<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9042</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-04T20:17:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB9042</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-12-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">00/4096 WVG</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=3:2&amp;g=2000-12-12">Algemene wet bestuursrecht 3:2</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0006169&amp;artikel=2&amp;g=2000-12-12">Wet voorzieningen gehandicapten 2</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0006169&amp;artikel=3&amp;g=2000-12-12">Wet voorzieningen gehandicapten 3</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2001/51</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9042">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9042</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:57:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-10-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9042 Centrale Raad van Beroep , 12-12-2000 / 00/4096 WVG</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9042:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9042:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>00/4096 WVG</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het college van burgemeester en wethouders van de</para>
      <para>gemeente Amsterdam, appellant,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>A., wonende te B.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij primair besluit van 10 mei 1999 heeft appellant aan</para>
      <para>gedaagde op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG)</para>
      <para>en de op die wet gebaseerde Verordening voorzieningen</para>
      <para>gehandicapten van de gemeente Amsterdam (hierna te noemen: de</para>
      <para>Verordening) een vervoersvoorziening toegekend in de vorm van</para>
      <para>een financiële tegemoetkoming van f 7.000,-- in de</para>
      <para>aanschafkosten van een eigen auto, alsmede een volledige</para>
      <para>vergoeding van de werkelijke kosten van aanpassing van zulk</para>
      <para>een auto aan de handicap van gedaagde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het bestreden besluit op bezwaar van 4 januari 2000 heeft</para>
      <para>appellant het bezwaar van gedaagde ongegrond verklaard en zijn</para>
      <para>in het primaire besluit neergelegde standpunt gehandhaafd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De President van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam</para>
      <para>heeft het beroep tegen dat besluit bij de aangevallen</para>
      <para>uitspraak van 7 juli 2000 gegrond verklaard, dat besluit</para>
      <para>vernietigd, bepaald dat appellant een nieuw besluit neemt met</para>
      <para>inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen en</para>
      <para>appellant veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde</para>
      <para>gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens gedaagde heeft mr H.C.S. van Deijk-Amzand, advocaat te</para>
      <para>Amsterdam, een verweerschrift met bijlagen ingezonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van</para>
      <para>14 november 2000. Voor appellant is daar verschenen</para>
      <para>mr J.T.M. de Haan, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.</para>
      <para>Gedaagde is daar in persoon verschenen, bijgestaan door</para>
      <para>mr Van Deijk-Amzand voornoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende</para>
      <para>tussen partijen niet bestreden feiten en omstandigheden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft appellant bij aanvraag van 14 december 1998</para>
      <para>verzocht haar in aanmerking te brengen voor een aangepaste</para>
      <para>bruikleenauto.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De adviseur van appellant, de Stichting Tot &amp; Met, heeft op 23</para>
      <para>maart 1999 advies uitgebracht. Uit het advies</para>
      <para>blijkt dat gedaagde 1.13 meter lang is als gevolg van een</para>
      <para>aangeboren orthopedische stoornis. Gedaagde heeft pijn in alle</para>
