<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9004</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-04T20:18:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB9004</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-10-31</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">99/4741 WVG</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=3:2&amp;g=2000-10-31">Algemene wet bestuursrecht 3:2</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0006169&amp;artikel=2&amp;g=2000-10-31">Wet voorzieningen gehandicapten 2</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0006169&amp;artikel=3&amp;g=2000-10-31">Wet voorzieningen gehandicapten 3</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2001/14</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9004">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9004</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:57:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-10-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9004 Centrale Raad van Beroep , 31-10-2000 / 99/4741 WVG</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9004:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9004:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>99/4741 WVG</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A, wonende te B, appellante,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het College van burgemeester en wethouders van de</para>
      <para>gemeente Eindhoven, gedaagde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 6 augustus 1997 heeft gedaagde appellante in kennis</para>
      <para>gesteld van het besluit waarbij de haar eerder bij besluit van 29</para>
      <para>april 1997 toegekende financiële tegemoetkoming in de kosten van</para>
      <para>verhuizing en inrichting is ingetrokken. Met dit besluit is</para>
      <para>beoogd uitvoering te geven aan het bepaalde in de op de Wet</para>
      <para>voorzieningen gehandicapten (WVG) steunende Verordening</para>
      <para>voorzieningen gehandicapten van de gemeente Eindhoven (de</para>
      <para>Verordening).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op het tegen het besluit van 6 augustus 1997 door appellante</para>
      <para>gemaakte bezwaar heeft gedaagde bij besluit van</para>
      <para>17 februari 1998 (het bestreden besluit) afwijzend</para>
      <para>beslist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch heeft bij</para>
      <para>uitspraak van 22 juli 1999 het tegen het bestreden</para>
      <para>besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellante heeft mr I.H.M. Hest, advocaat en werkzaam bij</para>
      <para>het Buro voor Rechtshulp te Eindhoven, tegen deze uitspraak hoger</para>
      <para>beroep ingesteld en de Raad op bij aanvullend beroepschrift (met</para>
      <para>bijlagen) aangevoerde gronden verzocht de aangevallen uitspraak</para>
      <para>te vernietigen onder gegrondverklaring van het daartegen</para>
      <para>ingestelde hoger beroep en gedaagde te veroordelen in de kosten</para>
      <para>van dit geding, waaronder de kosten voor beroepsmatig verleende</para>
      <para>rechtsbijstand. Tevens is verzocht gedaagde tot betaling van</para>
      <para>schadevergoeding te veroordelen, bestaande uit de wettelijke</para>
      <para>rente over de ten onrechte niet</para>
      <para>betaalde uitkering (lees: financiële tegemoetkoming), te rekenen</para>
      <para>vanaf de dag waarop het bestreden besluit is genomen tot de dag</para>
      <para>van algehele voldoening.</para>
      <para>Gedaagde heeft bij schrijven van 17 november 1999 van verweer</para>
      <para>gediend en bij brief van 7 juni 2000 nog een inlichting</para>
      <para>verstrekt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante heeft bij brief van 1 september 2000 haar beroep nader</para>
      <para>aangevuld en nog een stuk ingezonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 19</para>
      <para>september 2000, waar appellante in persoon is verschenen,</para>
      <para>bijgestaan door mr Hest, voornoemd, als haar raadsvrouw, en waar</para>
      <para>gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr A.P. Kolev,</para>
      <para>werkzaam bij de gemeente Eindhoven. Tevens is verschenen W.</para>
      <para>Maatman, vanwege de Raad opgeroepen om ter zitting als getuige te</para>
      <para>worden gehoord.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante heeft op 29 augustus 1994 gedaagde verzocht om haar op</para>
      <para>grond van het bepaalde in de Verordening in aanmerking te brengen</para>
      <para>voor een verhuiskostenvergoeding. In het kader van die aanvraag</para>
      <para>is appellante onderzocht door de arts H.F.L. Sanders. Deze heeft</para>
      <para>in zijn rapport van 30 januari 1995 vermeld dat appellante</para>
      <para>maximaal een keer per dag een normale huistrap op en af kan lopen</para>
      <para>en dat de split-level woning van appellante niet adequaat was</para>
      <para>vanwege met name het meerdere malen per dag moeten afleggen van</para>
