<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9005</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T05:05:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB9005</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-10-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">99/6177 REA</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0009565&amp;artikel=16&amp;g=2000-10-24">Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten 16</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0009565&amp;artikel=16&amp;g=2000-10-24">Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten 16</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0009565&amp;artikel=20&amp;g=2000-10-24">Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten 20</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0009565&amp;artikel=20&amp;g=2000-10-24">Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten 20</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AB 2001, 95 met annotatie van F.J.L. Pennings</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9005">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9005</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:57:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-10-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9005 Centrale Raad van Beroep , 24-10-2000 / 99/6177 REA</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9005:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9005:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>99/6177 REA</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>In het geding tussen:</para>
    <para />
    <para />
    <para>de Stichting X, te Y, appellante,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 14 januari 1999 heeft gedaagde appellante in kennis gesteld van een besluit ter</para>
      <para>uitvoering van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet REA).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het bestreden besluit van 28 april 1999 heeft gedaagde het bezwaar tegen dit besluit</para>
      <para>ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te Zutphen heeft bij de aangevallen uitspraak van 22 november 1999</para>
      <para>het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard. Naar die uitspraak wordt hierbij verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellante is mr E.J. Bonnist, werkzaam bij D.A.S. Nederlandse Rechtsbijstand</para>
      <para>Verzekeringsmaatschappij N.V. te Amsterdam, op bij beroepschrift aangegeven gronden van die</para>
      <para>uitspraak in hoger beroep gekomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad gehouden op 19 september 2000, waar voor appellante</para>
      <para>zijn verschenen A., personeelsfunctionaris van appellante, alsmede mr Bonnist voornoemd, en waar</para>
      <para>gedaagde niet is verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante heeft in verband met de herplaatsing van haar arbeidsongeschikte werknemer B een</para>
      <para>herplaatsingsbudget als bedoeld in artikel 16 van de Wet REA aangevraagd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij primair besluit van 14 januari 1999 is aan appellante een verlaagd herplaatsingsbudget</para>
      <para>toegekend van f 4.445,--, zijnde 20/36 maal de in artikel 16, eerste lid, van de wet REA</para>
      <para>bedoelde eenmalige subsidie van f 8.000,--.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft het bezwaar tegen dit besluit bij het bestreden besluit van 28 april 1999 ongegrond</para>
      <para>verklaard. Daartoe is overwogen dat de te dezen relevante voltijdse dienstbetrekking een omvang</para>
      <para>heeft van 36 uur en dat de werknemer B, waarvoor herplaatsingsbudget is aangevraagd, feitelijk</para>
      <para>voor 20 uur per week is herplaatst in andere arbeid dan de arbeid waarvoor zij ongeschikt is geacht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen verschillen van mening over de door gedaagde toegepaste evenredige verlaging van de in</para>
      <para>artikel 16, eerste lid, van de wet REA bedoelde eenmalige subsidie van f 8.000,--.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellante is aangevoerd dat niet het urenaantal van de feitelijke herplaatsing moet</para>
      <para>worden afgezet tegen het gebruikelijke aantal uren van de voltijdse dienstbetrekking, maar het</para>
      <para>aantal uren waarvoor de oorspronkelijke - en ten tijde in geding - nog altijd bestaande</para>
      <para>dienstbetrekking is aangegaan, zijnde in casu 32 uur. Appellante heeft zich daarbij beroepen</para>
      <para>op de bewoordingen van de wet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft aangevoerd dat artikel 16 van de Wet REA handelt over aan een werkgever te</para>
      <para>verstrekken subsidie in geval van herplaatsing van een arbeidsgehandicapte werknemer in een</para>
