<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9096</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T10:09:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB9096</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-10-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">98/5060 WW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0004068&amp;artikel=1&amp;g=2000-10-26">Besluit regels samenloop toeslagen ex artikel 16 Toeslagenwet 1</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 2001, 30</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2001/17</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9096">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9096</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:58:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-10-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9096 Centrale Raad van Beroep , 26-10-2000 / 98/5060 WW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9096:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9096:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>98/5060 WW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>A, wonende te B, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale</para>
      <para>verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de</para>
      <para>Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen treedt het</para>
      <para>Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats</para>
      <para>van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval</para>
      <para>is het Lisv in de plaats getreden van de Nieuwe Algemene</para>
      <para>Bedrijfsvereniging. In deze uitspraak wordt onder appellant</para>
      <para>tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 29 augustus 1996 heeft appellant gedaagdes</para>
      <para>bezwaren tegen zijn besluit van 7 januari 1994, waarbij</para>
      <para>gedaagde met ingang van 13 september 1993 een uitkering</para>
      <para>ingevolge de Werkloosheidswet (WW) is toegekend, berekend naar</para>
      <para>een dagloon van f 188,45, ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te Haarlem heeft bij uitspraak van</para>
      <para>4 mei 1998 het door gedaagde tegen dit besluit ingestelde</para>
      <para>beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en appellant</para>
      <para>opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van</para>
      <para>hetgeen in de uitspraak is overwogen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant is van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep</para>
      <para>gekomen. In een aanvullend beroepschrift d.d.</para>
      <para>14 december 1998 zijn de gronden voor het hoger beroep</para>
      <para>uiteengezet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij schrijven van 29 december 1998, met bijlagen, heeft</para>
      <para>gedaagde een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op</para>
      <para>14 september 2000, waar appellant zich heeft doen</para>
      <para>vertegenwoordigen door mr M.M. de Boer-Veerman. Gedaagde is</para>
      <para>niet verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In dit geding worden partijen verdeeld gehouden door het</para>
      <para>antwoord op de vraag of appellant terecht en op goede gronden</para>
      <para>gedaagdes dagloon ingevolge de WW heeft bepaald op f 188,45.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten tijde hier van belang was gedaagde werkzaam als</para>
      <para>uitzendkracht. Op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en</para>
      <para>onder b, van de Dagloonregels Invoeringswet stelselherziening</para>
      <para>sociale zekerheid (hierna: IWS) dient het dagloon van een</para>
      <para>werknemer die gemiddeld gedurende een geringer dan het normale</para>
      <para>aantal uren werkt of afwisselend wel en niet werkzaam was,</para>
      <para>evenredig te worden verminderd. Kern van het geschil is nu hoe</para>
      <para>deze evenredige vermindering van het dagloon moet worden</para>
      <para>berekend. Dit wordt in artikel 10 van de Dagloonregels IWS</para>
      <para>niet geregeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft om praktische redenen gekozen voor een systeem</para>
      <para>om deze evenredige vermindering te bereiken door het</para>
      <para>gemiddelde uurloon te vermenigvuldigen met het gemiddelde</para>
      <para>aantal arbeidsuren per week (hierna: GAA) en de verkregen</para>
      <para>uitkomst te delen door 5. Appellant berekent dit GAA als</para>
      <para>volgt. Hij bepaalt eerst de referteperiode. Het aantal in de</para>
      <para>referteperiode gewerkte uren wordt dan -in verband met</para>
      <para>vakantie- en snipperdagen- vermenigvuldigd met de factor</para>
      <para>1,1087. In de collectieve arbeidsovereenkomst voor</para>
      <para>uitzendkrachten is 10,87% gereserveerd voor vakantie- en</para>
      <para>snipperdagen. Vervolgens worden voor de bepaling van het GAA</para>
      <para>de op de feestdagen en de ziektedagen (niet) gewerkte uren</para>
      <para>berekend. Aangezien deze laatste berekening geen voorwerp van</para>
