<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9028</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T19:41:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB9028</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-11-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">99/6258 AWBZ</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=1:3&amp;g=2000-11-07">Algemene wet bestuursrecht 1:3</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=3:46&amp;g=2000-11-07">Algemene wet bestuursrecht 3:46</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 2001, 22</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2001/15</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9028">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9028</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:57:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-10-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9028 Centrale Raad van Beroep , 07-11-2000 / 99/6258 AWBZ</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9028:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9028:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>99/6258 AWBZ</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>In het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>De Sociale Verzekeringsbank, appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>A, wonende te B, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 4 mei 1998 heeft appellant aan gedaagde kennis gegeven van het besluit dat</para>
      <para>zij niet in aanmerking komt voor een tegemoetkoming op grond van de Regeling</para>
      <para>tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende meervoudig en ernstig lichamelijk</para>
      <para>gehandicapte kinderen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Bij het bestreden besluit van 8 oktober 1998 is het bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te Assen heeft bij de aangevallen uitspraak van 25 november</para>
      <para>1999 het beroep tegen dit besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en appellant</para>
      <para>veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht. Naar die uitspraak wordt hierbij verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden van die uitspraak in</para>
      <para>hoger beroep gekomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens gedaagde heeft mr O. Labordus, werkzaam bij L.A.R. Rechtsbijstand N.V. te</para>
      <para>Rijswijk, een verweerschrift ingezonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Appellant heeft bij brief van 15 september 2000 een reactie ingezonden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad gehouden op 26 september 2000, waar voor</para>
      <para>appellant zijn verschenen mr K.C.M. van Engelenhoven en drs A. Zwierzina-Knol, en waar</para>
      <para>gedaagde in persoon is verschenen bijgestaan door mr Labordus voornoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft bij het in rubriek I genoemde bestreden besluit van 8 oktober 1998</para>
      <para>beslist dat gedaagde niet in aanmerking komt voor een tegemoetkoming op grond van de</para>
      <para>Regeling tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende meervoudig en ernstig lichamelijk</para>
      <para>gehandicapte kinderen (verder: TOG-regeling). Dit besluit berust op het standpunt dat</para>
      <para>gedaagdes dochter C weliswaar meervoudig gehandicapt is tengevolge van het zogeheten</para>
      <para>Down's syndroom, maar dat zij niettemin niet voldoet aan de voorwaarden die de</para>
      <para>TOG-regeling stelt om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming. Overwogen is dat C</para>
      <para>onderwijs volgt dat niet als dagopvang dient en dat zij niet blijvend is aangewezen op</para>
      <para>intensieve zorg, behandeling of begeleiding. Opgemerkt is dat C in staat is om zich</para>
      <para>zonder hulp aan- en uit te kleden, zich te wassen, te eten, te drinken en naar het toilet</para>
      <para>te gaan. Voorts is overwogen dat zij niet ernstig beperkt is in de communicatie met</para>
      <para>anderen en dat zij zich redelijkerwijs zonder hulp van anderen binnenshuis en/of</para>