      <para>andere functie binnen het bedrijf. Deze subsidie is volgens gedaagde bedoeld voor kosten die</para>
      <para>verband houden met de herplaatsing van deze werknemer. Gedaagde stelt zich op het standpunt dat</para>
      <para>dit artikel erin voorziet dat het te verstrekken subsidiebedrag evenredig wordt verlaagd indien</para>
      <para>de dienstbetrekking voor een geringer aantal uren is aangegaan dan het in de betreffende sector</para>
      <para>van het bedrijfs- en beroepsleven voor een voltijdse dienstbetrekking gebruikelijke aantal uren.</para>
      <para>Voorts moet het herplaatsingsbudget volgens gedaagde worden verlaagd indien de arbeidsgehandicapte</para>
      <para>een tijdelijk dienstverband heeft en de dienstbetrekking binnen de periode van een jaar na</para>
      <para>herplaatsing zal eindigen. Gedaagde meent dat deze regels analoog moeten worden toegepast op een</para>
      <para>situatie als de onderhavige, waarin de dienstbetrekking reeds bestond, aangezien dit naar zijn</para>
      <para>mening uit het systeem van de Wet REA volgt. Gedaagde heeft in dit verband gewezen op artikel 20</para>
      <para>van de Wet REA, in welk artikel hij leest dat een besluit tot vaststelling van een subsidie kan</para>
      <para>worden ingetrokken of herzien indien de dienstbetrekking eindigt, of de arbeid in de</para>
      <para>dienstbetrekking geheel of ten dele niet langer wordt verricht binnen de periode waarvoor de</para>
      <para>subsidie is verstrekt, tenzij de werkgever aannemelijk maakt dat de kosten die hij heeft gemaakt</para>
      <para>ten behoeve van het verrichten van werk door de arbeidsgehandicapte werknemer ten minste gelijk</para>
      <para>zijn aan het bedrag van de verstrekte subsidie. Gedaagde leidt uit dit artikel af dat in de Wet</para>
      <para>REA bewust gekozen is voor een systeem, waarin de hoogte van de subsidie afhankelijk wordt</para>
      <para>gesteld van de omvang van de werkzaamheden van de arbeidsgehandicapte werknemer na reïntegratie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep tegen het bestreden besluit is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De</para>
      <para>rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen:</para>
      <para>"Hoewel uit de redactie van artikel 16, derde lid, van de wet REA, in verbinding gelezen met</para>
      <para>het eerste lid van dat artikel, naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer valt af te</para>
      <para>leiden dat de wetgever het feitelijk aantal uren dat in het kader van de herplaatsing wordt</para>
      <para>gewerkt, bepalend heeft wilen achten voor de hoogte van het toe te kennen herplaatsingsbudget,</para>
      <para>acht de rechtbank voldoende aanknopingspunten voor een zodanig uitgangspunt gelegen in de</para>
      <para>systematiek zoals die overigens in de Wet REA is neergelegd.</para>
      <para>Ingevolge artikel 20, tweede lid, van genoemde wet wordt immers het besluit tot vaststelling</para>
      <para>van een subsidie, als bedoeld in artikel 16 van die wet, ingetrokken of gewijzigd (onder meer)</para>
      <para>indien de arbeid in de dienstbetrekking geheel of ten dele niet langer wordt verricht binnen</para>
      <para>de periode waarvoor de subsidie is verstrekt. Uit deze bepaling blijkt naar het oordeel van</para>
      <para>de rechtbank genoegzaam dat niet het aantal uren waarvoor de dienstbetrekking is aangegaan,</para>
      <para>maar de omvang van de feitelijke herplaatsing, bepalend is te achten voor de hoogte van het</para>
      <para>uiteindelijk te verstrekken herplaatsingsbudget.</para>
      <para>In het licht van het vorenstaande acht de rechtbank verweerders benadering waarbij is</para>
      <para>uitgegaan van de 20 uur waarvoor de betreffende werkneemster, gezien haar medische</para>
      <para>situatie, feitelijk kon worden herplaatst, niet onjuist. In dit verband heeft verweerder</para>
      <para>er eiseres bij schrijven van 3 december 1998 overigens van in kennis gesteld dat een</para>
      <para>herziening van de hoogte van het toegekende budget aan de orde kan zijn, indien verdere</para>
      <para>reÏntegratie-inspanningen resulteren in een verhoging van het aantal daadwerkelijk</para>
      <para>gewerkte uren.</para>
      <para>Nu tussen partijen niet in geding is dat het gebruikelijk aantal uren voor een</para>
      <para>voltijddienstbetrekking in de betreffende sector van het bedrijfs- en beroepsleven 36 uur</para>
      <para>per week bedraagt, moet worden geoordeeld dat op de toe te kennen subsidie van f 8000,- terecht</para>
      <para>een evenredige verlaging van 20/36 is toegepast."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>In hoger beroep hebben partijen gepersisteerd bij hetgeen in eerste aanleg naar voren is gebracht.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet hierop dient de Raad de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit in rechte stand</para>
