<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9092</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-04T20:17:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB9092</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-12-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">99/6394 WVG</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:42&amp;g=2000-12-12">Algemene wet bestuursrecht 8:42</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JB 2001/38</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2001/63</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9092">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9092</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:58:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-10-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9092 Centrale Raad van Beroep , 12-12-2000 / 99/6394 WVG</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9092:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9092:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>99/6394 WVG</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Valkenswaard,</para>
      <para>appellant,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>A, wonende te B, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 17 maart 1997 heeft appellant geweigerd gedaagde - in het kader</para>
      <para>van de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG) - in aanmerking te brengen voor een</para>
      <para>vervoerskostenvergoeding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het tegen dat besluit ingediende bezwaar is door appellant bij besluit van</para>
      <para>4 november 1997 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch heeft het tegen het besluit op</para>
      <para>bezwaar ingestelde beroep bij uitspraak van 1 november 1999 gegrond verklaard,</para>
      <para>het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit</para>
      <para>dient te nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Van die uitspraak is appellant in hoger beroep gekomen. In het aanvullend</para>
      <para>beroepschrift, met als bijlage een brief d.d. 13 december 1996 van de cardioloog</para>
      <para>dr M.C. Huige, zijn de gronden uiteengezet waarop het hoger beroep berust.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens gedaagde heeft mr P.J. van 't Hoff, werkzaam bij de Stichting</para>
      <para>Rechtsbijstand te Tilburg, een verweerschrift (met als bijlage een brief d.d. 28</para>
      <para>juli 1997 van de huisarts R.J.L.A. Mertens) ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 31 oktober 2000,</para>
      <para>waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr G.M. van den Boom,</para>
      <para>werkzaam bij de gemeente Valkenswaard, en waar gedaagde - zoals tevoren</para>
      <para>aangekondigd - niet is verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan het bestreden besluit van 4 november 1997 ligt het standpunt ten grondslag</para>
      <para>dat de medische beperkingen van gedaagde niet van dien aard waren dat hij geen</para>
      <para>gebruik kon maken van het openbaar vervoer.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd, omdat de rechtbank van</para>
      <para>opvatting is dat voormeld besluit is voorbereid en genomen in strijd met het</para>
      <para>bepaalde in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daartoe heeft</para>
      <para>de rechtbank onder meer het volgende overwogen:</para>
      <para>"De rechtbank heeft moeten vaststellen dat in het onderhavige geval niet van</para>
      <para>deugdelijke advisering kan worden gesproken. Zo wordt in het advies van 14</para>
      <para>januari 1997 ten onrechte de indruk gewekt dat de rapporteur eiser zelf heeft</para>
      <para>onderzocht op het spreekuur van 20 september 1996. Verder ontbreekt in het</para>
      <para>advies van 14 januari 1997 een anamnese en wordt als diagnose slechts vermeld:</para>
      <para>een hart- en/of vaat en nieraandoening. Weliswaar is aangegeven dat informatie</para>
      <para>is opgevraagd en verkregen, maar niet is vermeld bij wie en wat deze informatie</para>
      <para>inhoudt. De rechtbank heeft dan ook tot geen ander oordeel kunnen komen dan dat</para>
      <para>verweerder niet heeft kunnen nagaan of uit het onderzoek door de GGD de juiste</para>
      <para>conclusies zijn getrokken."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts heeft de rechtbank overwogen dat appellant - in eerste aanleg verweerder</para>
      <para>genoemd - niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank</para>
      <para>heeft toegestuurd. "Om die reden is op 10 augustus 1999 aan verweerder verzocht</para>
      <para>een aantal met name genoemde stukken, waaronder de schriftelijke informatie van</para>
      <para>de behandelend specialist en eisers huisarts, alsnog toe te sturen. Aan dat</para>
      <para>verzoek is niet volledig voldaan. In het door verweerders gemachtigde ter</para>
      <para>zitting verwoorde standpunt dat geen stukken kunnen worden ingezonden waarover</para>
      <para>verweerder zelf niet beschikt omdat deze zich in eisers dossier bij de</para>
      <para>Gemeentelijke Gezondheidsdienst (hierna: GGD) bevinden, heeft de rechtbank geen</para>
      <para>verontschuldiging kunnen vinden voor het niet inzenden van alle op de zaak</para>
      <para>betrekking hebbende stukken. Verweerder is immers procespartij en dient aan zijn</para>
      <para>uit de Awb voortvloeiende verplichtingen te voldoen. Het is aan verweerder om</para>
      <para>ervoor te zorgen dat hij van zijn adviseur, de GGD, en/of van eiser de op de</para>
      <para>zaak betrekking hebbende stukken krijgt om die vervolgens aan de rechtbank toe</para>
      <para>te sturen."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hoger beroep komt er op neer dat appellant van opvatting is dat bij de</para>
      <para>voorbereiding van het bestreden besluit voldoende zorgvuldigheid in acht is</para>