      <para>buitenshuis kan verplaatsen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde is van dit besluit in beroep gekomen bij de rechtbank. Zij heeft daarbij onder</para>
      <para>meer aangevoerd dat aan andere - door haar gespecificeerde - ouders van een kind met</para>
      <para>Down's syndroom wel een tegemoetkoming is toegekend. Naar aanleiding hiervan heeft de</para>
      <para>rechtbank appellant verzocht nader dossieronderzoek te doen naar de capaciteiten en</para>
      <para>vaardigheden van deze kinderen. Dit onderzoek is beperkt gebleven tot 14 kinderen wier</para>
      <para>ouders toestemming hebben gegeven voor dit onderzoek. De resultaten van het onderzoek</para>
      <para>zijn neergelegd in een op 15 juni 1999 gedateerd rapport van ZVN Advies N.V., inhoudend</para>
      <para>een kort resumé van de uit de desbetreffende - zich in appellants administratie</para>
      <para>bevindende - individuele onderzoeksrapporten gedestilleerde beperkingen van die kinderen</para>
      <para>alsmede een toelichting op het standpunt van appellant dat ook de drie kinderen die door</para>
      <para>betrokken arts van ZVN Advies N.V. het meest vergelijkbaar worden geacht met C, op een</para>
      <para>lager niveau functioneren of meer zorg en toezicht nodig hebben.</para>
      <para>Mede in aanmerking genomen de resultaten van dit onderzoek heeft de rechtbank het beroep</para>
      <para>tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Zij heeft</para>
      <para>daartoe - kort gezegd - overwogen dat is komen vast te staan dat een aantal kinderen met</para>
      <para>Down's syndroom, aan wier ouders wel een tegemoetkoming op grond van de TOG-regeling is</para>
      <para>toegekend, op een zelfde of zelfs een lager niveau functioneert dan C. Gelet hierop was</para>
      <para>de rechtbank van oordeel dat appellant in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft</para>
      <para>gehandeld door de ouders van C uit te sluiten van een tegemoetkoming. Zij heeft daarbij</para>
      <para>verwezen naar een arrest van de Hoge Raad van 16 december 1998, gepubliceerd in JB</para>
      <para>1999/44 en een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15</para>
      <para>mei 1997, gepubliceerd in JB 1997/154. De rechtbank heeft bij haar oordeel dat sprake is</para>
      <para>van strijd met het gelijkheidsbeginsel mede in aanmerking genomen dat appellant er niet</para>
      <para>in is geslaagd de door gedaagde gestelde ongelijke behandeling van (soort)gelijke</para>
      <para>gevallen op overtuigende wijze te weerleggen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant is van deze uitspraak in hoger beroep gekomen. Appellant leidt uit bovengenoemd</para>
      <para>arrest van de Hoge Raad van 16 december 1998 af dat contra-legem toepassing van het</para>
      <para>gelijkheidsbeginsel uitsluitend dan geoorloofd is wanneer voldaan is aan de door</para>
      <para>appellant genoemde meerderheidsregel. Deze houdt in dat degene die zich op het</para>
      <para>gelijkheidsbeginsel beroept aannemelijk zal moeten maken dat in de meerderheid van de</para>
      <para>gevallen van de wet wordt afgeweken. Appellant stelt zich op het standpunt dat niet</para>
      <para>gebleken is dat in de meerderheid van de gevallen van de TOG-regeling wordt afgeweken en</para>
      <para>dat in het rapport van ZVN Advies N.V. van 15 juni 1999 in voldoende mate wordt</para>
      <para>aangegeven op welke punten de drie kinderen die het meest vergelijkbaar zijn met C van</para>
      <para>haar verschillen. Appellant stelt zich voorts op het standpunt dat uit dit rapport blijkt</para>
      <para>dat de meest vergelijkbare kinderen ten aanzien van toezicht en het geven van</para>
      <para>aanwijzingen, anders dan C, daadwerkelijke hulp en handreikingen nodig hebben. Dit</para>
      <para>betekent naar de mening van appellant dat voldaan is aan de in de uitspraak van de</para>
      <para>Afdeling bestuursrechtspraak van 15 mei 1997 gestelde voorwaarde dat een bestuursorgaan</para>
      <para>de consistentie van het eigen beleid dient te bewaken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad dient in dit geding de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit waarbij aan</para>
