<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9007</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-04T20:18:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB9007</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-11-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">98/1956 AAW/WAO</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002524&amp;artikel=18&amp;g=2000-11-08">Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2001/3 met annotatie van Redactie</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9007">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9007</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:57:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-10-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9007 Centrale Raad van Beroep , 08-11-2000 / 98/1956 AAW/WAO</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9007:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9007:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>98/1956 AAW/WAO</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A, wonende te B, appellante,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale</para>
      <para>verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet</para>
      <para>Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk</para>
      <para>instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de</para>
      <para>betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv</para>
      <para>in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor Bank- en</para>
      <para>Verzekeringswezen Groothandel en Vrije Beroepen. In deze uitspraak</para>
      <para>wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze</para>
      <para>bedrijfsvereniging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 28 oktober 1996 heeft gedaagde de aan appellante</para>
      <para>toegekende uitkeringen ingevolge de Algemene</para>
      <para>Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de</para>
      <para>arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die werden berekend naar</para>
      <para>een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%, met ingang van</para>
      <para>2 december 1996 ingetrokken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te Rotterdam heeft bij uitspraak van 25</para>
      <para>februari 1998 appellantes beroep tegen het besluit van 28 oktober</para>
      <para>1996 ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellante is door mr G.P. Buise, advocaat te Rotterdam,</para>
      <para>tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Van de zijde van gedaagde is een verweerschrift ingezonden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft vervolgens bij brief van 25 januari 2000 op verzoek</para>
      <para>van de Raad nadere vragen beantwoord.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van 11 februari 2000, waar voor</para>
      <para>appellante is opgetreden mr G.P. Buise en waar gedaagde zich heeft</para>
      <para>laten vertegenwoordigen door</para>
      <para>mr J.H. Meijs, werkzaam bij Gak Nederland B.V.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is</para>
      <para>gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband</para>
      <para>waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Op 10 juli 2000 heeft appellante de Raad een brief doen toekomen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is vervolgens ter behandeling aan de orde gesteld ter</para>
      <para>zitting van 27 september 2000, waar partijen niet zijn verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor een uitvoeriger weergave van de hier van belang zijnde feiten</para>
      <para>verwijst de Raad naar rubriek 3 van de aangevallen uitspraak. Hij</para>
      <para>volstaat hier met vermelding van het volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 28 oktober 1996 heeft gedaagde de aan appellante</para>
      <para>toegekende uitkeringen krachtens de AAW en de WAO, die werden</para>
      <para>berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%,</para>
      <para>met ingang van 2 december 1996 ingetrokken. Aan dit besluit ligt</para>
      <para>het standpunt ten grondslag dat appellante uitgaande van de door de</para>
      <para>verzekeringsarts N. Noordhoek-Hulsman ten aanzien van haar</para>
      <para>vastgestelde medische beperkingen met ingang van</para>
      <para>2 december 1996 in staat moet worden geacht met de haar</para>
      <para>voorgehouden functies een zodanig inkomen te verwerven dat geen</para>
      <para>relevant verlies aan verdiencapaciteit resteert.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hetgeen van de zijde van appellante in hoger beroep is aangevoerd</para>
      <para>komt erop neer dat de ten aanzien van haar vastgestelde medische</para>
      <para>beperkingen onjuist zijn omdat daarbij de ernst van haar</para>
      <para>vermoeidheidsklachten is miskend. Namens appellante is verder</para>
      <para>gesteld dat bij een juiste toepassing van de Tica-mededeling M.</para>
      <para>96.122, Richtlijn 'medisch arbeidsongeschiktheidscriterium' van 19</para>
      <para>september 1996 (hierna: de Tica-richtlijn) vast staat dat zij in</para>
