<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9021</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T00:50:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB9021</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-10-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">97/6612 AAW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 2001, 23</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9021">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9021</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-07-06T15:42:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-07-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9021 Centrale Raad van Beroep , 25-10-2000 / 97/6612 AAW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9021:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Terugvordering. Artikel 3:2 Awb brengt mee dat een bestuursorgaan bij de gebruikmaking van zijn bevoegdheid voldoende voortvarend te werk gaat. Binnen een redelijke termijn zekerheid over rechtspositie. Terugvorderingsbesluit eerst 5 jaar eerste terugvorderingshandeling en bijna 7 jaar na opmaken rapport. Grenzen zorgvuldigheidsmaatstaf overtreden.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9021:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>97/6612 AAW</para>
  <para />
  <para />
  <para>U I T S P R A A K</para>
  <para />
  <para />
  <para>in het geding tussen:</para>
  <para />
  <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,</para>
  <para />
  <para>en</para>
  <para />
  <para>A, wonende te B, gedaagde.</para>
  <para />
  <para />
  <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking</para>
    <para>getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het</para>
    <para>Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken</para>
    <para>bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de</para>
    <para>Bedrijfsvereniging voor de Haven- en Aanverwante Bedrijven, Binnenscheepvaart en Visserij.</para>
    <para>In deze uitspraak wordt onder appellant mede verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Appellant heeft bij brief van 21 september 1993 aan gedaagde kennis gegeven van een besluit</para>
    <para>uit hoofde van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), houdende de toepassing van</para>
    <para>artikel 34 van die wet over de periode van 1 januari 1984 tot 1 januari 1988 en de periode</para>
    <para>van 1 januari 1989 tot en met 31 maart 1989, alsmede de terugvordering van een bedrag groot</para>
    <para>f 6.055,76.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Arrondissementsrechtbank te Dordrecht heeft bij uitspraak van 20 juni 1997 het tegen dit</para>
    <para>besluit ingestelde beroep voor zover gericht tegen de terugvorderingsbeslissing gegrond</para>
    <para>verklaard en het besluit in zoverre vernietigd, met opdracht tot het nemen van een nieuw</para>
    <para>besluit binnen 6 weken met inachtneming van het in de uitspraak overwogene, en voor het</para>
    <para>overige ongegrond verklaard.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Appellant is van deze uitspraak op bij aanvullend beroepschrift uiteengezette gronden in</para>
    <para>hoger beroep gekomen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 20 september 2000, waar</para>
    <para>appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr F.W.M. Keunen, werkzaam bij Gak</para>
    <para>Nederland B.V. en waar gedaagde niet is verschenen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>II. MOTIVERING</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Gedaagde heeft sinds 18 november 1981 een uitkering ingevolge de AAW naar een</para>
    <para>arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Hij heeft vanaf 18 augustus 1981 het binnenvaartschip</para>
    <para>"X" geëxploiteerd, waarop, behalve door hemzelf, arbeid werd verricht door zijn zoon en zijn</para>
    <para>echtgenote.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Over de jaren sinds 1982 heeft gedaagde, met vertraging, jaarstukken ingezonden, de stukken</para>
    <para>over 1985, 1986 en 1987 heeft gedaagde aan appellant toegezonden op 1 maart 1989. Na</para>
    <para>ontvangst daarvan heeft appellant de uitkering ingaande 1 april 1989 geschorst en is op</para>
    <para>respectievelijk 22 juni 1989 en 11 juli 1989 verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig</para>
    <para>onderzoek verricht door de Gemeenschappelijke Medische Dienst, hetgeen heeft geleid tot een</para>
    <para>advies van die dienst van 14 augustus 1989 met betrekking tot de mate van</para>
    <para>arbeidsongeschiktheid en toe te passen kortingen wegens inkomsten uit arbeid. Op 19 oktober</para>
    <para>1989 heeft appellant een brief aan gedaagde doen uitgaan, waarin wordt aangegeven dat er</para>
    <para>aanleiding bestaat voor kortingen op de uitkering in verband met gemaakte winst, dat het</para>
    <para>gedaagde redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij te veel uitkering ontving, dat het teveel</para>
