<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9041</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T21:44:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB9041</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AL1221</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-12-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">98/7830 Algem, 98/7911 Algem</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002126&amp;artikel=5&amp;g=2000-12-07">Coördinatiewet Sociale Verzekering 5</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002126&amp;artikel=10&amp;g=2000-12-07">Coördinatiewet Sociale Verzekering 10</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002126&amp;artikel=12&amp;g=2000-12-07">Coördinatiewet Sociale Verzekering 12</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 2001/84 met annotatie van H.A. Demeersseman</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2001/36 met annotatie van Redactie</rdf:li>
          <rdf:li>JB 2001/18 met annotatie van mr. C.L.G.F.H. Albers</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9041">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9041</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:57:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-10-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9041 Centrale Raad van Beroep , 07-12-2000 / 98/7830 Algem, 98/7911 Algem</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9041:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9041:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>98/7830 ALGEM</para>
      <para>98/7911 ALGEM</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in de gedingen tussen:</para>
    <para />
    <para>X B.V., gevestigd te Y (hierna: X),</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen (hierna: het Lisv).</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 17 juni 1998 heeft het Lisv ongegrond verklaard de bezwaren van X tegen de</para>
      <para>besluiten van 17 maart 1998, inhoudende correctienota's over de jaren 1994 tot en met 1996,</para>
      <para>en de besluiten van 24 maart 1998, inhoudende de registratie van een tweede verzuim, alsmede</para>
      <para>boetenota's over de jaren 1994 tot en met 1996.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De president van de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch heeft onder toepassing van</para>
      <para>artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij uitspraak van 23 september 1998:</para>
      <para>- het namens X tegen dat besluit ingestelde beroep, voorzover betrekking hebbende op de</para>
      <para>gehandhaafde correctienota's, ongegrond verklaard;</para>
      <para>- het beroep,voorzover betrekking hebbende op de gehandhaafde boetenota's, gegrond verklaard;</para>
      <para>- het besluit in zoverre vernietigd;</para>
      <para>- het bezwaar van X tegen de boetenota's van 24 maart 1998 gegrond verklaard;</para>
      <para>- deze nota's vernietigd;</para>
      <para>- de boete over de jaren 1994 tot en met 1996 vastgesteld op een bedrag van in totaal f 5.000,--;</para>
      <para>- het Lisv veroordeeld in proceskosten van X;</para>
      <para>- gelast dat het Lisv het door X gestorte griffierecht vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>X is bij gemachtigde drs J.J.W. Budding, belastingadviseur te 's-Hertogenbosch, op bij</para>
      <para>aanvullend beroepschrift (met bijlagen) van 7 november 1998 aangevoerde gronden van die</para>
      <para>uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Lisv is van deze uitspraak op bij aanvullend beroepschrift van 9 april 1999 aangevoerde</para>
      <para>gronden bij de Raad in hoger beroep gekomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen hebben bij brieven van 20 mei 1999, onderscheidenlijk 22 april 1999</para>
      <para>verweerschriften ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 14 september 2000, waar voor</para>
      <para>X is verschenen drs Budding, voornoemd, en waar voor het Lisv - daartoe ambtshalve</para>
      <para>opgeroepen - is verschenen mr M.M. Staalenhoef, werkzaam bij Gak Nederland B.V.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor X is werkzaam A (hierna: A). Onbetwist is dat hij tot 1 januari 1994 zijn werkzaamheden</para>