      <para>relevante mate arbeidsongeschikt is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt het volgende.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In artikel 18 van de WAO en artikel 5 van de AAW is</para>
      <para>- voor zover in dit verband van belang - bepaald dat</para>
      <para>arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief</para>
      <para>medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap</para>
      <para>of bevalling niet in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen</para>
      <para>gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring met arbeid</para>
      <para>gewoonlijk verdienen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar vaste rechtspraak van de Raad dient dit artikel aldus</para>
      <para>uitgelegd te worden dat slechts sprake is van arbeidsongeschiktheid</para>
      <para>als een verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven</para>
      <para>gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan of mag verrichten.</para>
      <para>Voorts is in de jurisprudentie van de Raad tot uitdrukking gebracht</para>
      <para>dat in bijzondere gevallen kan worden aangenomen dat aan</para>
      <para>laatstgenoemde eis is voldaan, ook al is niet geheel en al</para>
      <para>duidelijk aan welke ziekte of aan welk gebrek het onvermogen arbeid</para>
      <para>te verrichten valt toe te schrijven. In die bijzondere gevallen</para>
      <para>stelt de Raad dan wel als (minimum)eis dat bij de (onafhankelijk)</para>
      <para>medisch deskundigen een vrijwel eenduidige, consistente en naar</para>
      <para>behoren medisch gemotiveerde en verantwoorde opvatting bestaat dat</para>
      <para>de verzekerde als gevolg van ziekte of gebrek niet in staat is de</para>
      <para>betreffende arbeid te verrichten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verzekeringsarts N. Noordhoek-Hulsman heeft op 3 juli 1996</para>
      <para>vastgesteld dat appellante chronische moeheidsklachten heeft</para>
      <para>waarvoor nooit een oorzaak is gevonden, dat bij haar geen</para>
      <para>psychiatrische aandoeningen zijn vastgesteld en dat zij lijdt aan</para>
      <para>een inmiddels met suppletie behandelde hyperthyreoidie. Genoemde</para>
      <para>verzekeringsarts achtte appellante in staat een normale werkweek te</para>
      <para>volbrengen in lichamelijk niet te zwaar werk en met een niet</para>
      <para>excessieve psychische belasting en zij heeft dienovereenkomstig ten</para>
      <para>aanzien van appellante medische beperkingen vastgesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitgaande van deze beperkingen heeft de arbeidsdeskundige C.D. Boer</para>
      <para>functies geselecteerd, met welke functies appellante een zodanig</para>
      <para>inkomen kan verdienen dat in vergelijking met het voor haar</para>
      <para>geldende maatmanloon een verlies aan verdienvermogen resteert van</para>
      <para>ongeveer 1%.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op de beschikbare medische gegevens ziet de Raad geen</para>
      <para>aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de door gedaagdes</para>
      <para>verzekeringsarts N. Noordhoek-Hulsman ten aanzien van appellante</para>
      <para>vastgestelde medische beperkingen. Hij heeft daarbij in aanmerking</para>
      <para>genomen dat deze verzekeringsarts haar zienswijze mede heeft</para>
      <para>gebaseerd op de in het dossier voorhanden medische gegevens,</para>
      <para>waaronder gegevens van appellantes behandelend artsen en ten</para>
      <para>aanzien van appellante in het kader van eerdere procedures over</para>
      <para>haar aanspraak op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen uitgebrachte</para>
      <para>rapporten van de deskundigen B.A. von Bargen, psychiater, en J.J.C.</para>
      <para>Jonker, internist. Laatstbedoelde gegevens bieden naar het oordeel</para>
      <para>van de Raad geen steun voor appellantes stelling dat ten aanzien</para>
      <para>van haar op 2 december 1996 verdergaande medische beperkingen</para>
      <para>gelden dan door de verzekeringsarts</para>
      <para>N. Noordhoek-Hulsman aangenomen. Ook overigens heeft de Raad geen</para>
      <para>aanknopingspunten kunnen vinden voor het oordeel dat appellantes</para>
      <para>belastbaarheid is onderschat. De door appellante in eerste aanleg</para>
      <para>ingezonden verklaring van haar fysiotherapeut - inhoudend dat haar</para>
      <para>vermoeidheid en pijn een oorzaak kan hebben in een whiplashtrauma</para>
      <para>en/of ME - biedt daarvoor onvoldoende steun en appellantes</para>
      <para>gemachtigde heeft ter zitting van 11 februari 2000 medegedeeld dat</para>
      <para>er geen medische gegevens zijn die een ander licht op appellantes</para>
      <para>gezondheidstoestand kunnen werpen. Ook in de in brief van 10 juli</para>
      <para>2000 vervatte mededeling dat een op 28 juni 2000 voorgeschreven</para>
      <para>nieuw medicijn wellicht een remedie voor appellantes klachten</para>
      <para>vormt, ziet de Raad geen grond voor een andersluidend oordeel. Aan</para>
      <para>die mededeling - die appellante in weerwil van haar aankondiging</para>