      <para>gedaagde een tegemoetkoming op grond van de TOG-regeling is geweigerd in rechte stand houdt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad beantwoordt deze vraag, evenals de rechtbank, ontkennend. Overwogen wordt als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, daarbij mede handelende namens</para>
      <para>de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, heeft bij besluit van 7 april</para>
      <para>1997 de Regeling tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende meervoudig en ernstig</para>
      <para>lichamelijk gehandicapte kinderen vastgesteld (de reeds genoemde TOG-regeling). Deze</para>
      <para>regeling is in werking getreden op 1 mei 1997 en werkt terug tot 1 januari 1997. De</para>
      <para>TOG-regeling bevat een samenstel van beleidsregels dat voorziet in een financiële</para>
      <para>tegemoetkoming aan ouders die een ernstig gehandicapt kind thuis verzorgen. Om in</para>
      <para>aanmerking te komen voor een tegemoetkoming moet sprake zijn van een kind dat meervoudig</para>
      <para>gehandicapt dan wel chronisch ziek is. Artikel 3 van de TOG-regeling definieert</para>
      <para>meervoudig gehandicapt kind als volgt:</para>
      <para>'In deze regeling wordt als meervoudig gehandicapt kind aangemerkt het kind dat</para>
      <para>lichamelijk en verstandelijk gehandicapt is en gelet op zijn beperkingen aanspraak kan</para>
      <para>maken op opname in een in de AWBZ of in de daarop berustende bepalingen geregelde</para>
      <para>intramurale inrichting en:</para>
      <para>a.     voor wie het volgen van speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs als</para>
      <para>bedoeld in de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal</para>
      <para>onderwijs, voornamelijk dient als dagopvang omdat het onderwijs gelet op de zeer</para>
      <para>beperkte of afwezige mogelijkheden van het kind niet of nauwelijks aan zijn</para>
      <para>ontwikkeling kan bijdragen; of</para>
      <para>b.     dat blijvend is aangewezen op intensieve zorg, behandeling of begeleiding terwijl</para>
      <para>naar verwachting de beperkingen van het kind daardoor niet verminderd kunnen</para>
      <para>worden; of</para>
      <para>c.     dat:</para>
      <para>1. ernstig beperkt is in de communicatie met anderen,</para>
      <para>2. zich zonder hulp van anderen binnenshuis niet of nauwelijks en buitenshuis niet</para>
      <para>kan verplaatsen,</para>
      <para>en</para>
      <para>3. zonder hulp van anderen niet of nauwelijks in staat is zich aan- en uit te</para>
      <para>kleden, zich te wassen, te eten, te drinken en naar het toilet te gaan?.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Over deze criteria is in de nota van toelichting het volgende opgemerkt:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>"Bij de formulering van de criteria (...) kan echter niet uitsluitend worden aangesloten</para>
      <para>bij de criteria die gelden voor indicatie voor een intramurale voorziening. Ten eerste is</para>
      <para>het zo dat deze criteria slechts zeer globaal wettelijk zijn vastgelegd, en ten tweede is</para>
      <para>het zo dat bij de indicatie voor een intramurale voorziening niet alleen medische</para>
      <para>factoren van belang zijn, maar ook sociale factoren. (...) De criteria zijn daarom zo</para>
      <para>geformuleerd dat enerzijds wordt aangesloten bij een indicatie voor een intramurale</para>
      <para>voorziening, terwijl anderzijds een aantal inhoudelijke voorwaarden wordt geformuleerd.</para>
      <para>In alle gevallen moet voldaan worden aan de voorwaarde dat gezien de handicap het kind in</para>
      <para>een inrichting geplaatst zou kunnen worden. De sociale factoren spelen bij de toekenning</para>
      <para>van een tegemoetkoming ingevolge deze regeling geen rol. (...) Naast de voorwaarde dat</para>
      <para>gelet op de aard en mate van de handicap het kind in aanmerking kan komen voor opname in</para>
      <para>een intramurale voorziening, moet er óók voldaan worden aan de andere omschrijving van de</para>