      <para>houdt. De Raad beantwoordt die vraag, anders dan de rechtbank, ontkennend. Overwogen wordt als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 16 van de Wet REA bepaalt (voor zover hier van belang):</para>
      <para>"1. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen verstrekt op aanvraag van de werkgever</para>
      <para>(...), die een tot hem in dienstbetrekking staande voor de eigen arbeid ongeschikt</para>
      <para>geworden arbeidsgehandicapte werknemer gedurende tenminste een jaar na de subsidievaststelling</para>
      <para>in een andere functie arbeid laat verrichten, een eenmalige subsidie in de vorm van een</para>
      <para>herplaatsingsbudget, ter hoogte van een bedrag van f 8.000,--.</para>
      <para>2. (...)</para>
      <para>3. Indien de dienstbetrekking, bedoeld in het eerste lid, voor een geringer aantal uren is</para>
      <para>aangegaan dan het aantal uren dat voor een voltijddienstbetrekking in de desbetreffende sector</para>
      <para>van het bedrijfs- en beroepsleven gebruikelijk is, of voor bepaalde tijd is aangegaan en</para>
      <para>binnen een periode van een jaar na herplaatsing zal eindigen, wordt het bedrag van de</para>
      <para>subsidie, bedoeld in het eerste lid, evenredig verlaagd.'</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 20, tweede lid, van de wet REA bepaalt dat het besluit tot vaststelling van een subsidie</para>
      <para>als bedoeld in artikel 16 wordt ingetrokken of gewijzigd 'indien de dienstbetrekking eindigt, of</para>
      <para>de arbeid in de dienstbetrekking geheel of ten dele niet langer wordt verricht, binnen de periode</para>
      <para>waarvoor de subsidie is verstrekt, tenzij de werkgever aannemelijk maakt dat de kosten die hij</para>
      <para>heeft gemaakt ten behoeve van het verrichten van arbeid door de arbeidsgehandicapte werknemer</para>
      <para>ten minste gelijk zijn aan het bedrag van de verstrekte subsidie.'</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 20, derde lid, van de Wet REA luidt:</para>
      <para>"Indien de kosten, bedoeld in het tweede lid, lager zijn dan het bedrag van de verstrekte</para>
      <para>subsidie wordt bij de wijziging of intrekking, bedoeld in het tweede lid, de subsidie</para>
      <para>verminderd met een bedrag dat gelijk is aan het verschil tussen de kosten van de werkgever</para>
      <para>en het bedrag van de subsidie, vermenigvuldigd met een breuk, waarvan de teller gelijk is</para>
      <para>aan het aantal zo nodig herleide werkdagen dat de arbeidsgehandicapte werknemer in de</para>
      <para>periode, bedoeld in het tweede lid, de arbeid in dienstbetrekking niet heeft verricht</para>
      <para>en de noemer gelijk is aan het aantal werkdagen in die periode.'</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad - die daarbij doorslaggevende betekenis toekent aan de bewoordingen van dat artikellid -</para>
      <para>verstaat artikel 16, derde lid, van de Wet REA aldus dat de in het eerste lid bedoelde subsidie</para>
      <para>van f 8.000,-- naar evenredigheid wordt verlaagd indien de dienstbetrekking, zoals deze ten tijde</para>
      <para>van het intreden van de ongeschiktheid voor de eigen arbeid van de werknemer bestond, minder uren</para>
      <para>omvatte dan de in de desbetreffende sector van het bedrijfs- of beroepsleven gebruikelijke</para>
      <para>voltijdse dienstbetrekking, alsook indien zich de thans niet aan de orde zijnde situatie voordoet,</para>
      <para>dat een ten tijde van het intreden van de ongeschiktheid bestaande dienstbetrekking voor bepaalde</para>
      <para>tijd zal eindigen binnen een periode van een jaar na de herplaatsing. De Raad heeft daarbij</para>
      <para>in aanmerking genomen dat het derde lid met betrekking tot de situaties waarin de subsidie naar</para>
      <para>evenredigheid wordt verminderd verwijst naar de dienstbetrekking, bedoeld in het eerste lid,</para>
      <para>zoals deze is aangegaan en niet naar de omvang van het aantal uren waarin de herplaatsing</para>
      <para>plaatsvindt waarvoor de subsidie wordt toegekend.</para>
      <para>De Raad kan in de toelichting op deze artikelleden geen overtuigend aanknopingspunt vinden voor</para>
      <para>een andere uitleg dan hiervoor is weergegeven. Zodanig aanknopingspunt wordt evenmin gevonden in</para>
      <para>de samenhang van artikel 16 en artikel 20, tweede en derde lid, van de Wet REA, reeds omdat uit</para>
      <para>de toelichting op laatstgenoemde artikelleden blijkt dat deze bepalingen zien op de situatie dat</para>
      <para>de aangegane dienstbetrekking, dan wel de aanvankelijk overeengekomen arbeid gedurende het</para>
      <para>subsidietijdvak wordt beëindigd. De Raad vindt in de enkele omstandigheid dat de wetgever reden</para>
      <para>heeft gezien de herplaatsingssubsidie te verlagen wanneer een arbeidsgehandicapte deeltijd-werknemer</para>
