<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9043</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T23:19:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB9043</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-12-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">97/9574 AAW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 2001, 59 met annotatie van M.H. Beersma</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2001/26 met annotatie van Redactie</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9043">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9043</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:57:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-10-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9043 Centrale Raad van Beroep , 13-12-2000 / 97/9574 AAW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9043:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9043:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>97/9574 AAW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>A, wonende te B, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale</para>
      <para>verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de</para>
      <para>Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt</para>
      <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de</para>
      <para>plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige</para>
      <para>geval is het Lisv in de plaats getreden van de</para>
      <para>Bedrijfsvereniging voor Tabakverwerkende en Agrarische</para>
      <para>Bedrijven. In deze uitspraak wordt onder appellant tevens</para>
      <para>verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 27 december 1994 heeft appellant de uitkering</para>
      <para>van gedaagde ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet</para>
      <para>(AAW), die werd berekend naar een mate van</para>
      <para>arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 1</para>
      <para>augustus 1994 ingetrokken onder overweging dat de mate van</para>
      <para>haar arbeidsongeschiktheid met ingang van die datum minder dan</para>
      <para>25% bedraagt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch heeft bij</para>
      <para>uitspraak van 18 augustus 1997 het beroep tegen dit besluit</para>
      <para>gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, verstaan dat</para>
      <para>appellant nader kan besluiten met inachtneming van de</para>
      <para>uitspraak, appellant veroordeeld in de proceskosten en bepaald</para>
      <para>dat appellant aan gedaagde het door haar betaalde griffierecht</para>
      <para>vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft tegen die uitspraak op bij aanvullend</para>
      <para>beroepschrift van 24 december 1997 aangegeven gronden hoger</para>
      <para>beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens gedaagde heeft mr B.M. van Kerkvoorden, werkzaam bij</para>
      <para>ARAG-Nederland, Algemene Rechtsbijstand</para>
      <para>Verzekeringmaatschappij N.V., een verweerschrift ingediend,</para>
      <para>gedateerd 9 maart 1998.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 25 november 1999 heeft mr Van Kerkvoorden,</para>
      <para>voornoemd, medische informatie in het geding gebracht, waarop</para>
      <para>gedaagde bij brief van 17 januari 2000 heeft gereageerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 19 mei 2000 heeft appellant enkele van de kant</para>
      <para>van de Raad gestelde vragen beantwoord.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op verzoek van de Raad heeft de internist-endocrinoloog</para>
      <para>R.P.L.M. Hoogma met een rapport van 30 mei 2000 enkele vragen</para>
      <para>beantwoord, waarop appellant bij brief van 20 juli 2000 zijn</para>
      <para>reactie heeft gegeven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 1</para>
      <para>november 2000, waar appellant zich heeft laten</para>
      <para>vertegenwoordigen door mr A.M. Aalberts, en waar</para>
      <para>gedaagde -daartoe ambtshalve opgeroepen- in persoon is</para>
      <para>verschenen, bijgestaan door mr Van Kerkvoorden, voornoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde, destijds werkzaam op de veehouderij van haar</para>
      <para>echtgenoot, heeft op 18 september 1987 een aanvraag om</para>
      <para>AAW-uitkering ingediend in verband met diabetes mellitus,</para>
      <para>gepaard gaande met hypoglycemieën. Naar aanleiding daarvan</para>
      <para>heeft appellant aan gedaagde bij besluit van 9 mei 1989 met</para>
      <para>ingang van 18 september 1986 een AAW-uitkering toegekend,</para>
      <para>berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot</para>
      <para>100%.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 27 december 1994 heeft appellant die uitkering</para>
      <para>met ingang van 1 augustus 1994 ingetrokken. Aan dit besluit</para>
      <para>ligt appellants standpunt ten grondslag dat bij gedaagde met</para>
      <para>ingang van die datum weliswaar medische beperkingen bestonden</para>
      <para>voor het verrichten van werkzaamheden, maar dat zij met</para>
      <para>inachtneming van die beperkingen nog in staat was te achten</para>
      <para>een aantal voor haar geselecteerde functies te vervullen.</para>
      <para>Vergelijking van het maatmaninkomen van gedaagde met het bij</para>
      <para>die functies behorende mediaanloon resulteert volgens</para>
      <para>appellant in een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan</para>