      <para>handicap. Deze omschrijvingen beogen zowel de ernst van de handicap aan te geven als de</para>
      <para>mate van verzorging en oppassing die het kind nodig heeft. Zij dienen vooral ter</para>
      <para>voorkoming van misverstanden met betrekking tot de doelgroep. (...)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Voorts is in de nota van toelichting bij artikel 3 het volgende opgemerkt:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij onderdeel c moet gedacht worden aan noodzakelijke intensieve, dagelijkse verzorging;</para>
      <para>niet bedoeld is begeleiding die zich beperkt tot het geven van aanwijzingen en het houden</para>
      <para>van toezicht".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot de uitleg van de in artikel 3 aanhef en onder b gebruikte begrippen</para>
      <para>intensieve zorg, behandeling of begeleiding volgt appellant naar eigen zeggen sedert</para>
      <para>november 1997 de gedragslijn dat aansluiting wordt gezocht bij de criteria die in artikel</para>
      <para>13 van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet worden gebruikt voor verhoging van de</para>
      <para>arbeidsongeschiktheidsuitkering tot 100% van de grondslag. De criteria die appellant</para>
      <para>stelt aan te houden luiden als volgt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"Blijvende toestand van de beperkingen: dit wil zeggen dat de zorg, behandeling en</para>
      <para>begeleiding geen verandering zullen bewerkstelligen in de mate en aard van de beperkingen.</para>
      <para>Geregelde oppassing: dit wil zeggen de noodzaak om de belanghebbende min of meer constant</para>
      <para>onder toezicht te houden, teneinde bijvoorbeeld te voorkomen dat hij zichzelf of anderen</para>
      <para>schade zou berokkenen.</para>
      <para>Geregelde verzorging: dit wil zeggen de noodzaak van hulp bij alle of althans de meeste</para>
      <para>algemene dagelijkse levensverrichtingen. Onder "hulp" wordt hier verstaan daadwerkelijke</para>
      <para>verzorging, hetgeen meer inhoudt dan het geven van aanwijzingen of het houden van</para>
      <para>toezicht. De noodzaak van hulp is in het algemeen aanwezig als belanghebbende zich niet</para>
      <para>zelfstandig kan redden".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad stelt vast dat partijen het erover eens zijn dat C zowel lichamelijk als</para>
      <para>geestelijk gehandicapt is en dat zij gezien haar beperkingen aanspraak kan maken op</para>
      <para>opname in een AWBZ-inrichting. Tussen partijen is - blijkens het verhandelde in hoger</para>
      <para>beroep - evenmin in geschil dat C niet beantwoordt aan de criteria bedoeld in artikel 3</para>
      <para>onder a en c van de TOG-regeling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit betekent dat uitsluitend (nog) de vraag voorligt of gezegd moet worden dat C blijvend</para>
      <para>is aangewezen op intensieve zorg, behandeling of begeleiding terwijl naar verwachting</para>
      <para>haar beperkingen daardoor niet verminderd kunnen worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant stelt zich op het standpunt dat bij C geen sprake is van de noodzaak van</para>
      <para>intensieve zorg en begeleiding. Zij heeft volgens appellant geen hulp nodig bij alle of</para>
      <para>althans de meeste algemene dagelijkse levensverrichtingen. De noodzaak van hulp is</para>
      <para>volgens appellant pas aanwezig wanneer het kind de dagelijkse levensverrichtingen niet</para>
      <para>anders dan met daadwerkelijke hulp kan verrichten. De hulp waarop gedoeld wordt gaat</para>
      <para>volgens appellant verder dan het geven van aanwijzingen en het houden van toezicht.</para>
      <para>Appellant is van mening dat is gebleken dat C in staat is om zich aan- en uit te kleden.</para>
      <para>Dat de kleding moet worden klaargelegd en dat achteraf controle moet worden uitgeoefend</para>
      <para>is volgens appellant onvoldoende om te kunnen spreken van de noodzaak van hulp bij het</para>
      <para>aan- en uitkleden. C is volgens appellant voorts in staat om zelfstandig te eten en te</para>