      <para>gewrichten en bewegingsbeperkingen in haar schouders, rug,</para>
      <para>heupen en knieën. De maximumloopafstand is ongeveer 30 meter.</para>
      <para>Vanwege haar lichamelijke conditie moet gedaagde ongeveer om</para>
      <para>het uur plassen. De lichamelijke conditie van gedaagde gaat</para>
      <para>geleidelijk achteruit zodat verdere aanpassing van de haar</para>
      <para>destijds op grond van artikel 57 (oud) van de Algemene</para>
      <para>Arbeidsongeschiktheidswet verstrekte bruikleenauto</para>
      <para>noodzakelijk is. Deze auto is echter te oud om verdere</para>
      <para>aanpassingen in aan te brengen. Aangezien andere</para>
      <para>vervoersvoorzieningen niet geschikt</para>
      <para>zijn, is een nieuwe individueel aangepaste (bruikleen)auto</para>
      <para>voor gedaagde geïndiceerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft bij het bestreden besluit geweigerd aan</para>
      <para>gedaagde een bruikleenauto te verstrekken. Deze weigering</para>
      <para>berust op het standpunt dat aanschaf van een eigen auto gezien</para>
      <para>het inkomen van gedaagde algemeen gebruikelijk is. Blijkens</para>
      <para>het Financieel besluit voorzieningen gehandicapten (verder: de</para>
      <para>Regeling) wordt een eigen auto algemeen gebruikelijk geacht</para>
      <para>wanneer het netto-inkomen hoger is dan 1,5 maal het</para>
      <para>norminkomen. Appellant heeft vastgesteld dat gedaagde een</para>
      <para>netto-inkomen van f 2.515,80 per maand heeft, hetwelk meer is</para>
      <para>dan 1,5 maal het voor haar geldende norminkomen van f 1.399,46</para>
      <para>per maand.</para>
      <para>Aangezien evenwel het inkomen van gedaagde tussen de 1,7 en</para>
      <para>2,0 maal het norminkomen is, heeft appellant onder toepassing</para>
      <para>van het gemeentelijk beleid ter zake van deze</para>
      <para>inkomenscategorie een tegemoetkoming van 25% in de</para>
      <para>aanschafkosten van een eigen auto toegekend. Daarbij is</para>
      <para>uitgegaan van een referentieauto van f 28.000,--. Appellant</para>
      <para>baseert zijn standpunt op het bepaalde in artikel 1.3 onder a</para>
      <para>van de Verordening en artikel 3.1, eerste en derde lid, van de</para>
      <para>Regeling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De president van de rechtbank heeft het beroep tegen het</para>
      <para>bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak gegrond</para>
      <para>verklaard en dit besluit vernietigd. Hij heeft daartoe het</para>
      <para>volgende overwogen:"In gevolge artikel 3 van de WVG biedt het</para>
      <para>gemeentebestuur verantwoorde voorzieningen aan. Onder</para>
      <para>verantwoorde voorzieningen wordt verstaan de voorzieningen die</para>
      <para>doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht worden verleend.</para>
      <para>Op grond van artikel 1.3, aanhef, en sub a van de Verordening</para>
      <para>wordt geen voorziening toegekend indien de voorziening voor</para>
      <para>een persoon als de aanvrager algemeen gebruikelijk is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 5.1 van de Verordening kunnen burgemeester</para>
      <para>en wethouders in bijzondere gevallen ten gunste van de</para>
      <para>gehandicapte afwijken van de bepalingen in deze verordening.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 3.1 van de Regeling luidt als volgt:</para>
      <para>1. De hoogte van het norminkomen waarboven een auto</para>
      <para>als 'algemeen gebruikelijk' kan worden beschouwd,</para>
      <para>bedraagt 1,5 maal het norminkomen.</para>
      <para>(...)</para>
      <para>3. Tussen 1,7 en 2 maal het norminkomen kan een</para>
      <para>financiële tegemoetkoming in de kosten van</para>
      <para>aanschaf van een auto worden verstrekt tot ten</para>
      <para>hoogste 25% van de kosten van de goedkoopst-adequate</para>
      <para>auto die in een dergelijke situatie in bruikleen</para>
      <para>wordt verstrekt.</para>
      <para>(...)</para>
      <para>6. Het normbedrag van de referentie-auto is</para>
      <para>vastgesteld op f 28.000,--.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekster heeft aangevoerd dat het bestreden besluit in</para>