      <para>25%.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In dit geding dient de Raad de vraag te beantwoorden of dit</para>
      <para>besluit in rechte stand kan houden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft die vraag ontkennend beantwoord en daartoe</para>
      <para>-samengevat- overwogen dat appellant de medische toestand van</para>
      <para>gedaagde heeft onderschat en dat zij met ingang van 1 augustus</para>
      <para>1994 niet in staat was te achten de voor haar geselecteerde</para>
      <para>functies te vervullen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt het volgende.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verzekeringsarts A.F.C. Hofland heeft in zijn rapport van</para>
      <para>16 februari 1994, nadat hij gedaagde had onderzocht,</para>
      <para>aangegeven dat gedaagde lijdt aan een moeilijk instelbare</para>
      <para>diabetes mellitus en verder handklachten heeft. Op grond</para>
      <para>daarvan heeft hij vastgesteld dat gedaagde in staat is te</para>
      <para>achten in dagdienst lichte werkzaamheden op niet gevaar</para>
      <para>opleverende plaatsen te verrichten, zonder grote</para>
      <para>temperatuursverschillen. Dit oordeel over de belastbaarheid</para>
      <para>van gedaagde is neergelegd in de verwoording belastbaarheid</para>
      <para>belanghebbende d.d. 7 maart 1994.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen verschillen in dit geding in het bijzonder van mening</para>
      <para>over het antwoord op de vraag of de aard en de frequentie van</para>
      <para>de bij gedaagde optredende hypoglycemieën moet leiden tot het</para>
      <para>oordeel dat bovengenoemde belastbaarheid van gedaagde is</para>
      <para>overschat en dat zij niet in staat is de voor haar</para>
      <para>geselecteerde functies te vervullen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Teneinde die vraag te kunnen beantwoorden heeft de Raad</para>
      <para>gedaagde ter zitting opgeroepen om, naast de reeds in het</para>
      <para>dossier aanwezige informatie, inzicht te verschaffen in de</para>
      <para>aard en de frequentie van de optredende hypoglycemieën.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft gedaagde verklaard dat het niet eenvoudig is</para>
      <para>exact aan te geven hoe vaak hypoglycemieën optreden die zij</para>
      <para>voelt aankomen en hoe vaak hypoglycemieën optreden waarbij zij</para>
      <para>het bewustzijn verliest. In de ene periode treden er vaker</para>
      <para>hypoglycemieën op dan in de andere periode, aldus gedaagde. De</para>
      <para>Raad neemt op grond van de verklaringen van gedaagde ter</para>
      <para>zitting van de Raad aan dat er bij gedaagde maximaal éénmaal</para>
      <para>per twee weken een hypoglycemie optreedt waarbij zij het</para>
      <para>bewustzijn verliest en waarbij een Glucagon-injectie dient te</para>
      <para>worden toegediend. Deze frequentie strookt met verklaringen</para>
      <para>van gedaagde of haar gemachtigde die eerder in de</para>
      <para>gedingstukken zijn vermeld. Het door de huisarts van gedaagde</para>
      <para>verstrekte aantal Glucagon-injecties, te weten 30 stuks in de</para>
      <para>periode van 1997 tot en met 2000, geeft zeker geen aanleiding</para>
      <para>te veronderstellen dat er vaker zware hypoglycemieën optreden</para>
      <para>dan de Raad hiervoor heeft aangenomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts heeft gedaagde ter zitting van de Raad  medegedeeld dat</para>
      <para>er soms meerdere malen per week een lichte hypoglycemie</para>
      <para>optreedt, maar soms ook een aantal weken niet. Samenvattend</para>
      <para>heeft gedaagde ter zitting van de Raad aangegeven dat ervan</para>
      <para>uit kan worden gegaan dat er gemiddeld éénmaal per week een</para>
      <para>lichte hypoglycemie optreedt. Uit de verdere verklaringen van</para>
      <para>gedaagde maakt de Raad op dat zij deze soms voelt aankomen en</para>
      <para>dan suiker tot zich neemt en dat zij deze soms niet voelt</para>
      <para>aankomen waardoor een derde haar suiker moet toedienen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitgaande van de hiervoor aangegeven aard en frequentie van de</para>
      <para>optredende hypoglycemieën is de Raad van oordeel dat gedaagde</para>
      <para>met ingang van 1 augustus 1994 in staat moest worden geacht</para>
      <para>arbeid te verrichten die in overeenstemming is met haar</para>
      <para>belastbaarheid, zoals neergelegd in de verwoording</para>
      <para>belastbaarheid belanghebbende van 7 maart 1994. De Raad heeft</para>
      <para>bij zijn oordeelsvorming, naast het verhandelde ter zitting</para>
      <para>van de Raad, zwaarwegend belang gehecht aan de bevindingen en</para>
      <para>conclusies van de door de rechtbank geraadpleegde internist</para>
      <para>R.P.L.M. Hoogma, zoals weergegeven in zijn rapport van 21</para>
      <para>januari 1997. Deze deskundige heeft, na gedaagde te hebben</para>
      <para>onderzocht en informatie van haar behandelend artsen te hebben</para>
      <para>bestudeerd, medegedeeld dat naar zijn indruk en op grond van</para>
      <para>de informatie van de huisarts zeer weinig tot geen</para>
      <para>hypoglycemieën voor kwamen, en dat hij zich kan verenigen met</para>
      <para>de ten aanzien van gedaagde aangenomen medische beperkingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan dit oordeel doet niet af dat de internist Hoogma in zijn</para>
      <para>in hoger beroep uitgebrachte rapport van 31 mei 2000 in</para>
      <para>afwijking van zijn rapport van 21 januari 1997 heeft vermeld</para>