      <para>verrichtte in een privaatrechtelijke dienstbetrekking tot X. Directeur van X is B (hierna: B).</para>
      <para>Hij is enig aandeelhouder van B B.V., welke vennootschap enig aandeelhouder is van X. Vanaf</para>
      <para>1 januari 1994 worden de betalingen van de door A verrichte werkzaamheden gedaan aan de door</para>
      <para>hem opgerichte vennootschap C B.V. Hieraan lag ten grondslag de intentie van B en A om verder</para>
      <para>samen te werken in maatschapverband. Vanaf 1 januari 1994 zijn op de betalingen aan C B.V. geen</para>
      <para>premies als voorzien in de sociale werknemersverzekeringswetten door X afgedragen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar aanleiding van een op 7 november 1997 uitgevoerde looncontrole heeft het Lisv zich op het</para>
      <para>standpunt gesteld dat A ook in de jaren 1994 tot en met 1996 in privaatrechtelijke</para>
      <para>dienstbetrekking tot X werkzaam is geweest en deswege ten onrechte geen premies zijn afgedragen.</para>
      <para>De bij het bestreden besluit gehandhaafde correctienota's hebben hierop betrekking.</para>
      <para>Voorts heeft het Lisv X over deze jaren boetenota's doen toekomen tot een bedrag van in totaal</para>
      <para>f 13.233,--. Daarbij heeft het Lisv in aanmerking genomen dat er sprake is van opzet of grove</para>
      <para>schuld, alsmede dat er sprake is van een tweede verzuim.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot de gehandhaafde correctienota's heeft de president van de rechtbank bij de</para>
      <para>aangevallen uitspraak het volgende overwogen:</para>
      <para>"Uit de gedingstukken is naar voren gekomen dat in de werkzaamheden die A verrichtte toen hij</para>
      <para>nog in dienst was van X geen verandering is gekomen na 1 januari 1994. Verzoeker is persoonlijk</para>
      <para>de commerciële activiteiten van de onderneming blijven verrichten. Naar de president heeft</para>
      <para>begrepen drijft de onderneming voor een groot deel op de arbeidsinzet van A en is in ieder geval</para>
      <para>de arbeidsinzet van A van essentieel belang voor de continuïteit van de onderneming. De</para>
      <para>president is van oordeel dat aangenomen dient te worden dat ook de relatie nadien tussen</para>
      <para>C B.V. en X B.V. gericht moet zijn geweest op de persoonlijke inzet van A.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts kan niet voorbijgegaan worden aan het feit dat aan C B.V. betalingen voor de door A ten</para>
      <para>behoeve van X B.V. verrichte arbeid zijn gedaan. Het feit dat deze betalingen in de boekhouding</para>
      <para>zijn vermeld als management-fee duidt er ook op dat deze betalingen gezien moeten worden als</para>
      <para>vergoeding voor de geleverde arbeidsprestatie. Het feit dat deze betalingen onregelmatig hebben</para>
      <para>plaatsgevonden kan hier niet aan af doen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van de vereiste gezagsverhouding overweegt de president als volgt. Uit de</para>
      <para>gedingstukken is naar voren gekomen de de heer B directeur-grootaandeelhouder is van de</para>
      <para>onderneming X B.V. Formeel gezien was de invloed van A, die geen aandeelhouder van X B.V. is,</para>
      <para>beperkt. Het is naar oordeel van de president moeilijk voorstelbaar dat in deze constellatie,</para>
      <para>waar het essentiële werkzaamheden van de onderneming betrof, X B.V. geen invloed zou kunnen</para>
      <para>uitoefenen op A (C B.V.). Een gezagsverhouding was derhalve aanwezig.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De president komt gelet op al het vorenstaande tot de conclusie dat aan de drie bovengenoemde</para>
      <para>vereisten is voldaan en dat voor A van een verzekeringsplichtige arbeidsverhouding sprake is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De stelling van de gemachtigde van verzoeker dat betrokkenen altijd de intentie hebben gehad om</para>
      <para>in een maatschapsvorm te werken en dat naar subjectieve bedoeling van partijen gekeken moet</para>
      <para>worden kan in het voorgaande geen verandering brengen. De president overweegt dat niet de</para>
      <para>subjectieve bedoeling van partijen maar de feitelijke situatie doorslaggevend is. In dit</para>