      <para>drinken. Het ontbijt wordt alleen voor haar klaargemaakt in verband met de tijd. Bij het</para>
      <para>eten en drinken heeft zij geen fysieke hulp nodig. Voorts heeft appellant vastgesteld dat</para>
      <para>C zich zelfstandig kan wassen en dat zij zelf haar tanden kan poetsen. De moeder is</para>
      <para>daarbij aanwezig om erop toe te zien dat het correct gebeurt. Indien nodig worden de</para>
      <para>tanden 'overgepoetst'. C behoeft geen daadwerkelijke hulp bij het douchen. Zij kan</para>
      <para>zelfstandig gebruik maken van het toilet, met dien verstande dat daarbij toezicht en</para>
      <para>controle nodig is. Appellant is verder van mening dat niet gebleken is dat C min of meer</para>
      <para>constant onder toezicht dient te staan dan wel begeleid dient te worden teneinde bij</para>
      <para>voorbeeld te voorkomen dat zij zichzelf of anderen schade berokkent. Het zich niet</para>
      <para>zelfstandig in het verkeer kunnen bewegen is volgens appellant onvoldoende om te</para>
      <para>concluderen dat sprake is van intensieve begeleiding. Gebleken is dat C wel eens zonder</para>
      <para>ouderlijk toezicht in de speeltuin speelt en dat zij zich ook wel eens zonder begeleiding</para>
      <para>in de nabije omgeving van het huis begeeft. Zij zit op een normale basisschool waar zij</para>
      <para>een eigen programma volgt. Zij moet naar school gebracht en van school gehaald worden en</para>
      <para>kan onder begeleiding fietsen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Van de zijde van gedaagde is naar voren gebracht dat C voortdurend intensieve zorg en</para>
      <para>begeleiding nodig heeft. Zij heeft, naast het syndroom van Down, de ziekte van</para>
      <para>Hirschsprung doorgemaakt tengevolge waarvan zij blijvend problemen heeft met haar</para>
      <para>ontlasting. Voorts is zij verhoogd vatbaar voor infecties. C heeft onvoldoende controle</para>
      <para>over haar sluitspier wat meebrengt dat zij soms meerdere malen per dag moet worden</para>
      <para>verschoond. Ook moet haar bed regelmatig verschoond worden. Verder heeft zij een</para>
      <para>oogafwijking, een voetafwijking, doorgezakte enkels, zwakke enkelbanden, ruis in de oren</para>
      <para>en een incompleet gebit. Zij behoeft voortdurend toezicht en aanwijzingen bij het eten,</para>
      <para>het toiletbezoek, bij het wassen en bij het aan- en uitkleden. Alle dagelijkse</para>
      <para>activiteiten buitenshuis worden intensief begeleid en voorbereid. Zij kan niet alleen</para>
      <para>thuis blijven. Wanneer de ouders niet thuis kunnen zijn moet oppas in huis worden</para>
      <para>gehaald. Tenslotte is aangevoerd dat aan de ouders van een aantal kinderen dat in</para>
      <para>vergelijkbare omstandigheden verkeert wel een tegemoetkoming op grond van de TOG-regeling</para>
      <para>is toegekend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad stelt, uitgaande van de uit voormeld advies, in samenhang met de daarop ter</para>
      <para>zitting door de gemachtigde van appellant gegeven toelichting, vast dat van althans drie</para>
      <para>van de 14 onderzochte kinderen in het rapport van ZVN-Advies van 15 juni 1999 kan worden</para>
      <para>gezegd dat de in dat rapport beschreven beperkingen en mogelijkheden in relevante mate</para>
      <para>vergelijkbaar zijn met de door appellant vastgestelde beperkingen en mogelijkheden van C.</para>
      <para>Appellant is er noch door middel van dat - summier onderbouwde - rapport noch door de</para>
      <para>daarop door de gemachtigde van appellant ter zitting van de Raad gegeven toelichting in</para>
      <para>geslaagd door middel van een deugdelijke motivering aannemelijk te maken dat deze drie</para>
      <para>kinderen qua beperkingen en mogelijkheden in relevante mate verschillen van C. De Raad</para>
      <para>wijst er in dit verband op dat, voorzover uit in meergenoemd advies van 15 juni 1999 valt</para>
      <para>af te leiden, D ZML-onderwijs volgt en op eenvoudig niveau kan lezen en schrijven; dat</para>
      <para>zij met betrekking tot ADL het een en ander zelf kan doen, maar dat steeds iemand in de</para>