      <para>dat de belastbaarheid van gedaagde naar zijn oordeel is</para>
      <para>overschat, nu hij daarbij het uitdrukkelijke voorbehoud heeft</para>
      <para>gemaakt dat de door gedaagde en haar echtgenoot aan hem</para>
      <para>verschafte informatie met betrekking tot de aard en frequentie</para>
      <para>van de hypoglycemieën correct is. Uit hetgeen de Raad hiervoor</para>
      <para>heeft overwogen volgt dat moet worden geoordeeld dat de</para>
      <para>mededelingen van gedaagde en haar echtgenoot aan de internist</para>
      <para>Hoogma, dat de frequentie van de hypoglycemieën één- tot</para>
      <para>tweemaal per dag bedraagt en dat zij ongeveer één injectie</para>
      <para>Glucagon per week gebruikt, geen juiste weergave van de</para>
      <para>feitelijke situatie vormt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad overweegt vervolgens dat gedaagde, rekening houdend</para>
      <para>met de ten aanzien van haar vastgestelde medische beperkingen,</para>
      <para>in staat moest worden geacht de vier functies te vervullen die</para>
      <para>appellant uiteindelijk nog voor gedaagde geschikt heeft</para>
      <para>geacht, te weten schadebeoordelaar, kwekerijmedewerkster,</para>
      <para>medewerker opprijsruimte en medisch registratieassistente. Om</para>
      <para>dezelfde reden als hiervoor vermeld doet het in hoger beroep</para>
      <para>in zijn rapport van 31 mei 2000 gegeven oordeel van de</para>
      <para>internist Hoogma, dat het verrichten van deze functies voor</para>
      <para>gedaagde niet mogelijk was, aan dit oordeel van de Raad niet</para>
      <para>af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vervolgens is de vraag aan de orde of artikel 2, aanhef en sub</para>
      <para>e, van het Schattingsbesluit, zoals dit ten tijde in geding</para>
      <para>luidde, voor appellant een belemmering moest vormen om die</para>
      <para>vier functies aan het bestreden besluit ten grondslag te</para>
      <para>leggen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Teneinde die vraag te kunnen beantwoorden dient te worden</para>
      <para>beoordeeld of van een werkgever in redelijkheid kan worden</para>
      <para>gevergd gedaagde aan te nemen ondanks het bij gedaagde</para>
      <para>voorkomend ziekteverzuim en ondanks de omstandigheid dat</para>
      <para>collega's bij een onder werktijd optredende ernstige</para>
      <para>hypoglycemie hulp moeten bieden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de verklaringen van gedaagde ter zitting van de Raad maakt</para>
      <para>de Raad op dat wanneer een hypoglycemie plaats heeft waarbij</para>
      <para>gedaagde het bewustzijn verliest gedaagde zich uitgeput voelt</para>
      <para>en zeker vier uur moet rusten. Indien een dergelijke</para>
      <para>hypoglycemie op een werkdag optreedt en gedaagde zich ziek zou</para>
      <para>moeten melden betekent dit een verzuim van maximaal twee dagen</para>
      <para>per maand. Een dergelijk ziekteverzuim acht de Raad niet</para>
      <para>zodanig excessief dat moet worden geoordeeld dat van een</para>
      <para>werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd gedaagde in</para>
      <para>dienst te nemen. De Raad heeft daarbij mede in aanmerking</para>
      <para>genomen dat de werkzaamheden in de vier resterende functies</para>
      <para>niet persoonsgebonden zijn en niet dusdanig gecompliceerd zijn</para>
      <para>dat adequate vervanging niet te realiseren zal zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ook de omstandigheid dat collega's gedaagde enigszins in het</para>
      <para>oog dienen te houden en zonodig hulp moeten bieden leidt er</para>
      <para>naar het oordeel van de Raad niet toe dat een werkgever er</para>
      <para>redelijkerwijs van weerhouden mag worden gedaagde aan te</para>
      <para>nemen. De soort werkzaamheden die in de betreffende functies</para>
      <para>dienen te worden verricht maken het voor collega's niet</para>
      <para>onmogelijk gedaagde in het oog te houden. Voorts vermag de</para>
      <para>Raad niet in te zien dat, waar gedaagdes echtgenoot en haar</para>
      <para>kinderen voldoende geïnstrueerd konden worden om gedaagde de</para>
      <para>benodigde hulp te kunnen bieden, dit voor collega-werknemers</para>
      <para>niet mogelijk zou zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit al hetgeen de Raad hiervoor heeft overwogen volgt dat de</para>
      <para>Raad de in geding zijnde vraag bevestigend beantwoordt. Dit</para>
      <para>betekent dat het hoger beroep van appellant slaagt en dat de</para>
      <para>aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Het</para>
      <para>inleidende beroep van gedaagde dient alsnog ongegrond te</para>
      <para>worden verklaard.</para>
      <para>De Raad acht tot slot geen termen aanwezig voor toepassing van</para>
      <para>artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
    <para />
    <para>Verklaart het inleidende beroep alsnog ongegrond.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr H. van Leeuwen als voorzitter en</para>
      <para>mr W.D.M. Van Diepenbeek en mr T. Hoogenboom als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van mr J.W.P. van der Hoeven als griffier en</para>
      <para>uitgesproken in het openbaar op 13 december 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) H. van Leeuwen.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) J.W.P. van der Hoeven.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>AB</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>