      <para>genomen. Daartoe is onder meer aangevoerd dat de besluitvorming niet alleen</para>
      <para>gebaseerd is op het GGD-advies van 14 januari 1997, maar ook op andere</para>
      <para>GGD-rapporten die in hetzelfde dossier zitten.</para>
      <para>Voorts heeft appellant aangevoerd dat hij al tijdens de bezwaarschriftprocedure</para>
      <para>aan gedaagde heeft gevraagd om informatie van de specialist te overhandigen,</para>
      <para>doch dat hij dit heeft geweigerd. Vervolgens heeft de GGD-arts schriftelijk aan</para>
      <para>appellant uiteengezet waaruit de conclusie van de specialist bestond. Tijdens de</para>
      <para>procedure bij de rechtbank heeft de GGD aan gedaagde schriftelijk verzocht om</para>
      <para>toestemming voor toezending van de informatie van de specialist aan appellant,</para>
      <para>zodat deze desgevraagd aan de rechtbank kon worden toegezonden.</para>
      <para>Gedaagde heeft deze toestemming evenwel geweigerd. Pas ter zitting van de</para>
      <para>rechtbank heeft hij meegedeeld dat hij deze informatie wel aan de rechtbank wil</para>
      <para>overhandigen. Appellant acht het van belang dat de GGD op dat moment niet meer</para>
      <para>in het bezit was van deze informatie omdat de GGD-arts deze informatie aan</para>
      <para>gedaagde heeft moeten retourneren. Dit gegeven zijnde is appellant van oordeel</para>
      <para>dat hem niet kan worden verweten dat hij de op de zaak betrekking hebbende</para>
      <para>stukken niet aan de rechtbank heeft doen toekomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad is tot het oordeel gekomen dat het hoger beroep doel treft. Hij heeft</para>
      <para>daartoe het volgende in aanmerking genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op de beschikbare medische gegevens, waaronder de GGD-rapporten van 17</para>
      <para>oktober 1995, 14 januari 1997, 18 juni 1997 en 3 oktober 1997, is de Raad tot de</para>
      <para>conclusie gekomen dat in het onderhavige geval niet gezegd kan worden dat aan</para>
      <para>het bestreden besluit geen deugdelijke medische advisering ten grondslag ligt.</para>
      <para>Uit (de samenhang van) die rapporten blijkt immers dat de GGD bekend was met de</para>
      <para>ziektegeschiedenis van gedaagde, dat gedaagde op 20 september 1996 is</para>
      <para>onderzocht, dat de GGD op de hoogte was van de inhoud van de eerdervermelde</para>
      <para>brieven d.d. 13 december 1996 en 28 juli 1997 van de cardioloog Huige</para>
      <para>respectievelijk de huisarts, en dat de GGD-arts R.M. ter Schegget (die gedaagde</para>
      <para>ook op 15 september 1995 heeft gezien) op 3 oktober 1997 overleg heeft gepleegd</para>
      <para>met de huisarts van gedaagde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad wijst erop dat met name uit het GGD-rapport van 17 oktober 1995 blijkt</para>
      <para>dat een anamnese is afgenomen en dat geenszins kan worden vastgesteld dat bij</para>
      <para>het opstellen van dit rapport en de andere GGD-rapporten relevante medische</para>
      <para>gegevens over het hoofd zijn gezien.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot het oordeel van de rechtbank dat appellant ten onrechte niet</para>
      <para>alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft ingezonden, overweegt de Raad</para>
      <para>dat uit artikel 8:42 van de Awb voortvloeit dat het bestuursorgaan alle op de</para>
      <para>zaak betrekking hebbende stukken dient in te zenden. Dit geldt ook voor medische</para>
      <para>stukken die zich onder een adviserende instantie als de GGD bevinden, tenzij de</para>
      <para>belanghebbende op wie die stukken betrekking hebben geen toestemming geeft voor</para>
      <para>toezending aan het bestuursorgaan. Dat laatste doet zich in het onderhavige</para>
      <para>geval voor zodat niet gezegd kan worden dat appellant in casu niet alle op de</para>
      <para>zaak betrekking hebbende stukken als in voormelde bepaling bedoeld aan de</para>
      <para>rechtbank heeft toegezonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht zich voldoende voorgelicht om een oordeel te geven over de vraag of</para>
      <para>appellant terecht bij het bestreden besluit heeft geweigerd gedaagde in</para>
      <para>aanmerking te brengen voor een vervoerskostenvergoeding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op basis van de beschikbare gegevens moet de Raad het er voor houden dat</para>
      <para>gedaagde niet was aangewezen op een vervoersvoorziening ingevolge de WVG, omdat</para>
      <para>de Raad met appellant van mening is dat gedaagde, althans ten tijde in geding,</para>
      <para>gebruik kon maken van het openbaar vervoer en ook nog (uit het oogpunt van de</para>
      <para>WVG gezien) relevante afstanden te voet en per fiets kon overbruggen.</para>
      <para>In de in hoger beroep overgelegde brieven van de cardioloog en de huisarts heeft</para>
      <para>de Raad onvoldoende aanknopingspunten gevonden voor een ander oordeel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan worden</para>
      <para>gelaten en dat het inleidend beroep van gedaagde alsnog ongegrond moet worden</para>
      <para>verklaard.</para>
      <para>De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in</para>
      <para>artikel 8:75 van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr M.I. 't Hooft als voorzitter en</para>
      <para>mr J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr R.M. van Male als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van mr E.W.F. Menkveld-Botenga als griffier, en uitgesproken in</para>
      <para>het openbaar op 12 december 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) M.I. 't Hooft.</para>
    <para />
    <para>(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>JdB</para>
      <para>0412</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>