<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9035</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-04-13T14:38:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB9035</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-11-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">98/6628 ABP</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=1:2&amp;g=2000-11-16">Algemene wet bestuursrecht 1:2</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9035">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9035</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:57:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-10-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9035 Centrale Raad van Beroep , 16-11-2000 / 98/6628 ABP</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9035:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9035:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>98/6628 ABP</para>
    <para />
    <para />
    <para>          U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para />
    <para>A, wonende te B, appellante,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante heeft op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep doen instellen</para>
      <para>tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage van 14 juli 1998, nummer</para>
      <para>97/6736 ABP, waarnaar hierbij wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Van de zijde van gedaagde is een verweerschrift ingediend, waarop namens appellante</para>
      <para>schriftelijk is gereageerd. Voorts is namens appellante nog ingezonden nadere informatie</para>
      <para>verkregen van ABP Pensioenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van 5 oktober 2000, waar appellante in persoon is</para>
      <para>verschenen, bijgestaan door mr M. Greebe, advocaat te Zoetermeer. Gedaagde, die ingevolge</para>
      <para>het koninklijk besluit van 15 december 1997 (Stb. 1997, 807), houdende de overgang van de</para>
      <para>beheersverantwoordelijkheid over het Kabinet voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse</para>
      <para>Zaken van de Minister naar de Minister van Binnenlandse Zaken (thans geheten de Minister</para>
      <para>van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties), alsmede de overgang van het Kabinet voor</para>
      <para>de Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken naar het Ministerie van Binnenlandse Zaken</para>
      <para>(thans geheten het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties), met ingang</para>
      <para>van 1 januari 1998 is belast met de beheersmatige aspecten van de coördinatie van</para>
      <para>aangelegenheden de Nederlandse Antillen en Aruba betreffende en met de beheersmatige</para>
      <para>aspecten van de zorg voor de aan de Nederlandse Antillen en Aruba te verlenen hulp en</para>
      <para>bijstand, heeft zich laten vertegenwoordigen door mr M.B de Witte-van den Haak, advocaat</para>
      <para>te Den Haag en mr drs P.J.M. van den Eertwegh, werkzaam bij gedaagdes ministerie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onder verwijzing voor het overige naar de aangevallen uitspraak ontleent de Raad aan de</para>
      <para>gedingstukken het volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante is gedurende de periode van 1 januari 1992 tot 1 januari 1995 in tijdelijke</para>
      <para>dienst aangesteld bij het Kabinet voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken, onder</para>
      <para>verlening van buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging voor de duur van haar</para>
      <para>tijdelijke aanstelling, teneinde haar in de gelegenheid te stellen in het kader van de</para>
      <para>technische bijstand van Nederland aan de Nederlandse Antillen als juridisch medewerkster</para>
      <para>ten behoeve van het Bestuurscollege van het eilandgebied St. Eustatius werkzaamheden te</para>
      <para>verrichten. Voor de duur van de beschikbaarstelling is door gedaagdes rechtsvoorganger</para>
      <para>voor appellante bij besluit van 21 februari 1992 een honorarium vastgesteld met</para>
      <para>toepassing van artikel 2 van de Regeling honorering deskundigen technische bijstand</para>
      <para>(beschikking van 13 december 1978, nr. 71823, zoals laatstelijk gewijzigd bij beschikking</para>
      <para>van 20 juli 1990, nr. 27002; hierna: de Regeling). In een begeleidend schrijven van 21</para>
