<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9064</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-04T20:17:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB9064</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-12-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">99/5738 ZFW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002518&amp;artikel=14&amp;g=2000-12-12">Inschrijvingsbesluit ziekenfondsverzekering 14</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2001/54</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9064">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9064</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:58:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-10-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9064 Centrale Raad van Beroep , 12-12-2000 / 99/5738 ZFW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9064:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9064:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>99/5738 ZFW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>In het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A, wonende te B, appellante,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>OWM Amicon Zorgverzekeraar Ziekenfonds U.A., gevestigd te Wageningen, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit op bezwaar van 30 maart 1999 (het bestreden besluit) heeft gedaagde</para>
      <para>het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit van 1 februari 1999</para>
      <para>ongegrond verklaard. Bij dat besluit is schadevergoeding ten bedrage van f</para>
      <para>8.565,53 gevorderd wegens onrechtmatige inschrijving in de verplichte</para>
      <para>ziekenfondsverzekering over de periode van 1 januari 1995 tot 10 december 1998.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te Almelo heeft bij de aangevallen uitspraak van 18</para>
      <para>oktober 1999 het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar</para>
      <para>die uitspraak wordt hierbij verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellante is C., de echtgenoot van appellante, op bij beroepschrift</para>
      <para>aangegeven gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 31 oktober 2000 waar partijen</para>
      <para>- met schriftelijke kennisgeving - niet zijn verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <para>In dit geding is de vraag aan de orde of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.</para>
    <para />
    <para>De Raad overweegt het volgende.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De feiten waarop de vordering van gedaagde berust, zijn in het bestreden besluit</para>
      <para>als volgt weergegeven:</para>
      <para>"Het ziekenfonds is verplicht om een maal per vijf jaar het gehele</para>
      <para>verzekerdenbestand te controleren op verzekeringsgerechtigdheid. Op 5</para>
      <para>december 1998 heeft u hiertoe een controleformulier ingevuld, welke wij</para>
      <para>10 december 1998 retour ontvingen.</para>
      <para>Hieruit, en naar aanleiding hiervan, bleek dat u sinds 1 januari 1995</para>
      <para>niet meer in loondienst werkzaam was.</para>
      <para>Uw laatste werkgever was X b.v. te Y. Deze werkgever heeft uw beëindiging</para>
      <para>van loondienstverband bij hen niet aan ons doorgegeven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In uw bezwaarschrift vermeldt u dat u meerdere malen telefonisch en ook</para>
      <para>schriftelijk naar (toen nog) Oostnederland heeft gereageerd.</para>
      <para>Hiervan blijkt echter niets uit onze administratie.</para>
      <para>Met uw bezwaarschrift heeft u een afschrift meegestuurd van een brief van</para>
      <para>12 januari 1995.</para>
      <para>Deze brief is niet in onze administratie bekend.</para>
      <para>Aangezien deze brief niet aangetekend is verstuurd, ligt het risico van</para>
      <para>verzenden aan uw kant.</para>
      <para>U geeft tevens aan dat u gedurende genoemde periode altijd de premie</para>
      <para>(nominale ZFW en premie AV) in rekening gebracht heeft gekregen. Deze</para>
      <para>heeft u ook al die tijd betaald. Het betreft een bedrag van f 1.652,--.</para>
      <para>In de betreffende periode heeft u ook zeer veelvuldig gebruik gemaakt van</para>
      <para>ziekenfondsverstrekkingen en u aldus kenbaar gemaakt als</para>
      <para>ziekenfondsverzekerde. (Fysiotherapie, specialist, tandheelkunde, medicijnen).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vaststaat dat u over de betreffende periode geen procentuele premie</para>
      <para>ziekenfondsverzekering heeft betaald.</para>
      <para>Vanwege het onrechtmatige karakter van de inschrijving, krijgt u de</para>
      <para>betaalde premies ad f 1.652,-- retour.</para>
      <para>Om die reden wordt uw inschrijving ook formeel doorgehaald per 1 januari 1995.</para>
      <para>De Ziekenfondswet heeft echter een schadevergoeding gesteld op het</para>
      <para>onrechtmatig ingeschreven zijn en als gevolg daarvan blijven gebruik</para>
      <para>maken van verstrekkingen over die periode.</para>
      <para>U bent als verzekerde verplicht zelf het ziekenfonds waarbij u staat</para>
      <para>ingeschreven binnen één week na bekend worden van het feit van einde</para>
      <para>verzekering hieromtrent te informeren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verplichting staat vermeld op uw aanmeldingsformulier en op de</para>