      <para>de afstand van de voordeur tot de lift (circa 70 meter) en vice</para>
      <para>versa én het herhaaldelijk moeten traplopen. Bij besluit van 6</para>
      <para>februari 1995 heeft gedaagde appellante een financiële</para>
      <para>tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten toegekend tot</para>
      <para>een bedrag van f 3.500,--, welk bedrag bij besluit van 29 april</para>
      <para>1997 is verhoogd tot f 7.500,--.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Medio mei 1997 heeft de woningstichting SWS appellante de</para>
      <para>eengezinswoning P-straat in B te huur aangeboden. In deze woning</para>
      <para>waren geen aanpassingen aangebracht. Appellante heeft deze woning</para>
      <para>na een gesprek op 10 juni 1997 met W. Maatman, werkzaam bij het</para>
      <para>Bureau Voorzieningen van gedaagde, en na overleg met haar</para>
      <para>huisarts A.H.M. Bedaux per 1 juli 1997 gehuurd. Bij brief van 19</para>
      <para>juni 1997 heeft appellantes huisarts laten weten dat de aan</para>
      <para>appellante inmiddels vanwege gedaagde aangeboden aangepaste</para>
      <para>woningen (uitgerust met een traplift) bedoeld waren voor een</para>
      <para>categorie gehandicapten waar appellante beslist niet onder valt.</para>
      <para>Vanwege gedaagde is bij brief van 6 augustus 1997 met verwijzing</para>
      <para>naar voormeld gesprek van 10 juni 1997, aan appellante meegedeeld</para>
      <para>dat de woning in de P-straat niet als adequaat was beoordeeld en</para>
      <para>dat de toegekende financiële tegemoetkoming werd ingetrokken</para>
      <para>omdat appellante een viertal aangepaste woningen was aangeboden</para>
      <para>en verhuizing naar één van die woningen een adequatere en</para>
      <para>goedkopere oplossing was.</para>
      <para>Op 29 augustus 1997 heeft de arts Sanders, voornoemd, appellante</para>
      <para>opnieuw onderzocht. Daarbij is aangegeven dat appellante maximaal</para>
      <para>circa drie keer per dag een normale huistrap op en af kan lopen.</para>
      <para>Op grond van dit advies is appellante in aanmerking gebracht voor</para>
      <para>een aantal woningaanpassingen aan haar woning (keukenblok en</para>
      <para>toiletten) aan de P-straat ten bedrage van f 2.295,31.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de bezwaarfase van dit geding heeft appellante erop gewezen</para>
      <para>dat de intrekking van de haar toegezegde financiële</para>
      <para>tegemoetkoming strijdig is met het rechtszekerheids- en</para>
      <para>vertrouwensbeginsel, dat zij gegronde redenen had om de vanwege</para>
      <para>gedaagde aangeboden woningen te weigeren en dat door gedaagde</para>
      <para>niet duidelijk was gemaakt waarom verhuizing naar één van deze</para>
      <para>woningen een goedkopere adequate oplossing was dan verhuizing</para>
      <para>naar de P-straat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het bestreden besluit heeft gedaagde het besluit tot</para>
      <para>intrekking van de appellante toegekende financiële tegemoetkoming</para>
      <para>gehandhaafd. Daarbij is bestreden dat de intrekking van de</para>
      <para>financiële tegemoetkoming in strijd is met het</para>
      <para>rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, omdat in voormeld</para>
      <para>gesprek van 10 juni 1997 aan appellante kenbaar was gemaakt dat</para>
      <para>de woning aan de P-straat niet geschikt voor haar was en dat bij</para>
      <para>aanvaarding door haar van die woning de verhuiskostenvergoeding</para>
      <para>niet zou worden betaald, aangezien verhuizing naar één van de</para>
      <para>vier aangeboden aangepaste woningen een goedkopere adequater</para>
      <para>oplossing was. Voorts heeft gedaagde zich op het standpunt</para>
      <para>gesteld dat gelet op appellantes beperkingen bij het traplopen de</para>
      <para>aanwezigheid van een traplift in de aangeboden woningen die</para>
      <para>woningen adequater maakten dan de woning aan de P-straat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In beroep heeft appellante bestreden dat in het gesprek van 10</para>
      <para>juni 1997 haar was duidelijk gemaakt dat de woning aan de</para>
      <para>P-straat niet adequaat werd geacht en dat bij aanvaarding van die</para>
      <para>woning de verhuiskostenvergoeding niet zou worden betaald. Voorts</para>
      <para>heeft appellante opnieuw betwist dat de vier door gedaagde</para>
      <para>aangeboden woningen voor haar adequaat waren te achten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het bestreden</para>
      <para>besluit in stand gelaten. Daarbij is overwogen dat van schending</para>
      <para>van het rechtszekerheidsbeginsel en/of het vertrouwensbeginsel</para>
      <para>geen sprake is, omdat als vaststaand moet worden aangenomen dat</para>
      <para>in het gesprek van 10 juni 1997 appellante is meegedeeld dat zij</para>
      <para>bij verhuizing naar de P-straat geen verhuiskostenvergoeding zou</para>
      <para>ontvangen. Voorts heeft de rechtbank het standpunt van gedaagde</para>