      <para>geschil vormt, wordt aan deze berekening verder voorbij</para>
      <para>gegaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft besloten tot het hanteren van een</para>
      <para>'abstraherend' systeem voor de bepaling van het aantal</para>
      <para>vakantie- en snipperdagen, waarbij wordt uitgegaan van genoemd</para>
      <para>percentage, aangezien volgens hem in de praktijk niet of</para>
      <para>nauwelijks is vast te stellen voor welk aantal vakantiedagen</para>
      <para>een werknemer als uitzendkracht een reservering heeft</para>
      <para>opgebouwd. Deze berekeningswijze leidt ertoe dat alleen het in</para>
      <para>de referteperiode -van in het onderhavige geval 26</para>
      <para>weken- gewerkte aantal uren wordt verhoogd met de toeslag van</para>
      <para>10,87%. Zo worden in dit geval alleen de vakantiedagen</para>
      <para>waarvoor in de referte-periode een reservering is</para>
      <para>opgebouwd -voor gedaagde 8,8 dagen- bij de berekening</para>
      <para>meegenomen, en niet de andere dagen -voor gedaagde 7,2</para>
      <para>dagen- waarvoor gedaagde nog een reservering van vóór de</para>
      <para>referteperiode had staan, welke gereserveerde vakantierechten</para>
      <para>haar, naar zij ter zitting meedeelde, ook feitelijk toen zijn</para>
      <para>uitbetaald.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In geschil is of toepassing van de door appellant in het</para>
      <para>algemeen gehanteerde, 'abstraherende', berekeningswijze van de</para>
      <para>evenredige vermindering voor vakantie- en snipperdagen in het</para>
      <para>onderhavige geval rechtens toelaatbaar is, nu gedaagde in de</para>
      <para>referteperiode zestien vakantiedagen, waarvoor zij ook</para>
      <para>vakantierechten had opgebouwd, heeft opgenomen.</para>
      <para>Daarbij is ook in geschil of appellant die de formule hanteert</para>
      <para>GAA x uurloon : 5, met de toepassing op het onderhavige geval</para>
      <para>van zijn 'abstraherende' benaderingswijze wel het bepaalde in</para>
      <para>het Besluit van de Sociale Verzekeringsraad van 18 december</para>
      <para>1986, nr 86/8052, Stcrt. 1986,248, zoals nader gewijzigd</para>
      <para>(hierna: Besluit urengelijkstelling), heeft nageleefd. In het</para>
      <para>bijzonder rijst de vraag of artikel 1, eerste lid, aanhef en</para>
      <para>onder b, van het Besluit urengelijkstelling, waarin sprake is</para>
      <para>van een gelijkstelling van vakantiedagen, "voor zover hij voor</para>
      <para>die dagen geen loon maar een schadeloosstelling wegens</para>
      <para>loonderving heeft ontvangen of een aanspraak hierop heeft</para>
      <para>verkregen", meebrengt dat alleen die vakantiedagen als</para>
      <para>gelijkgesteld kunnen worden meegenomen waarvoor in de</para>
      <para>referteperiode schadeloosstelling is opgebouwd en ontvangen,</para>
      <para>dan wel dat op de voet van dit artikel alle vakantiedagen</para>
      <para>waarvoor schadeloosstelling is ontvangen, kunnen worden</para>
      <para>gelijkgesteld, ook voor zover het gaat om een</para>
      <para>schadeloosstelling die is opgebouwd, en waarvoor derhalve een</para>
      <para>aanspraak is verkregen, vóór de referteperiode.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad is van oordeel dat de door appellant gehanteerde</para>
      <para>'abstraherende' berekeningswijze rechtens niet onaanvaardbaar</para>
      <para>is. Aangezien bij uitzendkrachten zelden met 100% zekerheid</para>
      <para>kan worden vastgesteld over welke dagen de uitzendkracht</para>
      <para>tijdens de referteperiode vakantie heeft genoten en in</para>
      <para>hoeverre hij daarvoor vakantierechten heeft opgebouwd, is naar</para>
      <para>'s Raads oordeel een zo goed mogelijk geobjectiveerd systeem</para>
      <para>onontbeerlijk, ook al heeft het soms de consequentie dat het</para>
      <para>voor een betrokkene wat ongunstiger kan uitvallen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het oordeel van de rechtbank dat appellant toepassing had</para>
      <para>moeten geven aan artikel 4, eerste lid, letter d, van de</para>
      <para>Dagloonregels IWS acht de Raad derhalve niet juist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van het vorenoverwogene komt de aangevallen uitspraak</para>
      <para>voor vernietiging in aanmerking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan</para>
      <para>artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Mitsdien dient te worden beslist als volgt.</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep;</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>Verklaart het inleidende beroep alsnog ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr B.J. van der Net als voorzitter, en</para>
      <para>mr R.C. Schoemaker en mr G. van der Wiel als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van mr L.H. Vogt als griffier, en</para>
      <para>uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) B.J. van der Net.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) L.H. Vogt.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>AB</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>