      <para>strijd met de WVG, onder meer met artikel 3 van de WVG, is</para>
      <para>genomen. Het verstrekken van een financiële tegemoetkoming</para>
      <para>voor de aanschaf van een aangepaste auto is voor verzoekster</para>
      <para>geen adequate voorziening omdat zij vanwege de extra kosten</para>
      <para>die het gevolg zijn van haar handicap, niet over de financiële</para>
      <para>middelen beschikt om een aangepaste auto te kunnen</para>
      <para>aanschaffen, terwijl een bruikleenauto op medisch/ergonomische</para>
      <para>gronden voor haar het enige adequate vervoermiddel is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tevens heeft verzoekster aangevoerd dat, hoewel het hanteren</para>
      <para>van een inkomensgrens door verweerder gerechtvaardigd is,</para>
      <para>verweerder rekening had dienen te houden met de (extra) kosten</para>
      <para>van verzoekster die voortvloeien uit haar handicap.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep heeft in zijn uitspraak van 20</para>
      <para>augustus 1996 (JSV 1996/319) overwogen, dat in de WVG of de</para>
      <para>daarop berustende regeling geen beletselen zijn gelegen om bij</para>
      <para>gemeentelijke verordening één of meer inkomensgrenzen te</para>
      <para>stellen.</para>
      <para>Voorts heeft de Centrale Raad van Beroep in zijn uitspraak van</para>
      <para>1 juli 1997 (RSV 1997/250) geoordeeld dat een inkomensgrens</para>
      <para>van 1,5 maal het (met de definitie daarvan in de in casu</para>
      <para>toepasselijke verordening overeenkomende) norminkomen</para>
      <para>waarboven een forfaitaire financiële tegemoetkoming niet wordt</para>
      <para>gegeven, niet met het bij of krachtens de WVG bepaalde in</para>
      <para>strijd is. Hiertoe heeft de Centrale Raad van Beroep overwogen</para>
      <para>dat het aan de inkomensgrens ten grondslag liggende</para>
      <para>uitgangspunt dat een betrokkene met een inkomen van 1,5 maal</para>
      <para>het norminkomen in beginsel in staat geacht wordt de aan het</para>
      <para>rijden van een eigen auto verbonden kosten te dragen, ligt</para>
      <para>binnen de bij de artikelen 2 en 3 van de WVG aangegeven</para>
      <para>grenzen van de zorgplicht van het gemeentebestuur.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts blijkt uit vaste jurisprudentie van de Centrale Raad</para>
      <para>van Beroep (vgl. onder meer Centrale Raad van Beroep, 7</para>
      <para>november 1997, AB 1998/118) dat bij het toetsen van de</para>
      <para>aanspraak op een voorziening aan de inkomensgrens in het kader</para>
      <para>van de WVG, niet elke ruimte mag ontbreken om in bijzondere</para>
      <para>omstandigheden rekening te kunnen houden met de kosten als</para>
      <para>gevolg van de handicap. Dit is mogelijk door in het kader van</para>
      <para>de hardheidsclausule te beoordelen of sprake is van bijzondere</para>
      <para>omstandigheden waardoor van de inkomensgrens kan worden</para>
      <para>afgeweken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De president stelt vast dat de Regeling voorziet in een</para>
      <para>toekenning van een financiële tegemoetkoming in de kosten van</para>
      <para>een aanschaf van een eigen auto voor personen met een inkomen</para>
      <para>dat ligt tussen de 1,5 en 2,0 maal het norminkomen. De</para>
      <para>Regeling voldoet daarmee aan evengenoemde jurisprudentiële</para>
      <para>eisen. Voorts voorziet de Verordening, gelet op het bepaalde</para>
      <para>in artikel 5.1 van de Verordening, in een hardheidsclausule,</para>
      <para>zodat verweerder de ruimte heeft om, indien sprake is van</para>
      <para>bijzondere omstandigheden, rekening te houden met de kosten</para>
      <para>die verzoekster heeft als gevolg van haar handicap. Gelet</para>
      <para>hierop is de president van oordeel dat het gemeentebestuur van</para>
      <para>Amsterdam met de Verordening en de Regeling, voorzover hier</para>
      <para>aan de orde, in zijn algemeenheid voldoet aan zijn zorgplicht</para>