      <para>verband overweegt de president dat tot de formele vastlegging van de verhoudingen in een</para>
      <para>maatschapsovereenkomst in 1997, op geen enkele wijze aan de hand van uiterlijk waarneembare</para>
      <para>feiten en omstandigheden is gebleken dat er sprake was van een maatschap.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot de bij het bestreden besluit gehandhaafde boetenota's heeft de president na</para>
      <para>te hebben vastgesteld dat er inderdaad sprake is van een tweede verzuim (in 1993 is een</para>
      <para>verzuim geregistreerd ter zake van het niet tijdig inzenden van de jaaropgave), en dat moet</para>
      <para>worden aangenomen dat er sprake is van opzet dan wel grove schuld, het volgende overwogen:</para>
      <para>"Blijkens de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep dient echter op verhogingen als</para>
      <para>de onderhavige het evenredigheidsbeginsel te worden toegepast.</para>
      <para>Toepassing van dit beginsel dient naar oordeel van de president in casu te leiden tot een</para>
      <para>(verdere) matiging van de verhoging.</para>
      <para>De president neemt hierbij in aanmerking dat hij op grond van de aanwezige gedingstukken en</para>
      <para>het verhandelde ter zitting niet de overtuiging heeft gekregen dat bij de betrokkenen kwaad</para>
      <para>opzet aanwezig is geweest om door middel van frauduleus handelen aan het betalen van premies</para>
      <para>te ontkomen. Eender heeft de president de indruk gekregen dat betrokkenen lichtvaardig</para>
      <para>hebben gemeend dat zij op grond van de door hen gekozen juridische contructie gevrijwaard</para>
      <para>zouden zijn van premiebetaling. Daarnaast heeft de president geen reden te twijfelen aan de</para>
      <para>stelling van verzoeker dat de betaling van de achterstallige premies op zich al aanzienlijke</para>
      <para>problemen voor het bedrijf zal opleveren. Onder deze omstandigheden en hierbij tevens in</para>
      <para>aanmerking genomen hebbend dat het eerste verzuim van een geheel andere orde was dan het</para>
      <para>onderhavige, acht de president het aangewezen de opgelegde verhoging te matigen tot</para>
      <para>een bedrag van f 5.000,--.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In hoger beroep is X zich op het standpunt blijven stellen dat er in de betrokken jaren sprake</para>
      <para>was van een samenwerking in maatschapsverband. Naar haar mening heeft de president ten onrechte</para>
      <para>het bestaan van de maatschap genegeerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Lisv is in hoger beroep gekomen omdat hij zich niet kan verenigen met de door de president</para>
      <para>toegepaste matiging van de opgelegde boetes. Daarbij heeft het Lisv erop gewezen dat de</para>
      <para>correcties ter zake van de betalingen over de betrokken jaren respectievelijk 33%, 51,4% en</para>
      <para>72,2% van het totaal van het over die jaren te verantwoorden premieloon bedragen. Nu het hier</para>
      <para>in verhouding om omvangrijke correcties gaat en tevens om een tweede verzuim, alsmede opzet of</para>
      <para>grove schuld, ziet het Lisv geen grond voor een matiging van de boetes als door de</para>
      <para>president is geschied. Daarbij heeft het Lisv erop gewezen dat hij voor het premiejaar 1994 de</para>
      <para>boete heeft vastgesteld op 40% van de verschuldigde premies.</para>
      <para>Alleen voor de jaren 1995 en 1996 is de boete bepaald op 50% van het bedrag aan deze premies.</para>
      <para>De vastgestelde boete van in totaal f 13.233,-- acht het Lisv gelet op de feiten en</para>
      <para>omstandigheden evenredig aan de ernst en verwijtbaarheid van het gesanctioneerde handelen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Naar aanleiding van het door partijen gestelde overweegt de Raad als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In een geval als het onderwerpelijke waarin een persoon die tot een bepaalde datum onmiskenbaar</para>
      <para>werkzaam was in een privaatrechtelijke dienstbetrekking, na die datum voor hetzelfde bedrijf of</para>
      <para>instelling werkzaamheden is blijven verrichten, kan slechts dan worden aanvaard dat na die datum</para>
      <para>niet langer sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, indien ondubbelzinnig blijkt</para>