      <para>onderschreven dat de woning aan de</para>
      <para>P-straat als een niet-adequate woning moet worden beschouwd. De</para>
      <para>rechtbank heeft zich niet expliciet uitgesproken over de door</para>
      <para>appellante opgeworpen vraag of de vier door gedaagde aangeboden</para>
      <para>woningen voor haar geschikt waren te achten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In hoger beroep heeft appellante haar stelling gehandhaafd dat</para>
      <para>haar in het gesprek op 10 juni 1997 niet was voorgehouden dat zij</para>
      <para>bij verhuizing naar de P-straat de toegezegde</para>
      <para>verhuiskostenvergoeding niet zou ontvangen. Daarbij heeft</para>
      <para>appellante erop gewezen dat zij als bijstandsgerechtigde zeker</para>
      <para>niet het risico had willen lopen dat zij een bedrag van</para>
      <para>f 7.500,-- niet zou ontvangen en in het geval dat die mededeling</para>
      <para>was gedaan niet naar die woning was verhuisd. Voorts heeft</para>
      <para>appellante bestreden dat de P-straat voor haar niet geschikt zou</para>
      <para>zijn, nu sprake is van een stabiele medische situatie en haar</para>
      <para>beperkingen bij het traplopen niet zodanig ernstig zijn dat een</para>
      <para>traplift voor haar is geïndiceerd.</para>
      <para>Gedaagde heeft in hoger beroep volhard in zijn standpunt dat in</para>
      <para>het gesprek van 10 juni 1997 appellante is meegedeeld dat de</para>
      <para>toegezegde verhuiskostenvergoeding niet zou worden betaald bij</para>
      <para>verhuizing naar de P-straat, omdat die woning niet adequaat was.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Mede gelet op het verhandelde ter zitting waarin</para>
      <para>W. Maatman nog eens heeft uiteengezet hoe het gesprek tussen hem</para>
      <para>en appellante op 10 juni 1997 is verlopen, en de overige omtrent</para>
      <para>dit gesprek in de gedingstukken voorkomende gegevens neemt de</para>
      <para>Raad met de rechtbank als vaststaand aan dat appellante in dat</para>
      <para>gesprek is duidelijk gemaakt dat de P-straat voor haar niet</para>
      <para>geschikt werd geacht en dat haar is meegedeeld dat zij bij</para>
      <para>aanvaarding van die woning geen verhuiskostenvergoeding zou</para>
      <para>ontvangen. Evenwel ook als dit laatste in dit gesprek niet</para>
      <para>uitdrukkelijk aan de orde zou zijn gekomen, ziet de Raad niet in</para>
      <para>dat appellante had mogen verwachten dat deze vergoeding tot</para>
      <para>uitbetaling zou komen. Het besluit tot toekenning van deze</para>
      <para>financiële tegemoetkoming kan immers niet los worden gezien van</para>
      <para>de omstandigheid dat de verhuizing van appellante noodzakelijk</para>
      <para>was omdat haar split-level woning uit medisch oogpunt niet</para>
      <para>adequaat was. Het is voor de Raad niet voorstelbaar dat</para>
      <para>appellante niet heeft begrepen dat die vergoeding werd gegeven</para>
      <para>met het oog op de opheffing van die als niet adequaat aangemerkte</para>
      <para>woonsituatie en dat gedaagde geen gevolgen zou verbinden met</para>
      <para>betrekking tot de betaling van die vergoeding, als met de</para>
      <para>verhuizing die niet adequate woonsituatie niet zou worden</para>
      <para>opgeheven. Het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van</para>
      <para>schending van het rechtszekerheidsbeginsel en/of het</para>
      <para>vertrouwensbeginsel wordt door de Raad dan ook onderschreven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Niettemin ziet de Raad het bestreden besluit geen stand houden.</para>
      <para>Daartoe heeft de Raad als volgt overwogen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De mededeling in het gesprek van 10 juni 1997 dat de woning aan</para>
      <para>de P-straat voor appellante niet adequaat is, berust, naar ter</para>
      <para>zitting door W. Maatman desgevraagd is bevestigd, op het advies</para>
      <para>van 30 januari 1995 van de medisch adviseur Sanders en in het</para>
      <para>bijzonder op de vermelding dat appellante maximaal één keer per</para>
      <para>dag de trap op en af kon lopen. Gelet op het advies van 29</para>
      <para>augustus 1997 van deze arts dat appellante circa drie keer per</para>
      <para>dag de trap op en af kan lopen, moet worden vastgesteld dat de</para>
      <para>vraag of de woning aan de P-straat niet adequaat is, gebaseerd is</para>
      <para>geweest op een advies dat op een essentieel onderdeel niet wordt</para>
      <para>geschraagd door het advies van 29 augustus 1997. De Raad neemt</para>
      <para>daarbij aan (partijen hebben dit ook niet bestreden) dat dit</para>
      <para>advies de medische beperkingen van appellante ten tijde hier in</para>
      <para>geding juist beschrijft.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar 's Raads oordeel had een zorgvuldige besluitvorming door</para>
      <para>gedaagde in de bezwaarfase van dit geding met zich gebracht dat</para>