      <para>achterkant van uw inschrijvingskaart. Hierbij staat ook vermeld hoe u</para>
      <para>zich moet afmelden en welke gevolgen het niet bijtijds afmelden voor u</para>
      <para>heeft. Deze plicht kon u dus genoegzaam bekend zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu u deze melding achterwege heeft gelaten, is er een periode van</para>
      <para>onrechtmatige inschrijving ontstaan, waarbij het ziekenfonds de kosten</para>
      <para>voor huisarts, administratiekosten en het risico voor kosten heeft</para>
      <para>gelopen. Om die reden heeft het ziekenfonds bij wet de bevoegdheid</para>
      <para>gekregen een schadevergoeding te vorderen van een door de Ziekenfondsraad</para>
      <para>vastgesteld bedrag.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft - blijkens het bestreden besluit - van deze bevoegdheid gebruik</para>
      <para>gemaakt door van appellante schadevergoeding ten bedrage van f 8.565,53 te vorderen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellante is aangevoerd dat</para>
      <para>- haar van de zijde van de rechtsvoorganger van gedaagde in januari 1995</para>
      <para>telefonisch is meegedeeld dat zij zich schriftelijk diende af te melden</para>
      <para>en dat daarbij niet is aangegeven dat dit per aangetekende post moest gebeuren;</para>
      <para>- zij bij brief van 12 januari 1995 mededeling heeft gedaan dat zij het</para>
      <para>dienstverband met haar werkgever per 1 januari 1995 had beëindigd;</para>
      <para>- zij mogelijkerwijs wel had kunnen weten dat de beëindiging van het</para>
      <para>dienstverband tot gevolg heeft dat de verplichte ziekenfondsverzekering</para>
      <para>eindigt, maar dat zij dit niet wist en dat de mutatiekaart van het</para>
      <para>ziekenfonds hierin geen duidelijkheid schept;</para>
      <para>- aangezien het ziekenfonds premienota's bleef sturen en premiebetalingen</para>
      <para>accepteerde zij ervan uit mocht gaan dat de verzekering bleef doorlopen;</para>
      <para>- het ziekenfonds geen deugdelijke administratie voert wat blijkt uit het</para>
      <para>feit dat de brief van 12 januari 1995 niet in zijn administratie is</para>
      <para>terug te vinden en de omstandigheid dat nog premienota's en</para>
      <para>herinneringen zijn verzonden na de beëindiging van de verzekering;</para>
      <para>- gedaagde kennelijk met twee maten meet aangezien de werkgever</para>
      <para>telefonisch wel mag doorgeven of een verzekerde nog in dienst is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens gedaagde in aangevoerd dat gedaagde op de hoogte is geraakt van de</para>
      <para>onrechtmatige inschrijving als ziekenfondsverzekerde van appellante toen zij</para>
      <para>haar verplichting om jaarlijks een vijfde deel van het verzekerdenbestand op</para>
      <para>rechtmatigheid van inschrijving als ziekenfondsverzekerde te controleren nakwam.</para>
      <para>In verband daarmee heeft zij aan appellante een controleformulier toegezonden</para>
      <para>dat zij op 10 december 1998 ingevuld heeft terugontvangen. Gedaagde stelt niet</para>
      <para>op een andere wijze op de hoogte te zijn geraakt van de beëindiging van het</para>
      <para>dienstverband en de daarmee samenhangende beëindiging van de verplichte</para>
      <para>ziekenfondsverzekering van appellante aangezien de door de werkgever</para>
      <para>verschuldigde procentuele premie door deze direct wordt afgedragen aan de</para>
      <para>Centrale Kas van het college voor Zorgverzekeringen. Gedaagde heeft er voorts op</para>
      <para>gewezen dat de verzekerde ingevolge het bepaalde in artikel 14, derde en vierde</para>
      <para>lid, van het Inschrijvingsbesluit ziekenfondsverzekering gehouden is terstond,</para>
      <para>doch in ieder geval binnen een week, mededeling te doen van voor de verplichte</para>
      <para>verzekering van belang zijnde feiten en omstandigheden. Hierop wordt iedere</para>
      <para>verzekerde gewezen door middel van informatie op de achterkant van de</para>
      <para>inschrijvingskaart. Ten aanzien van het beëindigen van de verzekering staat</para>
      <para>hierop precies vermeld hoe te handelen en welke gevolgen het niet afmelden</para>
      <para>heeft. Gedaagde meent dat appellante dus op de hoogte kon zijn van de op haar</para>
      <para>rustende verplichting. Niettemin is volgens gedaagde van appellante geen</para>
      <para>afmelding, schriftelijk of telefonisch ontvangen. Gedaagde wijst erop dat</para>
      <para>appellante geen particuliere ziektekostenverzekering heeft afgesloten en dat zij</para>
      <para>zich als ziekenfondsverzekerde heeft uitgegeven bij gecontracteerde</para>
      <para>hulpverleners. Gedaagde heeft dientengevolge kosten moeten maken. Daarnaast</para>
      <para>heeft gedaagde de kosten gedragen van het huisartsenabonnement. De door</para>
      <para>appellante gereleveerde premienota's hebben volgens gedaagde geen betrekking op</para>
      <para>de procentuele premie, maar op de nominale premie. Indien aangenomen zou moeten</para>
      <para>worden dat appellante zich wel tijdig heeft afgemeld, dan had het voor de hand</para>
      <para>gelegen dat zij inlichtingen had ingewonnen over de nota's betreffende nominale premie.</para>