    <para>betaalde over de periode van 1 november 1987 tot en met 31 maart 1989 zal worden</para>
    <para>teruggevorderd en dat na afronding van het onderzoek de zaak ter beslissing zal worden</para>
    <para>voorgelegd aan het bestuur, waarna toezending van de voor beroep beslissing zal volgen. Op</para>
    <para>10 juni 1991 heeft gedaagde de jaarstukken over 1989 ingezonden. Op 17 januari 1992 heeft</para>
    <para>de Kleine Commissie uit het bestuur van appellant een besluit genomen dat is neergelegd in</para>
    <para>een voor beroep vatbaar besluit van 16 juli 1992, inhoudende de terugvordering van een</para>
    <para>bedrag groot f 6.055,76 aan ten onrechte betaalde uitkering over de periode van 1 november</para>
    <para>1987 tot en met 31 maart 1989.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Laatstgenoemd besluit is door de rechtbank te Dordrecht bij uitspraak van 27 juli 1993</para>
    <para>vernietigd wegens het ontbreken van een afzonderlijke, aan het terugvorderingsbesluit ten</para>
    <para>grondslag liggende, beslissing met betrekking tot de toepassing van artikel 34 van de AAW.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Hierop heeft appellant, in de uitspraak berustende, het thans bestreden besluit genomen. In</para>
    <para>dit besluit heeft appellant kortingen ex artikel 34 van de AAW toegepast op de uitkering</para>
    <para>over de periode van 1 januari 1984 tot 1 januari 1988 en de periode van 1 januari 1989 tot</para>
    <para>en met 31 maart 1989. Tevens heeft appellant - opnieuw - de ten onrechte betaalde uitkering</para>
    <para>over de periode van 1 november 1987 tot en met 31 maart 1989 ten bedrage van f 6.055,76 van</para>
    <para>gedaagde teruggevorderd, welke terugvordering appellant heeft gebaseerd op artikel 48, lid</para>
    <para>1 aanhef en sub b van de AAW.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het bestreden besluit is aanvankelijk bij uitspraak van de rechtbank van 19 mei 1995</para>
    <para>vernietigd omdat volgens de rechtbank artikel 34 van de AAW, als een inmiddels vervallen</para>
    <para>wetsartikel, niet aan het besluit ten grondslag kon worden gelegd. Deze uitspraak is evenwel</para>
    <para>door deze Raad bij uitspraak van 23 december 1996 vernietigd, met terugwijzing van de zaak</para>
    <para>naar de rechtbank. Daarop heeft de rechtbank bij de thans aangevallen uitspraak het besluit</para>
    <para>in stand gelaten ten aanzien van de toepassing van artikel 34 en ten aanzien van het bestaan</para>
    <para>van de terugvorderingbevoegdheid, doch het besluit vernietigd met betrekking tot de</para>
    <para>gebruikmaking van de terugvorderingsbevoegdheid. Op dit laatste punt heeft de rechtbank</para>
    <para>overwogen dat appellant rekening had moeten houden met de overschrijding van de redelijke</para>
    <para>termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van</para>
    <para>de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), nu tussen de eerste terugvorderingshandeling</para>
    <para>van 19 oktober 1989 en het besluit van 6 juli 1992 32 maanden waren verstreken en tussen die</para>
    <para>handeling en het thans bestreden besluit 47 maanden. Aldus is het besluit volgens de</para>
    <para>rechtbank genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Appellant is van deze uitspraak in hoger beroep gekomen en heeft aangevoerd dat er in dit</para>
    <para>geval voor matiging van het terugvorderingsbedrag geen grond bestaat.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad stelt voorop dat het geschil in hoger beroep beperkt is tot de vraag of gedaagde in</para>
    <para>het kader van zijn bevoegdheid tot terugvordering van het in het bestreden besluit opgenomen</para>
    <para>bedrag tot matiging van dit bedrag had dienen over te gaan.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Dienaangaande merkt de Raad op de benadering van de rechtbank met betrekking tot de</para>
    <para>schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM in die zin niet te kunnen</para>
    <para>volgen, dat de rechtbank naar 's Raads oordeel ten onrechte deze termijn heeft doen</para>
    <para>aanvangen met de brief van appellant van 19 oktober 1989. Voor de aanvang van de genoemde</para>
    <para>termijn is immers tenminste vereist een standpunt van het bestuursorgaan dat voldoende</para>
    <para>omlijnd is om te dienen als object voor aanvechting in rechte door de betrokkene, aan welke</para>
    <para>eis de brief van 19 oktober 1989, gelet op de - hierboven weergegeven - inhoud en het feit</para>
    <para>dat in de brief wordt verwezen naar een nog te nemen beslissing, niet voldoet. Desondanks</para>
    <para>is de Raad, met de rechtbank, van oordeel dat appellant in die mate in strijd heeft</para>
    <para>gehandeld met de zorgvuldigheid, hier in het bijzonder in de zin van voldoende</para>
    <para>voortvarendheid, dat dit niet zonder consequenties voor de terugvordering kan blijven. De</para>
    <para>Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 7 juni 2000, gepubliceerd in USZ</para>
