeltelijk heeft geweigerd met toepassing van artikel 14, eerste lid, van</para>
      <para>de Abw. Naar het oordeel van de Raad heeft gedaagde de verlaging van de bijstandsuitkering kunnen</para>
      <para>vaststellen op 20% gedurende twee maanden zonder in strijd te komen met de wet of enig algemeen</para>
      <para>beginsel van behoorlijk bestuur, waartoe ook het evenredigheidsbeginsel wordt gerekend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting heeft appellant enkele dagen voor of op</para>
      <para>14 maart 1997 een verzekeringsuitkering van f 42.000,--, die hij in verband met door hem aangegeven</para>
      <para>diefstal van de Mazda op 17 januari 1997 had ontvangen, over laten maken naar zijn medevennoot C. Door</para>
      <para>deze handelwijze, waarmee appellant ook naar het oordeel van de Raad blijk heeft gegeven van een</para>
      <para>ongenoegzaam besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, is appellant onnodig</para>
      <para>op bijstand aangewezen gebleven. De stelling van appellant dat hij als gevolg van de onttrekkingen aan</para>
      <para>de X. VOF (hierna: de VOF), onder meer ten behoeve van de aankoop van de Mazda, een schuld had</para>
      <para>aan de VOF c.q. aan zijn medevennoot C., kan bij gebreke van een deugdelijke financiële administratie</para>
      <para>van de VOF niet door hem worden gestaafd. De Raad gaat er dan ook van uit dat het bedrag van</para>
      <para>f 42.000,-- aan appellant toekwam en dat hij niet gehouden was dit bedrag over te maken aan C. De</para>
      <para>Raad ziet evenmin gronden om de in dit geval toegepaste verlaging van 20% gedurende twee maanden</para>
      <para>onrechtmatig te achten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Met betrekking tot de vorm van de aan appellant verstrekte bijstand overweegt de Raad het volgende.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 24, aanhef en onder b, van de Abw kan bijstand eveneens worden verstrekt in de</para>
      <para>vorm van een geldlening of borgtocht indien de noodzaak tot bijstandsverlening het gevolg is van</para>
      <para>een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zoals hiervoor is overwogen heeft de overmaking van de door appellant ontvangen verzekeringsuitkering,</para>
      <para>hetgeen door gedaagde terecht als een tekortschietend besef in de zin van artikel 24, aanhef en onder</para>
      <para>b, van de Abw is aangemerkt, kort voor of op 14 maart 1997 plaatsgevonden. Naar het oordeel van</para>
      <para>de Raad kan hierin geen grond worden gevonden om reeds vanaf 14 januari 1997 de bijstand te verlenen</para>
      <para>in de vorm van een geldlening; dit kan eerst vanaf de datum waarop de afschrijving ten gunste van</para>
      <para>C. heeft plaatsgevonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad stelt voorts vast dat gedaagde bij de berekening van de periode waarover de bijstand met</para>
      <para>toepassing van artikel 24, aanhef en onder b, van de Abw in de vorm van een geldlening wordt verleend</para>
      <para>slechts de verzekeringsuitkering van f 42.000,--  in aanmerking heeft genomen onder aftrek van het</para>
      <para>vrij te laten vermogen van f 19.000,--. Gedaagde heeft daarbij echter verzuimd om rekening te</para>
      <para>houden met het feit dat appellant ten tijde van de afschrijving van dat bedrag belastingschulden had.</para>
      <para>Appellant heeft daarvan melding gemaakt op het inlichtingenformulier bij zijn bijstandsaanvraag;</para>
      <para>zijn gemachtigde heeft in hoger beroep daarvan bewijsstukken overgelegd. De omstandigheid dat</para>
      <para>appellant een verzoek tot nihilstelling van deze belastingschulden had ingediend, doet geen afbreuk</para>
      <para>aan het bestaan van die belastingschulden op het tijdstip van afschrijving van het bedrag van f 42.000,--.</para>
      <para>De Raad tekent hierbij aan dat hij evenals gedaagde niet aannemelijk acht dat appellant op dat</para>
      <para>tijdstip nog andere schulden had.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het voorgaande komt het bestreden besluit voorzover daarbij toepassing is gegeven aan</para>
      <para>artikel 24, aanhef en onder b, van de Abw wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de</para>
      <para>Algemene wet bestuursrecht (Abw) voor vernietiging in aanmerking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde zal met betrekking tot de vorm van de verstrekte bijstand opnieuw op het bezwaarschrift</para>
      <para>moeten beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.</para>
      <para>Hierin ligt besloten dat ook de aangevallen uitspraak in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de</para>
      <para>proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op f 1.420,--  in beroep en op f 1.420,-- in</para>
      <para>hoger beroep, wegens verleende rechtsbijstand.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover deze betrekking</para>
      <para>heeft op de toepassing van artikel 24, aanhef en onder b, van de Abw ten aanzien van appellant;</para>
      <para>Verklaart het inleidend beroep in zoverre gegrond en vernietigt het bestreden besluit in zoverre;</para>
      <para>Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar zal nemen met inachtneming van deze uitspraak;</para>
      <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;</para>
      <para>Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot f 2.840,--, te betalen</para>
      <para>door de gemeente Deventer aan de griffier van de Raad;</para>
      <para>Gelast de gemeente Deventer aan appellant het gestorte recht van f 55,-- in beroep en f 160,-- in</para>
      <para>hoger beroep (totaal f 215,--) te vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door mr G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr Ch. de Vrey en</para>
      <para>mr drs N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg</para>
      <para>als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 december 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) G.A.J. van den Hurk.</para>
    <para />
    <para>(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>JdB</para>
      <para>0512</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>