      <para>Voorts zou appellante zich dan particulier hebben verzekerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In aanmerking genomen het geschilpunt dat partijen verdeeld houdt, ziet de Raad</para>
      <para>zich geplaatst voor de vraag of appellante aan de rechtsvoorganger van gedaagde</para>
      <para>tijdig mededeling heeft gedaan van de beëindiging van het dienstverband en</para>
      <para>daarmee van de beëindiging van de verplichte ziekenfondsverzekering per 1 januari 1995.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 14, derde lid, Inschrijvingsbesluit ziekenfondsverzekering bepaalt dat</para>
      <para>degene, die bij een ziekenfonds is ingeschreven, verplicht is dit ziekenfonds</para>
      <para>terstond in kennis te stellen van feiten en omstandigheden, welke tot</para>
      <para>beëindiging van de inschrijving als verzekerde of medeverzekerde leiden. Het</para>
      <para>vierde lid van dit artikel preciseert dit door te bepalen dat dit in kennis</para>
      <para>stellen uiterlijk dient te geschieden in de week na die waarin zich de feiten of</para>
      <para>omstandigheden voordeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft de verzekerden, en destijds ook appellante, hierop gewezen op de</para>
      <para>achterkant van het bewijs van inschrijving. Onder punt 4 van de daar verstrekte</para>
      <para>informatie is te lezen dat de ziekenfondsverzekerde elke omstandigheid die van</para>
      <para>invloed kan zijn op het voortduren van de verzekering schriftelijk dient mede te</para>
      <para>delen aan het ziekenfonds, in welk verband als voorbeeld is genoemd het (begin</para>
      <para>en) einde van de dienstbetrekking. Onder punt 6 is daaraan toegevoegd dat indien</para>
      <para>de verplichte verzekering eindigt, daarvan direct, doch uiterlijk in de week na</para>
      <para>die waarin de verzekering is geëindigd, schriftelijk mededeling moet worden</para>
      <para>gedaan en dat dit per aangetekende post of per post met opdrachtbevestiging</para>
      <para>dient te geschieden. Voorts wordt daarbij uitdrukkelijk vermeld dat betrokkene,</para>
      <para>indien hij of zij niet binnen 30 dagen na de schriftelijke mededeling als zoëven</para>
      <para>bedoeld een bericht van afschrijving van het ziekenfonds heeft ontvangen,</para>
      <para>contact op dient te nemen met het ziekenfonds.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat geen afmelding per</para>
      <para>aangetekende post of per post met opdrachtbevestiging heeft plaatsgevonden zodat</para>
      <para>niet gezegd kan worden dat appellante heeft voldaan aan hetgeen onder punt 6 van</para>
      <para>de informatie op de achterkant van het bewijs van inschrijving is aangegeven. De</para>
      <para>Raad acht hetgeen op die achterzijde is aangegeven met betrekking tot de wijze</para>
      <para>van afmelding - anders dan namens appellant is aangevoerd - niet onduidelijk. De</para>
      <para>Raad acht, mede in aanmerking genomen dat van algemene bekendheid moet worden</para>
      <para>geacht dat de verplichte ziekenfondsverzekering eindigt bij het einde van de</para>
      <para>dienstbetrekking, niet aannemelijk dat appellante daarvan niet op de hoogte was,</para>
      <para>zodat zij gezien het vorenstaande kon weten dat zij zich door middel van</para>
      <para>aangetekende post of post met opdrachtbevestiging diende af te melden. Voor</para>
      <para>zover wel aangenomen zou moeten worden dat appellante niet wist dat het einde</para>
      <para>van de dienstbetrekking tot het einde van de verplichte ziekenfondsverzekering</para>
      <para>leidt, had het, gezien het vorenstaande, op haar weg gelegen daarover bij</para>
      <para>gedaagde inlichtingen in te winnen. Nu geenszins aannemelijk is gemaakt dat</para>
      <para>gedaagde telefonisch aan appellante kenbaar heeft gemaakt dat zij - in weerwil</para>
      <para>van het gestelde onder punt 6 van het bewijs van inschrijving - kon volstaan met</para>
      <para>een afmelding per gewone post, is de Raad van oordeel dat het risico van</para>
      <para>ontkenning van ontvangst van de door appellante gestelde schriftelijke</para>
      <para>afmelding, voor rekening van appellante komt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het vorenstaande volgt dat gedaagde bevoegd was schadevergoeding te vorderen</para>
      <para>overeenkomstig hetgeen bepaald is in het thans bestreden besluit. De Raad is</para>
      <para>niet gebleken dat de wijze waarop gedaagde van deze bevoegdheid gebruik heeft</para>
      <para>gemaakt in strijd komt met enige regel van geschreven of ongeschreven recht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet hierop treft het hoger beroep geen doel en dient de aangevallen uitspraak</para>
      <para>te worden bevestigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de</para>
      <para>Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Beslist wordt als volgt.</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr M.I. 't Hooft als voorzitter en mr J.M.A. van der Kolk-Severijns en</para>
      <para>mr R.M. van Male als leden, in tegenwoordigheid van mr E.W.F. Menkveld-Botenga als</para>
      <para>griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 december 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) M.I. 't Hooft.</para>
    <para />
    <para>(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>JdB</para>
      <para>0412</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>