      <para>als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de WVG. De president</para>
      <para>komt thans toe aan de vraag of binnen dit kader de</para>
      <para>besluitvorming jegens eiseres in concreto rechtmatig is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tussen partijen is niet in geschil dat het inkomen van</para>
      <para>verzoekster ten tijde van het bestreden besluit tussen de 1,7</para>
      <para>en 2,0 maal van het voor haar geldende norminkomen lag en</para>
      <para>verweerder op grond van het bepaalde in artikel 1.3 van de</para>
      <para>Verordening en artikel 3.1, derde lid van de Regeling, in</para>
      <para>beginsel terecht geoordeeld dat verzoekster in aanmerking kwam</para>
      <para>voor een vergoeding van 25% van de kosten van de</para>
      <para>referentie-auto, namelijk een bedrag van f 7.000,-- en tevens</para>
      <para>in aanmerking kwam voor vergoeding van de noodzakelijke</para>
      <para>meerkosten van de auto, voor zover deze kosten boven de</para>
      <para>f 28.000,-- uitkomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(...)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tot slot dient te worden beoordeeld of verweerder in</para>
      <para>redelijkheid heeft geoordeeld dat er geen bijzondere</para>
      <para>omstandigheden waren op grond waarvan verzoekster op grond van</para>
      <para>artikel 5.1, eerste lid, van de Verordening (de</para>
      <para>hardheidsclausule) recht heeft op toekenning van een</para>
      <para>bruikleenauto dan wel aanspraak heeft op een hogere</para>
      <para>vergoeding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekster heeft aangevoerd dat verweerder bij de beoordeling</para>
      <para>van de aanvraag zich ten onrechte heeft beperkt tot het</para>
      <para>inkomen van verzoekster. Verweerder had een</para>
      <para>draagkrachtberekening moeten opstellen, waarbij met alle</para>
      <para>financiële omstandigheden van verzoekster rekening wordt</para>
      <para>gehouden. Verweerder heeft dit nagelaten. Verzoekster heeft</para>
      <para>naar de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep verwezen,</para>
      <para>waaruit blijkt dat bij de toetsing van het inkomen in het</para>
      <para>kader van de WVG niet elke ruimte mag ontbreken om in</para>
      <para>bijzondere omstandigheden met kosten voortvloeiende uit de</para>
      <para>handicap rekening te houden. Voorts blijkt niet uit het</para>
      <para>bestreden besluit dat verweerder een bijzondere</para>
      <para>belangenafweging heeft gemaakt bij toepassing van de</para>
      <para>hardheidsclausule, aldus verzoekster.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft in het bestreden besluit geoordeeld dat hem</para>
      <para>niet van zodanige bijzondere omstandigheden is gebleken dat,</para>
      <para>vanwege de hogere uitgaven die samenhangen met de handicap van</para>
      <para>verzoekster, op grond van de hardheidsclausule van de</para>
      <para>bepalingen in de Verordening dient te worden afgeweken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De president oordeelt als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op hetgeen de Centrale Raad van Beroep (zie voornoemde</para>
      <para>uitspraak in AB 1998/118) heeft overwogen met betrekking tot</para>
      <para>het meewegen van de kosten</para>
      <para>voortvloeiende uit de handicap bij het toetsen van de</para>
      <para>aanspraak op een vervoersvoorziening aan een inkomensgrens,</para>
      <para>dient bij de beoordeling in het kader van de hardheidsclausule</para>
      <para>te worden bezien of voldoende aannemelijk is dat de</para>
      <para>gehandicapte in staat kan worden geacht tot het bekostigen van</para>
      <para>het vervoer waarop de Verordening en de Regeling het oog</para>
      <para>heeft. Dit laatste is beperkt tot het in aanvaardbare mate</para>
      <para>deelnemen aan het leven van alledag en het onderhouden van</para>
      <para>sociale contacten in de directe woonomgeving.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hierbij rust aan de zijde van verzoekster de bewijslast om</para>
      <para>aannemelijk te maken dat in haar geval sprake is van</para>
