<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9038</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T04:14:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB9038</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-11-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">98/6484 WW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0004045&amp;artikel=17&amp;g=2000-11-01">Werkloosheidswet 17</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 2001, 28</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2001/5</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9038">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9038</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:57:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2007-10-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9038 Centrale Raad van Beroep , 01-11-2000 / 98/6484 WW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9038:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Referteperiode en detentie. Gelijkstelling met gewerkte dagen. Betekenis van doorbetaling van</para>
        <para> ondergeschikte loonelementen.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9038:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>98/6484 WW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A, wonende te B, appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking</para>
      <para>getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het</para>
      <para>Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.</para>
      <para>In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor</para>
      <para>het Vervoer. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze</para>
      <para>bedrijfsvereniging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant heeft mr R.J. Hamerslag, advocaat te Amsterdam, op daartoe bij</para>
      <para>aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de</para>
      <para>Arrondissementsrechtbank te Amsterdam onder dagtekening 19 maart 1998 tussen partijen</para>
      <para>gewezen uitspraak (de aangevallen uitspraak), inhoudende ongegrondverklaring van het beroep</para>
      <para>tegen gedaagdes op bezwaar gegeven besluit van 22 november 1995 (het bestreden besluit).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 20 september 2000, waar namens</para>
      <para>appellant is verschenen mr I.J.M. Oomen, kantoorgenote van mr Hamerslag, voornoemd,</para>
      <para>terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr E. van Hilten, werkzaam bij</para>
      <para>Gak Nederland bv.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld</para>
      <para>aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die</para>
      <para>luidden ten tijde als hier van belang.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor een meer uitvoerige beschrijving van de voor dit geding van belang zijnde</para>
      <para>omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met</para>
      <para>de volgende samenvatting.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant is op 15 juli 1995 werkloos geworden nadat zijn dienstbetrekking met de X N.V.</para>
      <para>(X) door de kantonrechter te Amsterdam wegens gewichtige redenen was ontbonden. Bij het</para>
      <para>bestreden besluit heeft gedaagde vastgehouden aan zijn besluit om appellant niet voor</para>
      <para>uitkering ingevolge de WW in aanmerking te brengen, overwegende dat appellant niet</para>
      <para>voldoet aan de voor het recht op uitkering geldende referte-eis, nu er in de 39 weken</para>
      <para>onmiddellijk voorafgaand aan zijn werkloosheid minder dan 26 weken zijn, welke als</para>
      <para>gewerkte of daarmee gelijk te stellen weken in aanmerking kunnen worden genomen. Gedaagde</para>
      <para>heeft in verband daarmee geconstateerd dat appellant in de periode van 8 juli 1994 tot 23</para>
      <para>januari 1995 gedetineerd is geweest en dat in die periode aan hem geen loon is</para>
      <para>doorbetaald, op grond waarvan gedaagde geen sprake acht van in de referteperiode gelegen</para>
      <para>weken, welke zijn te beschouwen als "weken, waarvoor de werknemer zonder te werken loon</para>
      <para>heeft ontvangen" als omschreven in artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit</para>
      <para>gelijkstelling weken, waarin geen arbeid is verricht, met weken waarin arbeid is verricht</para>
      <para>(Besluit van 18 december 1986, Stcrt. 1986, 248, als nadien gewijzigd, nader aan te</para>
      <para>duiden als het Besluit Gelijkstelling).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de stellingen van appellant, erop neerkomende dat hij wel onder voormelde</para>
      <para>bepaling van het Besluit Gelijkstelling valt, aangezien een aantal bestanddelen van zijn loon tijdens</para>
      <para>zijn detentie is doorgelopen, verworpen omdat in de ogen van de rechtbank geen van de gestelde</para>
      <para>betalingen als onderdeel van appellants loon kan worden beschouwd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In hoger beroep is namens appellant volgehouden dat gedurende zijn detentie door de X nog</para>
