<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9082</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T18:10:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB9082</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-10-31</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">98/6708 NABW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=1a&amp;g=2000-10-31">Algemene bijstandswet 1a</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=3&amp;g=2000-10-31">Algemene bijstandswet 3</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=3&amp;g=2000-10-31">Algemene bijstandswet 3</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 2000, 260</rdf:li>
          <rdf:li>JABW 2000, 187</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9082">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9082</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:58:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-01-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9082 Centrale Raad van Beroep , 31-10-2000 / 98/6708 NABW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9082:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Kosten kinderopvang - grondslag weigering bijzondere bijstand</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9082:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>98/6708 NABW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A., wonende te B., appellante,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het College van burgemeester en wethouders van de gemeente</para>
      <para>Rotterdam, gedaagde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als gemachtigde van appellante heeft mr I.A.M. Bomans, verbonden</para>
      <para>aan het Buro voor Rechtshulp te Rotterdam, op de bij een aanvullend</para>
      <para>beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de</para>
      <para>door de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam op 27 juli 1998</para>
      <para>tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, waarop hij bij brief</para>
      <para>van 22 maart 1999 (met bijlagen) een aanvulling heeft gegeven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellantes gemachtigde, mr Bomans voornoemd, heeft bij brief van</para>
      <para>7 september 2000 nog stukken in het geding gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van 19 september 2000, waar</para>
      <para>appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr Bomans</para>
      <para>meergenoemd, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen</para>
      <para>door</para>
      <para>mr A.Th.A.M. Schouw, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 januari 1996 is de Algemene Bijstandswet (ABW)</para>
      <para>ingetrokken en zijn de Algemene bijstandswet (Abw) en de</para>
      <para>Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet (Iw) in werking</para>
      <para>getreden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de gedingstukken en het ter zitting verhandelde ontleent de</para>
      <para>Raad het volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante was ten tijde hier van belang in deeltijd werkzaam. In</para>
      <para>aanvulling op haar inkomsten uit arbeid ontving zij een uitkering</para>
      <para>ingevolge de ABW, berekend naar de norm voor een één-ouder gezin.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft appellante over de periode van februari 1995 tot en</para>
      <para>met november 1995 bijzondere bijstand verleend in buitengewone</para>
      <para>verwervingskosten, zijnde de kosten van particuliere opvang van</para>
      <para>haar in 1986 geboren dochter C.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In december 1995 is aan appellante telefonisch medegedeeld dat zij</para>
      <para>zich moet aanmelden voor gesubsidieerde kinderopvang. Op de</para>
      <para>aanvraag d.d. 29 maart 1996 om bijzondere bijstand in de kosten van</para>
      <para>particuliere kinderopvang over de periode van december 1995 tot en</para>
      <para>met maart 1996 heeft gedaagde vervolgens bij besluit van</para>
      <para>13 juni 1996 afwijzend beslist op de grond dat appellante weigert</para>
      <para>zich bij een gesubsidieerde instelling in te laten schrijven.</para>
      <para>Na gemaakt bezwaar heeft gedaagde bij zijn besluit van 17 juni 1997</para>
      <para>appellante alsnog bijzondere bijstand verleend in de kosten van</para>
      <para>particuliere kinderopvang over de periode van december 1995 tot en</para>
      <para>met augustus 1996. Met toepassing van artikel 17 van de Algemene</para>
      <para>bijstandswet (Abw) heeft gedaagde voor het overige de bezwaren van</para>
      <para>appellante tegen het besluit van 13 juni 1996 ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van</para>
      <para>appellante tegen het besluit van 17 juni 1997 ongegrond verklaard.</para>
      <para>Zij heeft daartoe overwogen dat appellante ten tijde van belang een</para>
      <para>beroep had kunnen doen op gesubsidieerde kinderopvang zodat artikel</para>
      <para>17, eerste lid, van de Abw in beginsel aan het verlenen van</para>
      <para>bijstand in de kosten van particuliere kinderopvang in de weg</para>
      <para>stond. Voorts is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden</para>
      <para>gezegd dat gedaagde niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten</para>
      <para>geen gebruik te maken van de hem krachtens artikel 17, vierde lid,</para>
      <para>oud, van de Abw toekomende bevoegdheid om appellante in afwijking</para>
      <para>van artikel 17, eerste lid, van de Abw bijzondere bijstand in de</para>
      <para>onderwerpelijke kosten te verlenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld. Zij</para>
      <para>heeft betoogd dat zij in verband met de bestaande wachtlijsten na</para>
      <para>augustus 1996 niet daadwerkelijk een beroep op gesubsidieerde</para>
      <para>kinderopvang kon doen. Voorts heeft zij gesteld dat haar dochter</para>
      <para>moeilijk opvoedbaar is zodat van haar in redelijkheid niet kan</para>
      <para>worden verlangd dat zij zich inschrijft voor gesubsidieerde</para>
      <para>kinderopvang.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad ziet zich allereerst gesteld voor de vraag welk recht in</para>