      <para>bijzondere omstandigheden en dat zij door de kosten die</para>
      <para>verbonden zijn met haar handicap niet in staat is om zelf een</para>
      <para>auto te bekostigen, dan wel in het verleden niet in staat was</para>
      <para>om hiervoor tijdig financiële reserveringen te treffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekster heeft aangevoerd dat zij niet in staat is de</para>
      <para>aanschaf van een eigen auto, met inachtneming van de aan haar</para>
      <para>toegekende tegemoetkoming van</para>
      <para>f 7.000,-- te bekostigen, aangezien haar maandelijkse inkomen</para>
      <para>hiervoor geen ruimte biedt. Haar maandelijkse lasten bestaan</para>
      <para>uit huur, energiekosten, aflossing en rente van een lening,</para>
      <para>kosten aanpassing van haar kleding, kosten medicijnen,</para>
      <para>ziekenfonds, huishoudelijke hulp, kosten speciaal schoeisel,</para>
      <para>inboedelverzekering, begrafenisverzekering, telefoon en de</para>
      <para>kosten voor de ANWB en andere abonnementen, aldus verzoekster.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De president is van oordeel dat verzoekster aannemelijk heeft</para>
      <para>gemaakt dat een substantieel deel van haar maandelijkse</para>
      <para>uitgaven bestaan uit vaste lasten (o.a. de huur en</para>
      <para>energiekosten) en kosten die voortvloeien uit haar handicap</para>
      <para>(o.a. kosten medicijnen, speciaal schoeisel en aangepaste</para>
      <para>kleding). Voorts kan niet gezegd worden dat de overige</para>
      <para>uitgaven van verzoekster bovenmatig zijn of een luxe karakter</para>
      <para>hebben.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verder staat in dit geding vast - gelet op het advies van Tot</para>
      <para>&amp; Met - dat verzoekster niet in staat is om gebruik te maken</para>
      <para>van het openbaar vervoer, een taxi, de Stadsmobiel of een</para>
      <para>rolstoeltaxi. Verzoekster is ook niet in staat om gebruik te</para>
      <para>maken van een rolstoeltaxi. Een gesloten buitenwagen is</para>
      <para>evenmin geschikt voor het dagelijk zelfstandig gebruik door</para>
      <para>verzoekster. Derhalve vormt de individuele aangepaste auto</para>
      <para>voor verzoekster de enige adequate vervoersvoorziening om</para>
      <para>zichzelf buitenshuis te kunnen verplaatsen, hetgeen door</para>
      <para>verweerder ook niet wordt betwist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het inkomen van verzoekster en het feit dat de</para>
      <para>individuele aangepaste auto voor verzoekster de enige adequate</para>
      <para>vervoersvoorziening is, is de president van oordeel dat</para>
      <para>verweerder bij de beoordeling van de vraag of aanleiding is</para>
      <para>toepassing te geven aan de hardheidsclausule, op zeer</para>
      <para>zorgvuldige wijze dient te bezien of verzoekster met de aan</para>
      <para>haar toegekende tegemoetkoming van f 7.000,-- en de toegekende</para>
      <para>vergoeding van de noodzakelijke meerkosten van de auto, voor</para>
      <para>zover deze kosten boven de f 28.000,-- uitkomen, in staat is</para>
      <para>om in aanvaardbare mate deel te nemen aan het leven van</para>
      <para>alledag en sociale contacten in de directe woonomgeving te</para>
      <para>onderhouden. Dit betekent dat verweerder dient te beoordelen</para>
      <para>of verzoekster, gelet op haar inkomen en de kosten die het</para>
      <para>gevolg zijn van haar handicap, in staat is om de</para>
      <para>goedkoopst-adequate auto te bekostigen, dan wel in staat was</para>
      <para>om voor de aanschaf van een dergelijke auto financiële</para>
      <para>reserveringen te treffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu uit het bestreden besluit niet blijkt dat verweerder een</para>
      <para>dergelijke beoordeling heeft verricht, is het bestreden</para>
      <para>besluit op onzorgvuldige wijze voorbereid en daarmee genomen</para>
      <para>in strijd met artikel 3:2 van de Awb, en tevens ondeugdelijk</para>
      <para>gemotiveerd en daarmee in strijd met artikel 7:12, eerste lid,</para>
      <para>van de Awb.</para>