      <para>de vraag of de woning aan de P-straat terecht als niet adequaat</para>
      <para>was aangemerkt, bij het licht van dit advies was heroverwogen.</para>
      <para>Dit advies rept daarover immers niet en gaat er kennelijk van uit</para>
      <para>dat met enige lichte aanpassingen de woning van appellante aan de</para>
      <para>P-straat geschikt (te maken) was en dat een traplift in die</para>
      <para>woning niet noodzakelijk was. Voorts wijst de Raad erop dat in</para>
      <para>het eerdere advies van 30 januari 1995 de noodzaak van verhuizing</para>
      <para>wordt gegrond op de omstandigheid dat sprake was van een</para>
      <para>split-level woning waaraan, door de niveauverschillen in deze</para>
      <para>woning, veel traplopen inherent is, en het gegeven dat meerdere</para>
      <para>malen per dag een afstand van zeventig meter van de voordeur tot</para>
      <para>de lift en terug moest worden afgelegd. Die omstandigheden deden</para>
      <para>zich in de woning aan de P-straat niet voor. De Raad ziet temeer</para>
      <para>reden voor heroverweging nu ter zitting door W. Maatman is</para>
      <para>aangegeven dat het voor de beoordeling door hem of de woning aan</para>
      <para>de P-straat adequaat was, verschil had uitgemaakt als hij bekend</para>
      <para>had kunnen zijn geweest met de visie van de arts Sanders dat</para>
      <para>appellante circa drie keer per dag de trap op en af kon lopen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Al het hiervoor overwogene in aanmerking nemend is de Raad van</para>
      <para>oordeel dat het bestreden intrekkingsbesluit vanwege een</para>
      <para>onvoldoende zorgvuldige voorbereiding niet in stand kan blijven.</para>
      <para>Gedaagde dient een nieuw besluit op het bezwaar van appellante te</para>
      <para>nemen, waarbij de vraag of de P-straat uit medisch oogpunt voor</para>
      <para>appellante geschikt is te achten met inachtneming van alle van</para>
      <para>belang zijnde omstandigheden door gedaagde dient te worden</para>
      <para>beantwoord. Zo gedaagde nader medisch onderzoek van appellante</para>
      <para>voor de beantwoording van deze vraag uit een oogpunt van</para>
      <para>zorgvuldige besluitvorming noodzakelijk acht, mag hij zich vrij</para>
      <para>achten appellante opnieuw medisch te laten onderzoeken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante heeft verzocht gedaagde te veroordelen in de schade</para>
      <para>aan de kant van appellante ex artikel 8:73 van de Algemene wet</para>
      <para>bestuursrecht (Awb). Uit het hiervoor overwogene blijkt dat het</para>
      <para>bestreden besluit wordt vernietigd op grond van gebreken in de</para>
      <para>totstandkoming ervan en dat gedaagde een nader besluit dient te</para>
      <para>nemen.</para>
      <para>Daarom ligt het thans niet op de weg van de Raad om zich over</para>
      <para>mogelijke schade uit te spreken omdat nog niet vaststaat hoe het</para>
      <para>nader besluit zal gaan luiden.</para>
      <para>Gedaagde zal bij het nemen van een nader besluit tevens aandacht</para>
      <para>moeten besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om schade</para>
      <para>te vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de</para>
      <para>Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in</para>
      <para>beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op f</para>
      <para>1.775,-- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en f</para>
      <para>1.420,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. Andere op</para>
      <para>grond van dat artikel te vergoeden kosten zijn niet gevorderd en</para>
      <para>daarvan is de Raad ook niet gebleken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Beslist wordt als hierna is aangegeven.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>III. BESLISSING</para>
      <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>Verklaart het inleidend beroep alsnog gegrond;</para>
      <para>Vernietigt het bestreden besluit;</para>
      <para>Verstaat dat gedaagde een nieuw besluit neemt op het bezwaar van</para>
      <para>appellante met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is</para>
      <para>overwogen;</para>
      <para>Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in beroep</para>
      <para>en in hoger beroep tot een bedrag groot</para>
      <para>f 3.195,--;</para>
      <para>Verstaat dat gedaagde aan appellante het gestorte recht van f</para>
      <para>225,-- vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr M.I. 't Hooft als voorzitter en</para>
      <para>mr D.J. van der Vos en mr R.M. van Male als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van mr E.W.F. Botenga als griffier en</para>
      <para>uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) M.I. 't Hooft.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) E.W.F. Botenga.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>AB</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>