      <para>niet nader heeft toegelicht- kan niet de gevolgtrekking verbonden</para>
      <para>worden dat de inschatting van appellantes belastbaarheid per 2</para>
      <para>december 1996, uitgaande van de destijds aan haar voorgeschreven</para>
      <para>medicatie, niet juist is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ook in appellantes beroep op de Tica-richtlijn ziet de Raad geen</para>
      <para>grond voor een andersluidend standpunt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In aanmerking genomen dat deze zogenoemde richtlijn niet is gesteld</para>
      <para>als regel op grond van artikel 38 van de toen van toepassing zijnde</para>
      <para>Organisatiewet Sociale Verzekeringen en eerst per 1 maart 1997 door</para>
      <para>gedaagde als beleidsregel is vastgesteld, moet worden vastgesteld</para>
      <para>dat het ten tijde hier van belang bevoegde bestuursorgaan, het</para>
      <para>toenmalige bestuur van de Bedrijfsvereniging voor</para>
      <para>Bank- en Verzekeringswezen Groothandel en Vrije Beroepen, niet</para>
      <para>verplicht was deze richtlijn na te leven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit hetgeen gedaagde dienaangaande desgevraagd heeft medegedeeld,</para>
      <para>leidt de Raad af dat voormeld bestuur de Tica-richtlijn heeft</para>
      <para>opgevat als een verduidelijking van (bij hem) reeds bestaand beleid</para>
      <para>en dat deze was gericht op uniformering van gevalsbehandeling door</para>
      <para>het meer eenduidig formuleren van beoordelingscriteria.</para>
      <para>Bedoeld bestuur heeft tegen die achtergrond na kennisneming van</para>
      <para>meergenoemde richtlijn ermee volstaan zijn verzekeringsartsen</para>
      <para>- opnieuw - te doen voorhouden dat zij bij hun beoordeling dienen</para>
      <para>te onderzoeken welke uitingen van ziekte dan wel ziek zijn aanwezig</para>
      <para>zijn en te bepalen welke consequenties dit heeft voor de</para>
      <para>belastbaarheid en wat te zeggen is van de te verwachten gevolgen</para>
      <para>voor het functioneren van de betrokken verzekerde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad ziet niet dat het toenmalige bestuur van de</para>
      <para>Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen Groothandel en</para>
      <para>Vrije Beroepen ten tijde hier van belang aan de Tica-richtlijn niet</para>
      <para>die betekenis kon en mocht hechten die hij daaraan heeft toegekend:</para>
      <para>te weten, een (her)formulering van door hem reeds volgens bestendig</para>
      <para>beleid gehanteerde uitgangspunten voor de wijze van beoordeling van</para>
      <para>arbeidsongeschiktheid door verzekeringsgeneeskundigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het voorgaande volgt dat de vooronderstelling die aan</para>
      <para>appellantes beroep op de Tica-richtlijn ten grondslag ligt -te</para>
      <para>weten de opvatting dat die richtlijn een ander</para>
      <para>arbeidsongeschiktheidscriterium introduceert en dat een juiste</para>
      <para>toepassing daarvan in het onderhavige geval tot het aannemen van</para>
      <para>verdergaande beperkingen leidt-, niet kan worden gevolgd. Nu niet</para>
      <para>is gesteld of gebleken dat in het onderhavige geval door de</para>
      <para>betrokken verzekeringsarts niet overeenkomstig het destijds door</para>
      <para>het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Bank- en</para>
      <para>Verzekeringswezen Groothandel en Vrije Beroepen gehanteerde beleid</para>
      <para>is gehandeld, ziet de Raad appellantes beroep op de Tica-richtlijn</para>
      <para>niet leiden tot het door haar gewenste resultaat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad overweegt voorts dat ook voor hem voldoende vast staat dat</para>
      <para>appellante uitgaande van de ten aanzien van haar vastgestelde</para>
      <para>medische beperkingen in staat moet worden geacht gedurende hele</para>
      <para>dagen de door de arbeidsdeskundige voor haar geselecteerde functies</para>
      <para>te verrichten. Met deze functies kan appellante een zodanig inkomen</para>
      <para>verdienen dat geen relevant verlies aan verdienvermogen resteert.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een en ander leidt tot de slotsom dat het hoger beroep van</para>
      <para>appellante niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor</para>
      <para>bevestiging in aanmerking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Omdat de Raad in dit geval geen termen ziet toepassing te geven aan</para>
      <para>het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht</para>
      <para>wordt beslist als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr H. van Leeuwen als voorzitter en</para>
      <para>mr W.D.M. van Diepenbeek en mr T. Hoogenboom als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier en uitgesproken in het</para>
      <para>openbaar op 8 november 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) H. van Leeuwen.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) M.H.A. Uri.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>AB</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>