      <para>(...)</para>
      <para>Verweerder zal een nieuwe beslissing op bezwaar dienen te</para>
      <para>nemen en bij de voorbereiding daarvan alsnog naar genoemde</para>
      <para>aspecten een zorgvuldig onderzoek dienen te verrichten.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de</para>
      <para>aangevallen uitspraak het karakter van de</para>
      <para>hardheidsbepaling miskent. Hij stelt zich op het</para>
      <para>standpunt dat niet behoeft te worden bezien of gedaagde</para>
      <para>in staat was, gelet op haar inkomen en de met de handicap</para>
      <para>samenhangende kosten, om de goedkoopst-adequate auto te</para>
      <para>bekostigen dan wel in staat was om hiervoor te</para>
      <para>reserveren, doch dat hij veeleer diende te beoordelen of</para>
      <para>in casu van zodanige bijzondere omstandigheden sprake is</para>
      <para>dat, vanwege de hogere uitgaven in verband met de</para>
      <para>handicap van gedaagde, op voet van artikel 5.1, eerste</para>
      <para>lid, van de Verordening, van de (overige) bepalingen van</para>
      <para>die verordening dient te worden afgeweken. De</para>
      <para>overwegingen van de rechtbank dwingen naar het oordeel</para>
      <para>van appellant tot een te gedetailleerd onderzoek naar de</para>
      <para>diverse kosten bij de vaststelling van het inkomen,</para>
      <para>terwijl bij de totstandkoming de Verordening expliciet is</para>
      <para>gekozen om dit achterwege te laten. Appellant is van</para>
      <para>mening dat op juiste wijze uitvoering is gegeven aan de</para>
      <para>hardheidsbepaling door in het bestreden besluit te</para>
      <para>overwegen dat de hogere uitgaven, die samenhangen met de</para>
      <para>handicap, niet zodanig bijzonder zijn, dat ten gunste van</para>
      <para>gedaagde van de Verordening dient te worden afgeweken. De</para>
      <para>aard van die kosten en de hoogte ervan brengen gedaagde,</para>
      <para>gelet op haar inkomen, naar het oordeel van appellant</para>
      <para>niet in bijzondere omstandigheden die noodzaken</para>
      <para>toepassing te geven aan de hardheidsbepaling. Appellant</para>
      <para>stelt voorts dat de (president van de) rechtbank de</para>
      <para>toepassing van de hardheidsbepaling slechts marginaal mag</para>
      <para>toetsen aan de norm of gebleken is van dermate grove</para>
      <para>onzorgvuldigheden dat het bestuursorgaan in redelijkheid</para>
      <para>niet tot zijn besluit heeft kunnen komen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft gepersisteerd bij haar in eerste aanleg</para>
      <para>met betrekking tot haar draagkracht ingenomen standpunt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad oordeelt als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zoals de Raad onder meer heeft overwogen in zijn</para>
      <para>uitspraak van 1 juli 1997, gepubliceerd in RSV 1997/249,</para>
      <para>mag bij het toetsen van het inkomen van een gehandicapte</para>
      <para>aan een inkomensgrens niet elke ruimte ontbreken om in</para>
      <para>bijzondere omstandigheden rekening te houden met als</para>
      <para>gevolg van de handicap op het besteedbare inkomen</para>
      <para>drukkende kosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet hierop is de Raad van oordeel dat appellant in het</para>
      <para>onderhavige geval, waarin door gedaagde in bezwaar</para>
      <para>concreet onderbouwd is gesteld dat zij als gevolg van</para>
      <para>door haar betaalde kosten wegens haar handicap niet in</para>
      <para>staat is de voor haar noodzakelijke goedkoopst adequate</para>
      <para>auto te bekostigen, een onjuiste maatstaf heeft aangelegd</para>
      <para>door te verlangen dat de gestelde op het besteedbare</para>
      <para>inkomen drukkende kosten die het gevolg zijn van de</para>
      <para>handicap naar aard of omvang bijzonder dienen te zijn. In</para>
      <para>bovengenoemde uitspraak ligt besloten dat appellant in</para>
      <para>een situatie als de onderhavige als reactie op de</para>
      <para>onderbouwde stelling van gedaagde onderzoek dient te doen</para>
      <para>naar de omvang van de daadwerkelijk gemaakte</para>