      <para>een drietal prestaties is gedaan, welke als loon in de zin van artikel 1, aanhef en onder</para>
      <para>a, van het Besluit Gelijkstelling zijn te beschouwen, te weten de doorbetaling van</para>
      <para>contributie aan appellants vakbond, de aan appellant verstrekte en door zijn partner</para>
      <para>gebruikte zogeheten X-vervoerskaart, en het gebruikmaken van een deels door de X</para>
      <para>gefinancierde plaats in een kinderdagverblijf.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad overweegt als volgt.</para>
      <para>Voorop moet worden gesteld dat de hoofdregel van artikel 17 van de WW inhoudt dat voor</para>
      <para>het voldoen aan de referte-eis slechts weken waarin arbeid als werknemer is verricht</para>
      <para>meetellen. In het Besluit gelijkstelling is een limitatieve opsomming gegeven van weken</para>
      <para>welke, hoewel daarin geen arbeid is verricht, niettemin met gewerkte weken gelijkgesteld</para>
      <para>worden. Met de aard en strekking van die regeling verdraagt zich niet dat aan de daarin</para>
      <para>opgenomen gelijkstellingen een ruime interpretatie wordt gegeven. Wat betreft de bepaling</para>
      <para>betreffende de gelijkstelling van weken waarin zonder te werken loon is betaald, acht de</para>
      <para>Raad het dan ook niet in de rede te liggen om daaronder ook gevallen te brengen waarin</para>
      <para>slechts doorbetaling van loonelementen plaatsvindt welke ten opzichte van het totale loon</para>
      <para>van ondergeschikte betekenis is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van appellants stellingen overweegt de Raad allereerst dat uit de</para>
      <para>gedingstukken niet anders blijkt dan dat appellant gebruik maakt van een door de X bij</para>
      <para>wijze van service geboden mogelijkheid waarbij de X de contributie van de FNV-bond op</para>
      <para>zijn loon inhoudt en namens hem aan die bond afdraagt. Van betaling van loon is derhalve</para>
      <para>geen sprake.</para>
      <para>Betreffende de verstrekking van de X-vervoerskaart, die door appellant zelf tijdens zijn</para>
      <para>detentie niet kon worden gebruikt, is het de Raad niet duidelijk geworden of een</para>
      <para>dergelijke kaart voor gebruik door zijn echtgenote feitelijk is verstrekt en zij daarvan</para>
      <para>in de betreffende periode daadwerkelijk gebruik heeft gemaakt en evenmin, zo dat het</para>
      <para>geval was, of zulks een voordeel heeft opgeleverd dat de door appellant verschuldigde</para>
      <para>bijdrage (substantieel) overschreed. Wat daarvan ook zij, in ieder geval ziet de Raad een</para>
      <para>dergelijke verstrekking hooguit als betaling van een loonelement van ondergeschikte</para>
      <para>betekenis die niet tot toepassing van de in geding zijnde gelijkstellingsbepaling kan leiden.</para>
      <para>Betreffende het gebruik mogen maken van een deels door de X gefinancierde plaats in een</para>
      <para>kinderdagverblijf, overweegt de Raad tenslotte dat, zo dat in casu al als loonelement is</para>
      <para>aan te merken, daarvoor hetzelfde geldt als hiervoor omtrent de vervoerskaart is geoordeeld.</para>
      <para>Wat betreft appellants stelling dat de tijdens de periode van zijn detentie door de X</para>
      <para>afgedragen contributie en de over die periode verschuldigde bijdrage voor de vervoerskaart,</para>
      <para>ondanks het feit dat de desbetreffende bedragen blijkens een achteraf opgestelde</para>
      <para>loonafrekening zijn teruggeboekt, nimmer daadwerkelijk door appellant aan de X zijn</para>
      <para>(terug)betaald, merkt de Raad nog op dat - daargelaten of die stelling feitelijk juist is</para>
      <para>- zulks geen wijziging brengt in de betekenis welke de Raad in dit verband aan deze</para>
      <para>prestaties hecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van het vorenoverwogene concludeert de Raad dat gedaagde zich terecht op het</para>
      <para>standpunt heeft gesteld dat het bepaalde in artikel 1, aanhef en onder a, van de Regeling</para>
      <para>Gelijkstelling er niet toe kan leiden dat de door appellant in detentie doorgebrachte</para>
      <para>weken voor de referte-eis in aanmerking moeten worden genomen. De aangevallen uitspraak,</para>
      <para>waarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard, komt derhalve voor</para>
      <para>bevestiging in aanmerking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75</para>
      <para>van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr Th.C. van Sloten en</para>
      <para>mr Th.M. Schelfhout als leden, in tegenwoordigheid van B.M. van Leeuwen als griffier, en</para>
      <para>uitgesproken in het openbaar op 1 november 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) M.A. Hoogeveen.</para>
    <para />
    <para>(get.) B.M. van Leeuwen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>JdB</para>
      <para>1311</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>