      <para>februari 1992 is onder meer onder appellantes aandacht gebracht dat naast het in het</para>
      <para>hiervoor genoemde besluit opgenomen honorarium aan haar bij wijze van compensatie</para>
      <para>maandelijks een bedrag zal worden uitbetaald ten bedrage van 5% van haar bruto</para>
      <para>maandsalaris exclusief vakantietoelage, aangezien zij de haar toekomende "A.D.V."-dagen</para>
      <para>tijdens haar verblijf in de Nederlandse Antillen niet kan opnemen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 7 augustus 1996 heeft appellante verzocht om ook over deze ADV-compensatie</para>
      <para>vanaf 1 janauri 1992 tot 1 januari 1995 alsnog pensioenpremie in te houden en af te</para>
      <para>dragen aan het Pensioenfonds ABP. Op dit verzoek is afwijzend beslist. Het hiertegen</para>
      <para>gemaakte bezwaar is bij besluit van 12 augustus 1997 ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het bestreden besluit</para>
      <para>ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en onder de</para>
      <para>bepaling dat haar uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit het bezwaar van</para>
      <para>appellante alsnog niet-ontvankelijk verklaard. Voorts zijn bepalingen inzake proceskosten</para>
      <para>en griffierecht gegeven.</para>
      <para>De rechtbank heeft overwogen dat appellantes verzoek er klaarblijkelijk op gericht was</para>
      <para>haar toekomstige pensioenpositie veilig te stellen of te verbeteren door reeds op</para>
      <para>voorhand vastgesteld te krijgen dat een bepaald door haar tijdens haar verlof genoten</para>
      <para>inkomensbestanddeel deel uitmaakte van haar ambtelijk inkomen. Aangezien evenwel in het</para>
      <para>hier nog van toepassing zijnde artikel C 1 van de voormalige Algemeen burgerlijke</para>
      <para>pensioenwet (hierna: de Wet) elke relatie ontbreekt tussen het in aanmerking kunnen komen</para>
      <para>van enig inkomensbestanddeel als ambtelijk inkomen en de vraag of daarover pensioenpremie</para>
      <para>c.q. bijdrage is ingehouden en/of afgedragen, kon het door appellante nagestreefde doel</para>
      <para>niet verwezenlijkt worden, ook al zou aan haar verzoek worden voldaan.</para>
      <para>De rechtbank heeft daaraan nog toegevoegd dat voor eventuele toekomstige</para>
      <para>pensioenaanspraken van appellante haar inkomsten uit haar betrekking op de Nederlandse</para>
      <para>Antillen in het geheel niet van belang zijn, omdat op grond van het derde lid van het</para>
      <para>hiervoorgenoemde artikel C 1 van de Wet het ambtelijk inkomen dat voor haar zou hebben</para>
      <para>gegolden ware zij niet met verlof gegaan in aanmerking moet worden genomen. Uit het</para>
      <para>vorenstaande heeft de rechtbank afgeleid dat appellante door de afwijzing van haar</para>
      <para>verzoek niet in het door haar nagestreefde pensioenbelang is getroffen, zodat haar</para>
      <para>bezwaarschrift niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die tot dit oordeel</para>
      <para>hebben geleid niet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzoek van appellante heeft betrekking op de samenstelling van het voor haar</para>
      <para>geldende (bruto)salarisbedrag en de omvang van de daarop te plegen inhoudingen ten tijde</para>
      <para>van haar uitzending en de afwijzing van dit verzoek treft appellante rechtstreeks in haar</para>
      <para>rechtspositie als ambtenaar. Dat appellante het - volgens de rechtbank - nagestreefde</para>
      <para>doel, namelijk het veilig stellen van haar toekomstige pensioenpositie, met dit verzoek</para>
      <para>niet kan bereiken, kan daaraan niet afdoen, nog daargelaten of de rechtbank daarmee een</para>
      <para>juiste en volledige invulling heeft gegeven van het oogmerk van appellante. De vraag of</para>
      <para>met de inwilliging van een verzoek een verder gelegen resultaat wordt of kan worden</para>
      <para>bereikt staat los van de vraag of de afwijzing van zodanig verzoek de betrokken verzoeker</para>
      <para>rechtstreeks in zijn belangen als ambtenaar treft. Bij beantwoording van de laatste vraag</para>
      <para>kan in het geval van appellante derhalve niet slechts het door de rechtbank genoemde</para>
      <para>pensioenbelang in aanmerking worden genomen, maar is ook, en in de eerste plaats, aan de</para>