      <para>noodzakelijke kosten van de handicap die op het</para>
      <para>besteedbare inkomen van gedaagde drukken en of zij</para>
      <para>daardoor in een bijzondere situatie komt te verkeren die</para>
      <para>noodzaakt (in enigerlei mate) van het bepaalde bij of</para>
      <para>krachtens de Verordening af te wijken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad is van oordeel dat de president van de rechtbank</para>
      <para>terecht heeft geoordeeld dat appellant door in het</para>
      <para>onderhavige geval naar die feiten en omstandigheden geen</para>
      <para>gericht onderzoek te doen in strijd heeft gehandeld met</para>
      <para>het bepaalde in artikel 3:2 van de Algemene wet</para>
      <para>bestuursrecht (Awb). Aan een inhoudelijke beoordeling van</para>
      <para>de vraag of in casu sprake is van een bijzonder geval dat</para>
      <para>dwingt om van het bepaalde bij of krachtens de</para>
      <para>Verordening af te wijken is de president in de</para>
      <para>aangevallen uitspraak niet toegekomen, zodat de grief van</para>
      <para>appellant dat hij bij zijn toetsing onvoldoende</para>
      <para>terughoudendheid heeft betracht, niet slaagt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad voegt aan het vorenstaande toe dat tussen</para>
      <para>partijen vaststaat dat gedaagde maximaal 30 meter kan</para>
      <para>lopen en dat zij als gevolg van die uiterst beperkte</para>
      <para>mobiliteit voor vrijwel elke verplaatsing in de directe</para>
      <para>woonomgeving uitsluitend aangewezen is op een aangepaste</para>
      <para>auto. Gelet hierop zal, mede gelet op 's Raads</para>
      <para>jurisprudentie met betrekking tot gevallen van uiterst</para>
      <para>beperkte mobiliteit (o.m. CRvB, 21 januari 1997, USZ</para>
      <para>97/53), bij het onderzoek naar de vraag of zich een</para>
      <para>bijzondere omstandigheid voordoet mede moeten worden</para>
      <para>betrokken dat gedaagde in feite ook voor nagenoeg alle</para>
      <para>verplaatsingen buitenshuis over een afstand tot enkele</para>
      <para>honderden meters uitsluitend aangewezen is op vervoer per</para>
      <para>aangepaste auto en dat daardoor ten opzichte van niet</para>
      <para>gehandicapte personen extra kosten tengevolge van de</para>
      <para>handicap gemaakt moeten worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vorenstaande leidt ertoe dat het hoger beroep niet</para>
      <para>slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden</para>
      <para>bevestigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht termen aanwezig om appellant onder</para>
      <para>toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen tot</para>
      <para>vergoeding van de kosten van rechtsbijstand die gedaagde</para>
      <para>in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft</para>
      <para>gemaakt. Deze kosten worden begroot op f 1.420,--.</para>
      <para>Andere kosten zijn niet gevorderd en evenmin gebleken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het vorenstaande alsmede op het bepaalde in</para>
      <para>artikel 22, derde lid, van de Beroepswet, stelt de Raad</para>
      <para>ten slotte vast dat van appellant een recht van</para>
      <para>f 675,-- dient te worden geheven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Beslist wordt als volgt.</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in</para>
      <para>hoger beroep tot een bedrag groot f 1.420,--;</para>
      <para>Verstaat dat van appellant een recht van f 675,-- wordt</para>
      <para>geheven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr M.I. 't Hooft als voorzitter en</para>
      <para>mr J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr R.M. van Male als</para>
      <para>leden, in tegenwoordigheid van mr E.W.F. Menkveld-Botenga</para>
      <para>als griffier, en uitgesproken in het openbaar op</para>
      <para>12 december 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) M.I. 't Hooft.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>JdB</para>
      <para>1812</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>