      <para>buurt moet blijven in verband met aansporing, hulp, toezicht en handreikingen. Ook bij</para>
      <para>toiletgebruik is deels hulp nodig. Zij kan kort alleen thuis blijven en in de buurt, met</para>
      <para>een instructie, een gerichte boodschap doen. Zij kan meefietsen op een driewieler, maar</para>
      <para>meefietsen in verkeerssituaties is te gevaarlijk. E stelt de Raad vast dat zij gewoon</para>
      <para>lager onderwijs volgt en beperkt kan lezen en schrijven; dat zij hulp en toezicht bij de</para>
      <para>ADL behoeft; dat de communicatie voldoende is en dat zij onder begeleiding op een</para>
      <para>tweewieler fietst. Zij kan niet alleen thuisblijven; zij speelt wel alleen buiten, maar</para>
      <para>alleen bij de deur want ze is onvoorspelbaar en houdt zich niet aan afspraken. Tenslotte</para>
      <para>komt uit voormeld advies naar voren dat F ZML-onderwijs volgt, en veel hulp nodig heeft</para>
      <para>bij de ADL aangezien zij niet zindelijk is. Zij is communicatief fors beperkt en</para>
      <para>functioneert op peuter- en kleuterniveau.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gegeven deze vaststellingen is op grond van voormelde, thans voorhanden zijnde, gegevens</para>
      <para>voor de Raad onvoldoende aannemelijk gemaakt dat deze kinderen intensiever zorg en</para>
      <para>begeleiding behoeven dan C.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Mede gelet op de omstandigheid dat appellant aan de ouders van deze kinderen onder</para>
      <para>toepassing van artikel 3 aanhef en onder b van de TOG-regeling wel een tegemoetkoming</para>
      <para>heeft toegekend, komt de Raad op basis van de in dit geding aanwezige gegevens tot de</para>
      <para>slotsom dat het bestreden besluit wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:46 van de</para>
      <para>Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in stand kan blijven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad voegt aan het vorenstaande - in dit geding ten overvloede - toe dat het aan het</para>
      <para>bestreden besluit ten grondslag liggende besluit tot vaststelling van de TOG-regeling</para>
      <para>niet is genomen op grond van een aan de staatssecretaris toegekende of overgedragen</para>
      <para>regelgevende bevoegdheid.</para>
      <para>Dit betekent dat deze regeling moet worden aangemerkt als een stelsel van beleidsregels</para>
      <para>en dat zich te dezen niet de situatie kan voordoen dat het gelijkheidsbeginsel contra</para>
      <para>legem wordt toegepast.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gezien het voorafgaande dient de aangevallen uitspraak, zij het op enigszins andere dan</para>
      <para>de daarin vermelde gronden, te worden bevestigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb. Appellant wordt</para>
      <para>veroordeeld in de proceskosten van gedaagde. Deze kosten worden begroot op</para>
      <para>f 1.420,-- voor verleende rechtsbijstand.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gezien het bepaalde in artikel 22, derde lid, van de Beroepswet dient van appellant een</para>
      <para>recht van f 675,-- te worden geheven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Beslist wordt als volgt.</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande, dat appellant een nader besluit</para>
      <para>dient te nemen met inachtneming van 's Raads uitspraak;</para>
      <para>Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag</para>
      <para>groot f 1.420,--;</para>
      <para>Verstaat dat van appellant een recht van f 675,-- wordt geheven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr M.I. 't Hooft als voorzitter en mr D.J. van der Vos en</para>
      <para>mr R.M. van Male als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Huls als griffier, en uitgesproken</para>
      <para>in het openbaar op 7 november 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>                             (get.) M.I. 't Hooft.</para>
    <para />
    <para>                             (get.) A.H. Huls.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>JdB</para>
      <para>0211</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>