      <para>orde het belang van appellante bij duidelijkheid omtrent haar bestaande ambtelijke rechtspositie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor zover de overwegingen van de rechtbank aldus moeten worden verstaan dat daarmee is</para>
      <para>bedoeld aan te geven dat appellante geen belang zou hebben bij inwilliging van haar</para>
      <para>verzoek - indachtig de situatie waarin bijvoorbeeld aan een beroep het procesbelang is</para>
      <para>komen te ontvallen - en daartoe is overwogen dat de inkomsten die appellante op de</para>
      <para>Nederlandse Antillen genoot voor haar pensioenaanspraken in het geheel niet van belang</para>
      <para>zijn, constateert de Raad dat die overweging, gelet op artikel F 2, derde lid, onder b,</para>
      <para>en artikel D 1, tweede lid onder b, van de Wet inhoudelijk onjuist is.</para>
      <para>Ook partijen zijn het, blijkens het verhandelde ter zitting van de Raad, erover eens dat</para>
      <para>te dezen het inkomen dat appellante uit haar betrekking op de Antillen genoot in</para>
      <para>aanmerking moet worden genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het vorenstaande blijkt dat het hoger beroep doel treft. De rechtbank heeft het</para>
      <para>bestreden besluit ten onrechte vernietigd vanwege het niet-ontvankelijk achten van het bezwaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor terugwijzing van de zaak naar de rechtbank met toepassing van het bepaalde in</para>
      <para>artikel 26 van de Beroepswet ziet de Raad in dit geval geen aanleiding, mede in</para>
      <para>aanmerking genomen dat partijen de Raad dringend verzocht hebben om op het primaire</para>
      <para>beroep inhoudelijk te beslissen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Inzake de inhoudelijke kant van het primaire beroep overweegt de Raad als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het bestreden besluit van 12 augustus 1997, dat is genomen met in achtneming van het</para>
      <para>advies van 3 juli 1997 van de ter zake ingeschakelde Adviescommissie bezwaren personele</para>
      <para>aangelegenheden, berust op de overweging dat de ADV-compensatie geen vaste toelage is en</para>
      <para>derhalve niet kan worden aangemerkt als ambtelijk inkomen in de zin van de Wet. Daartoe</para>
      <para>is aansluiting gezocht bij het bepaalde in artikel C 1, eerste lid, aanhef en onder k,</para>
      <para>van de Wet, waarin is bepaald dat ambtelijk inkomen in de zin van deze wet alle inkomsten</para>
      <para>omvat die een ambtenaar ter zake van zijn dienstverhouding ontvangt, met uitzondering van</para>
      <para>die welke strekken tot vergoeding wegens niet genoten vakantie of verlof. Naar de mening</para>
      <para>van gedaagde moet de ADV-compensatie worden aangemerkt als een vergoeding voor niet</para>
      <para>genoten vakantie of verlof.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting is namens gedaagde nader bepleit dat de ADV-compensatie niet als onderdeel</para>
      <para>van het ambtelijk inkomen in de zin van artikel C 1 van de Wet kan gelden, omdat deze</para>
      <para>compensatie moet worden gezien als een vergoeding wegens diensten die buiten de voor de</para>
      <para>ambtenaar geldende werktijd zijn verricht. Deze inkomsten zijn op grond van het bepaalde</para>
      <para>in artikel C 1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wet uitgezonderd van het begrip</para>
      <para>ambtelijk inkomen.</para>
      <para>Tenslotte is betoogd dat de ADV-compensatie uitsluitend als vaste toelage kan worden</para>
      <para>aangemerkt en tot het pensioengevend inkomen kan worden gerekend wanneer als algemene</para>
      <para>regel geldt en in de arbeidsvoorwaardenregeling is vastgelegd dat de werknemer geen recht</para>
      <para>heeft op ADV maar ter compensatie daarvan wel recht heeft op een hogere bezoldiging. Dat</para>
      <para>laatste zou zich hier niet voordoen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht de door gedaagde verdedigde stellingen onhoudbaar.</para>
      <para>Blijkens de gedingstukken vindt uitkering van de ADV-compensatie plaats omdat appellante,</para>
      <para>die een dienstverband is aangegaan met de Nederlandse Antillen, tijdens haar gehele</para>
      <para>uitzendingsperiode geen ADV-dagen kan opnemen nu arbeidstijdverkorting zoals die in</para>