    <para>2000/202, en overweegt, evenals aldaar, dat een belanghebbende als gedaagde er belang bij</para>
    <para>heeft om binnen een redelijke termijn zekerheid te verkrijgen over zijn rechtspositie, niet</para>
    <para>alleen maar zeker ook vanuit het oogpunt van zijn wettelijke bevoegdheid zich tegen een</para>
    <para>besluit als het onderhavige in rechte te verweren.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Vanuit dit uitgangspunt de onderhavige terugvordering beziend, stelt de Raad voorop dat</para>
    <para>deze, gelet op het feit dat over het jaar 1988 geen korting en dus ook geen terugvordering</para>
    <para>is toegepast, betrekking heeft op hetgeen ten onrechte is genoten in twee periodes, te weten</para>
    <para>de periode van 1 november 1987 tot 1 januari 1988 en die van 1 januari 1989 tot en met 31</para>
    <para>maart 1989.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Met betrekking tot het tijdvak in 1987 waren op 14 augustus 1989 de gegevens voorhanden om</para>
    <para>tot de korting en de terugvordering over te gaan, desondanks heeft het, tenslotte, nog tot</para>
    <para>21 september 1993 en derhalve ruim 48 maanden geduurd alvorens het voor beroep vatbare</para>
    <para>besluit aan appellant werd toegezonden. Ten aanzien van het tijdvak in 1989 beschikte</para>
    <para>gedaagde in juni 1991 over de noodzakelijke gegevens, doch heeft het eveneens tot 21</para>
    <para>september 1993 en derhalve 26 maanden geduurd alvorens het voor beroep vatbare besluit werd</para>
    <para>uitgereikt. De Raad rekent in dit verband de periode van behandeling door de rechtbank van</para>
    <para>16 juli 1992 tot 27 juli 1993 in beide gevallen toe aan appellant, nu de rechtbank als</para>
    <para>gevolg van een niet verontschuldigbaar gebrek in de gevalsbehandeling, te weten het niet</para>
    <para>vooraf geven van een "moederbesluit", het aanvankelijke terugvorderingsbesluit heeft vernietigd.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad acht aldus ten aanzien van de terugvordering over 1987 evident een vertraging in de</para>
    <para>gevalsbehandeling aanwezig die tot matiging van het terugvorderingsbedrag dient te leiden,</para>
    <para>terwijl ten aanzien van de terugvordering over 1989 sprake is van een zodanige vertraging</para>
    <para>dat daar in het kader van de gebruikmaking van de terugvorderingsbevoegdheid evenmin geheel</para>
    <para>aan voorbij gegaan kan worden.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad acht in dit verband het beroep dat appellant ter verklaring van de vertraging heeft</para>
    <para>gedaan op de complexiteit van de zaak onder verwijzing naar de complexe winstverdeling</para>
    <para>tussen gedaagde, zijn echtgenote en zijn zoon niet voldoende om tot een ander oordeel te</para>
    <para>komen, in welk kader de Raad er op wijst dat de enige over die winstverdeling aan - de</para>
    <para>gemachtigde van - gedaagde gestelde vraag binnen 5 dagen door deze beantwoord was en voor</para>
    <para>het overige op dit punt, evenals op andere punten van beoordeling, wel is gebleken van</para>
    <para>discussie binnen de organisatie van appellant, maar niet van nader noodzakelijk onderzoek</para>
    <para>of andere factoren die in redelijkheid een excuus voor de vertraging zouden kunnen vormen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het vorenstaande brengt mee dat appellant zich alsnog zal dienen te beraden over de mate</para>
    <para>waarin hij van zijn terugvorderingsbevoegdheid gebruik maakt en dat de aangevallen uitspraak</para>
    <para>in stand kan blijven, behoudens ten aanzien van de opdracht van de rechtbank om binnen 6</para>
    <para>weken een nieuw besluit te nemen, waar de Raad geen noodzaak voor aanwezig acht.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>Dit leidt er toe dat van appellant een recht van f 675,- zal dienen te worden geheven.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding, nu van dergelijke kosten aan</para>
    <para>de kant van gedaagde niet is gebleken.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>Beslist wordt als volgt.</para>
  <para />
  <para />
  <para>III. BESLISSING</para>
  <para />
  <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
  <para />
  <para>Recht doende:</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarin opdracht tot een nader besluit is gegeven;</para>
    <para>Bevestigt die uitspraak voor het overige;</para>
    <para>Bepaalt dat van appellant een recht van f 675,- wordt geheven.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Aldus gegeven door mr N.J. Haverkamp als voorzitter en mr F.P. Zwart en</para>
    <para>mr T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van mr M.F. van Moorst als griffier en</para>
    <para>uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2000.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>                    (get.) N.J. Haverkamp.</para>
  <para />
  <para>                    (get.) M.F. van Moorst.</para>
  <para />
  <para>IS</para>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>