      <para>casu van toepassing is en overweegt ter zake als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Iw blijft de ABW gedurende</para>
      <para>ten hoogste 12 maanden na de inwerkingtreding van de Abw van</para>
      <para>toepassing ten aanzien van degene die in de peilmaand recht had op</para>
      <para>algemene bijstand en wiens recht op de peildag niet is geëindigd.</para>
      <para>Het tweede lid onder a, van genoemd artikel bepaalt, voorzover hier</para>
      <para>van belang, dat de in het eerste lid bedoelde toepassing van de ABW</para>
      <para>eindigt zodra burgemeester en wethouders in het betreffende geval</para>
      <para>naar aanleiding van het onderzoek als bedoeld in artikel 5, eerste</para>
      <para>lid, van de Iw een nieuw besluit hebben getroffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vast staat dat appellante in de peilmaand - december 1995 - en op</para>
      <para>de peildag - 31 december 1995 - recht had op algemene bijstand</para>
      <para>ingevolge de ABW.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar uit de gedingstukken blijkt, had gedaagde ten tijde als hier</para>
      <para>van belang nog geen onderzoek als bedoeld in artikel 5 van de Iw</para>
      <para>ingesteld zodat de in het eerste lid van artikel 4 van de Iw</para>
      <para>bedoelde toepassing van de ABW ten aanzien van appellante nog niet</para>
      <para>was beëindigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft zijn onderwerpelijke besluit dan ook ten onrechte op</para>
      <para>de Abw gebaseerd en de rechtbank is ten onrechte uitgegaan van de</para>
      <para>juistheid van de toepassing van de Abw. Dit betekent dat zowel</para>
      <para>gedaagdes besluit als de aangevallen uitspraak wegens strijd met de</para>
      <para>wet dienen te worden vernietigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht echter op grond van de hierna volgende overwegingen</para>
      <para>termen aanwezig om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met</para>
      <para>toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet</para>
      <para>bestuursrecht (Awb) geheel in stand te laten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad stelt vast dat gedaagde in het bestreden besluit tot</para>
      <para>uitgangspunt heeft genomen dat appellante een beroep had moeten</para>
      <para>doen op een voorliggende voorziening: de Regeling kinderopvang en</para>
      <para>buitenschoolse opvang opvang voor alleenstaande ouders 1996, welke</para>
      <para>voorziet in gesubsidieerde kinderopvang.</para>
      <para>Op grond van de stukken staat echter vast dat appellante ten</para>
      <para>gevolge van de bestaande wachtlijsten op en na 1 september 1996</para>
      <para>geen daadwerkelijk beroep op gesubsidieerde kinderopvang kon doen</para>
      <para>zodat genoemde regeling niet als een voorliggende voorziening in de</para>
      <para>zin van artikel 1a, eerste lid, van de ABW (de met artikel 17,</para>
      <para>eerste lid, van de Abw overeenkomende bepaling) kon worden</para>
      <para>aangemerkt.</para>
      <para>Dit betekent dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke</para>
      <para>motivering berust.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zoals hij blijkens zijn verweerschrift inmiddels heeft onderkend,</para>
      <para>kon gedaagde de onderwerpelijke bijzondere bijstand wel weigeren op</para>
      <para>grond van artikel 3, tweede lid, van de ABW, in verbinding met het</para>
      <para>vijfde lid van die bepaling. Ingevolge het eerstvermelde artikellid</para>
      <para>kunnen aan de bijstand voorwaarden worden verbonden die verband</para>
      <para>houden met aard en doel van een bepaalde vorm van bijstand dan wel</para>
      <para>strekken tot zijn vermindering of beëindiging. Gedaagde was</para>
      <para>derhalve gerechtigd om aan de verlening van de onderwerpelijke</para>
      <para>bijzondere bijstand de voorwaarde te verbinden dat appellante zich</para>
      <para>zou inschrijven voor gesubsidieerde kinderopvang. Nu appellante die</para>
      <para>voorwaarde niet wenste te accepteren, kon gedaagde naar het oordeel</para>
      <para>van de Raad in redelijkheid en zonder in strijd te handelen met een</para>
      <para>geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel</para>
      <para>de bijzondere bijstand in de kosten van particuliere kinderopvang</para>
      <para>weigeren. De Raad heeft daarbij laten wegen dat appellante niet</para>
      <para>aannemelijk heeft gemaakt dat gesubsidieerde kinderopvang voor haar</para>
      <para>dochter geen adequate voorziening was, terwijl zij door haar</para>
      <para>weigering zich daarvoor in te schrijven heeft belemmerd dat de</para>
      <para>daartoe aangewezen instantie zich ter zake een oordeel kon vormen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht termen aanwezig om gedaagde te veroordelen in de</para>
      <para>proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op</para>
      <para>f 1.420,-- voor in beroep en op f 1.420,-- voor in hoger beroep</para>
      <para>verleende rechtsbijstand.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Beslist wordt als volgt.</para>
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>Verklaart het inleidende beroep gegrond en vernietigt het bestreden</para>
      <para>besluit;</para>
      <para>Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in</para>
      <para>stand blijven;</para>
      <para>Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een</para>
      <para>bedrag groot f 2.840,-, te betalen door de gemeente Rotterdam aan</para>
      <para>de griffier van de Raad;</para>
      <para>Gelast de gemeente Rotterdam aan appellante het gestorte</para>
      <para>griffierecht van f 55,-- in beroep en f 160,-- in hoger beroep (in</para>
      <para>totaal f 215,--) te vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door mr J.G. Treffers als voorzitter en</para>
      <para>mr J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr drs N.J. van</para>
      <para>Vulpen-Grootjams als leden, in tegenwoordigheid van mr P.C. de Wit als</para>
      <para>griffier, en uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) J.G. Treffers.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>(get.) P.C. de Wit.</para>
      <para>AB</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>