      <para>Nederland voorkomt op de Nederlandse Antillen niet is ingevoerd. De situatie van wel</para>
      <para>bestaand maar incidenteel niet opgenomen vakantie of verlof zoals bedoeld in het hiervoor</para>
      <para>genoemde artikelonderdeel van de Wet moet naar het oordeel van de Raad worden</para>
      <para>onderscheiden van het in zijn algemeenheid niet mogen opnemen casu quo het niet voorkomen</para>
      <para>van ADV-dagen. De in artikel C 1, eerste lid, onder k, neergelegde regeling ziet dan ook</para>
      <para>naar de overtuiging van de Raad niet op de situatie van appellante.</para>
      <para>De ADV-compensatie kan evenmin worden gezien als of op één lijn worden gesteld met een</para>
      <para>vergoeding voor diensten die buiten de voor de ambtenaar geldende werktijd zijn verricht.</para>
      <para>Vaststaat immers dat de werktijd van uitgezonden ambtenaren door de Nederlandse Antillen</para>
      <para>wordt vastgesteld, bij volledige aanstelling op 40 uur per week en in het geval van</para>
      <para>appellante op 32 uur per week. Gesteld noch gebleken is dat daarbuiten structureel</para>
      <para>werkzaamheden plaatsvinden waarop de in geding zijnde betalingen betrekking zouden hebben.</para>
      <para>Wat betreft de derde stelling van gedaagde is de Raad van oordeel dat de daarin</para>
      <para>geschetste situatie zich in het geval van appellante nu juist wel voordoet: uit de</para>
      <para>aanvullende uitzendvoorwaarden kan worden afgeleid dat de ADV-compensatie standaard wordt</para>
      <para>betaald omdat betrokkenen tijdens de uitzending geen aanspraak kunnen maken op ADV.</para>
      <para>Gelet op het vorenstaande komt de Raad tot het oordeel dat de in geding zijnde</para>
      <para>ADV-compensatie tot het ambtelijk inkomen als bedoeld in meergenoemd artikel C 1 van de</para>
      <para>Wet behoort.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit betekent dat het bestreden besluit op inhoudelijke gronden niet in stand kan blijven.</para>
      <para>Nu deze vernietigingsgrond een geheel andere is dan die van de rechtbank zal de Raad voor</para>
      <para>de duidelijkheid overgaan tot vernietiging van de aangevallen uitspraak en wordt ook het</para>
      <para>bestreden besluit door de Raad vernietigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het vorenstaande ziet de Raad aanleiding om gedaagde met toepassing van artikel 8:75</para>
      <para>van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen tot vergoeding van proceskosten van</para>
      <para>appellante in beroep in eerste aanleg tot hetzelfde bedrag als de rechtbank, te weten</para>
      <para>f 1.420,- aan kosten van juridische bijstand, alsmede van proceskosten in hoger beroep</para>
      <para>tot een bedrag van f 1.420,- aan kosten van juridische bijstand en van f 9,-- aan</para>
      <para>reiskosten, in totaal f 2.849,-.</para>
      <para>Verder zal worden bepaald dat de Staat der Nederlanden aan appellante het door haar in</para>
      <para>eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van in totaal f 515,- vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Beslist is als hierna vermeld.</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>Verklaart het inleidend beroep alsnog gegrond en vernietigt het bestreden besluit van 12</para>
      <para>augustus 1997;</para>
      <para>Bepaalt dat gedaagde met inachtneming van het hierboven overwogene een nieuw besluit</para>
      <para>neemt op het bezwaarschrift;</para>
      <para>Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante ten bedrage van f 2.849,-, te</para>
      <para>betalen door de Staat der Nederlanden;</para>
      <para>Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellante het door haar betaalde griffierecht</para>
      <para>ten bedrage van in totaal f 515,- vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr G.L.M.J. Stevens als voorzitter en mr H.R. Geerling-Brouwer en</para>
      <para>mr K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier en</para>
      <para>uitgesproken in het openbaar op 16 november 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>            (get.) G.L.M.J. Stevens.</para>
    <para />
    <para>            (get.) E. Heemsbergen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>HD</para>
      <para>23.10</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>