      <para>wordt herplaatst en wanneer de herplaatsing van een in een tot de werkgever in een</para>
      <para>dienstbetrekking voor bepaalde tijd staande arbeidsgehandicapte werknemer binnen een jaar wordt</para>
      <para>beëindigd, onvoldoende grond om aan te nemen dat de wetgever ook voor ogen heeft gestaan dat de</para>
      <para>subsidie wordt verlaagd wanneer herplaatsing plaatsvindt in een geringer aantal uren dan de</para>
      <para>arbeid waarvoor de werknemer is uitgevallen. Zodanige bedoeling is niet verwoord in de artikelen</para>
      <para>16 en 20 van de Wet REA en er valt evenmin steun voor te vinden in de considerans van deze wet</para>
      <para>waarin - naar de Raad ook heeft overwogen in zijn uitspraak van 8 oktober 1999, USZ 1999/321 - tot</para>
      <para>uitdrukking is gebracht dat de wetgever een krachtige impuls heeft willen geven aan de</para>
      <para>integratie en reïntegratie van arbeidsgehandicapten, met welke considerans een uitleg als</para>
      <para>door gedaagde wordt voorgestaan zich moeilijk laat verenigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aangezien tussen partijen niet in geschil is dat de arbeid waarvoor mevrouw B ongeschikt is</para>
      <para>geworden verricht werd in een dienstbetrekking van 32 uur en dat de gebruikelijke omvang van een</para>
      <para>voltijdse dienstbetrekking in de bedrijfstak 36 uur is, volgt uit het vorenstaande dat appellante</para>
      <para>ingevolge het bepaalde in artikel 16, eerste en derde lid, van de Wet REA recht had op een</para>
      <para>herplaatsingssubsidie van f 7.111,11, zijnde 32/36 maal f 8.000,--.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hieruit vloeit voort dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven en dat dit besluit dient</para>
      <para>te worden vernietigd, evenals de aangevallen uitspraak waarbij het beroep tegen dat besluit</para>
      <para>ongegrond is verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu tevens vaststaat dat appellante recht had op een herplaatsingssubsidie ten bedrage van</para>
      <para>f 7.111,11, zal de Raad zelf voorzien in de zaak als hierna onder III aangegeven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellante is verzocht gedaagde te veroordelen, kennelijk op grond van artikel 8:73 van</para>
      <para>de Algemene wet bestuursrecht (Awb), tot vergoeding van de wettelijke rente.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad overweegt dat uit het vorenstaande volgt dat gedaagde nalatig is gebleven het juiste</para>
      <para>bedrag aan subsidie betaalbaar te stellen met ingang van 14 januari 1999. Uit 's Raads uitspraak</para>
      <para>van 1 november 1995, gepubliceerd in JB 1995/314, volgt dat de eerste dag waarop in casu over het</para>
      <para>bedrag van de niet betaalbaar gestelde subsidie wettelijke rente verschuldigd is, gesteld moet</para>
      <para>worden op 1 februari 1999, alsook dat deze rente verschuldigd is tot aan de dag der algehele</para>
      <para>voldoening toe. Daarbij geldt dat telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de wettelijke</para>
      <para>rente wordt berekend, dient te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht voorts termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te</para>
      <para>veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden</para>
      <para>begroot op f 1.420,-- in beroep en f 1.420,-- in hoger beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in de artikelen 24 en 25, eerste</para>
      <para>lid, van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat het door appellante zowel in eerste</para>
      <para>aanleg als in hoger beroep gestorte griffierecht door gedaagde dient te worden vergoed.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Beslist wordt als volgt.</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>Verklaart het beroep alsnog gegrond en vernietigt het bestreden besluit;</para>
      <para>Bepaalt dat aan appellante een herplaatsingssubsidie toekomt ten bedrage van f 7.111,11;</para>
      <para>Veroordeelt gedaagde tot vergoeding van schade als hiervoor aangegeven;</para>
      <para>Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante, in eerste aanleg tot een bedrag van</para>
      <para>f 1.420,-- en in hoger beroep tot een bedrag groot f 1.420,--;</para>
      <para>Verstaat dat gedaagde aan appellante het gestorte recht van f 1.125,-- vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr M.I. 't  Hooft als voorzitter en mr D.J. van der Vos en mr R.M. van Male</para>
      <para>als leden, in tegenwoordigheid van mr E.W.F. Botenga als griffier en uitgesproken in het</para>
      <para>openbaar op 24 oktober 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) M.I. 't Hooft.</para>
    <para />
    <para>(get.) E.W.F. Botenga.</para>
    <para />
    <para>AB</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>