      <para>dat na die datum aan één of meer vereisten voor het aannemen van zodanige dienstbetrekking niet</para>
      <para>meer wordt voldaan. Naar het oordeel van de Raad is daarvan in dit geval geen sprake. De</para>
      <para>oprichting van C B.V., noch de intentie om in het vervolg in maatschapverband samen te werken</para>
      <para>betekent niet dat de arbeidsrelatie tussen X en A na 1 januari 1994, althans in de jaren 1994</para>
      <para>tot en met 1996 in essentie is gewijzigd. Nu de Raad zich ook overigens aansluit bij hetgeen de</para>
      <para>president van de rechtbank omtrent deze arbeidsrelatie bij de aangevallen uitspraak heeft</para>
      <para>overwogen, moet worden geconcludeerd dat het hoger beroep van X faalt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot de opgelegde boeten overweegt de Raad allereerst dat hij met de president van</para>
      <para>oordeel is dat er sprake is van opzet en grove schuld als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van</para>
      <para>het besluit Administratieve Boeten Coördinatiewet. X behoorde te weten dat zij loonopgave moest</para>
      <para>doen. Voorzover zij twijfelde had het in de gegeven omstandigheden op haar weg gelegen om zich</para>
      <para>tot het Lisv te wenden met een verzoek om haar arbeidsrelatie met A per 1 januari 1994 te beoordelen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad overweegt voorts dat hij het Lisv volgt in zoverre een matiging tot f 5.000,-- onvoldoende</para>
      <para>recht doet aan de ernst en de verwijtbaarheid van het achterwege laten van een loonopgave</para>
      <para>over de aan A verrichte betalingen. Daarmee is evenwel niet gegeven dat de opgelegde boeten tot</para>
      <para>een bedrag van in totaal f 13.233,-- in overeenstemming moet worden geacht met de evenredigheid.</para>
      <para>Blijkens zijn Besluit toepassing administratieve boeten Coördinatiewet Sociale Verzekering van</para>
      <para>24 juni 1998, Stcrt 123, voert het Lisv thans een beleid waarbij van een tweede verzuim pas</para>
      <para>sprake is indien het eerste verzuim een zelfde soort gedraging of nalaten betrof. In het besluit</para>
      <para>worden drie verzuimtypen onderscheiden, waaronder het niet tijdig indienen van de jaaropgave en</para>
      <para>het onjuist doen van loonopgaven.</para>
      <para>Gelet hierop acht de Raad geen beletsel aanwezig om voor de vraag of de door het Lisv aan X</para>
      <para>opgelegde boeten naar de maatstaf van evenredigheid in rechte stand kunnen houden aan te</para>
      <para>sluiten bij de in voormeld besluit neergelegde regeling. Dit betekent dat de Raad van oordeel is</para>
      <para>dat met een boete van 25% van de opgelegde premies, zijnde in totaal een bedrag van f 6.896,--,</para>
      <para>in voldoende mate recht wordt gedaan aan de ernst en de verwijtbaarheid van de door het Lisv</para>
      <para>gewraakte nalaten van de kant van X.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt, in</para>
      <para>zoverre daarbij onder toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de boeten zijn bepaald</para>
      <para>op een totaalbedrag van f 5.000,--. De Raad zal onder toepassing van deze wetsbepaling de boeten</para>
      <para>bepalen op voormeld bedrag van f 6.896,--. Voor het overige dient de aangevallen uitspraak te</para>
      <para>worden bevestigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in</para>
      <para>artikel 8:75 van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover daarbij de boeten over de jaren 1994 tot en met</para>
      <para>1996 zijn vastgesteld op een bedrag van in totaal f 5.000,--;</para>
      <para>Stelt deze boeten vast op een bedrag van in totaal f 6896,--;</para>
      <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr B.J. van der Net als voorzitter en mr R.C. Schoemaker en mr G. van der Wiel</para>
      <para>als leden, in tegenwoordigheid van mr L.H. Vogt als griffier, en uitgesproken</para>
      <para>in het openbaar op 7 december 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) B.J. van der Net.</para>
    <para />
    <para>(get.) L.H. Vogt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>JdB</para>
      <para>0412</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>