<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8997</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-04T20:18:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8997</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AG8657</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-09-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">99/3245 ZW en 99/3246 AAW/WAO</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=3&amp;g=2000-09-26">Algemene bijstandswet 3</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002524&amp;artikel=18&amp;g=2000-09-26">Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2000/285 met annotatie van Redactie</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8997">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8997</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:57:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2007-04-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8997 Centrale Raad van Beroep , 26-09-2000 / 99/3245 ZW en 99/3246 AAW/WAO</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8997:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Resterende verdiencapaciteit. Reistijd. Motivering.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8997:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>99/3245 ZW</para>
      <para>99/3246 AAW/WAO</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in de gedingen tussen:</para>
    <para />
    <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>A., wonende te B., gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale</para>
      <para> verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de</para>
      <para>Invoeringswet organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt</para>
      <para> het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de</para>
      <para>plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de</para>
      <para>Bedrijfsvereniging voor Hotel-, Restaurant-, Café-, Pension- en aanverwante bedrijven. In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 3 januari 1995 heeft appellant gedaagde in kennis</para>
      <para> gesteld van een besluit ter uitvoering van de Algemene</para>
      <para>Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) (besluit 1).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 26 februari 1996 heeft appellant gedaagde in</para>
      <para> kennis gesteld van een besluit ter uitvoering van de Ziektewet</para>
      <para>(besluit 2).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te Utrecht heeft bij uitspraak van</para>
      <para> 10 mei 1999 de tegen deze besluiten ingestelde beroepen gegrond verklaard en de besluiten vernietigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft op in het aanvullend beroepschrift vermelde</para>
      <para> gronden hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens gedaagde heeft mr S.M. van der Sijs, advocaat te Baarn,</para>
      <para> een verweerschrift ingezonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op</para>
      <para> 15 augustus 2000, waar partijen -zoals aangekondigd- niet zijn</para>
      <para> verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de aangevallen uitspraak -waarin appellant als verweerder</para>
      <para> en gedaagde als eiseres zijn aangeduid- wordt het volgende</para>
      <para>overzicht van feiten ontleend:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"Eiseres, geboren in 1945, was sedert 1 juni 1981 gedurende 20</para>
      <para> uur per week werkzaam als cateringsmedewerkster bij X. BV.</para>
      <para>Laatstelijk op 23 augustus 1993 is zij arbeidsongeschikt</para>
      <para> geworden als gevolg van nek-, arm-, rug- en</para>
      <para>rechterknieklachten. Terzake van deze arbeidsongeschiktheid</para>
      <para> heeft eiseres gedurende de maximale periode een uitkering</para>
      <para>ingevolge de ZW ontvangen. Per 22 augustus 1994 heeft</para>
      <para> verweerder haar vervolgens uitkeringen ingevolge de AAW en de</para>
      <para>WAO toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid</para>
      <para> van 80 tot 100%.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder erkent dat eiseres voornoemde klachten heeft doch</para>
      <para> acht haar met ingang van 28 februari 1995 in staat om gedurende 20 uur per week licht, voornamelijk zittend uit te voeren werk</para>
      <para> te verrichten. De aan die arbeid verbonden belasting moet liggen binnen de grenzen van het ten aanzien van eiseres door</para>
      <para> de verzekeringsgeneeskundige J.W. Smits opgestelde Formulier</para>
      <para> Functie Informatie Systeem vg/ad van 19 oktober 1994 en de</para>
      <para> verwoording belastbaarheid van 12 december 1994. Voorbeelden van dergelijke arbeidsmogelijkheden zijn vermeld in de</para>
      <para> rapportages algemeen van de arbeidsdeskundige H. Teeuw van 19 december 1994 en 1 mei 1996. Met die arbeid zou eiseres een</para>
      <para> zodanig inkomen kunnen verdienen dat haar verlies aan</para>
      <para> verdiencapaciteit minder dan 15% bedraagt."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dienovereenkomstig heeft appellant bij besluit 1 de</para>
      <para> AAW/WAO-uitkering van gedaagde ingetrokken per</para>
      <para>28 februari 1995.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft zich, terwijl zij een uitkering ontving</para>
      <para> ingevolge de Werkloosheidswet, op 15 december 1995 ziek gemeld</para>
      <para>in verband met klachten aan haar rechterknie.</para>
      <para>Nadat zij op 26 februari 1996 laatstelijk is onderzocht door de</para>
      <para> verzekeringsarts en geschikt werd geacht voor de aan haar in</para>
      <para>het kader van de AAW/WAO-afschatting geduide functies, is bij besluit 2 het ziekengeld per 4 maart 1996 ingetrokken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op verzoek van de rechtbank heeft orthopedisch chirurg J.H.</para>
      <para> Postma te Bilthoven in zijn rapport van 18 augustus 1997 als</para>
      <para>deskundige van verslag en advies gediend. Deze deskundige stelt</para>
      <para> dat gedaagde onder meer in verband met haar knieklachten fors was beperkt in het staan, lopen, traplopen en langdurig zitten</para>
      <para> met een gebogen knie. Hij kon zich evenwel verenigen met het opgestelde belastbaarheidspatroon en met de geduide functies.</para>
      <para>Daarbij merkte hij op dat, gezien de beperkingen van gedaagde,</para>
      <para> de functies normaal bereikbaar zouden moeten zijn.</para>
      <para>Desgevraagd heeft appellant bij rapport van 30 september 1998 een overzicht opgesteld van de reistijd per openbaar vervoer</para>
      <para>van het station B. - de woonplaats van gedaagde - naar de</para>
      <para> vestigingsplaats van het bedrijf waar de desbetreffende</para>
      <para>functies zich bevinden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De deskundige Postma heeft in een nader rapport van</para>
      <para> 29 december 1998 meegedeeld, dat in verband met haar</para>
      <para>beperkingen de gang van gedaagde naar het openbaar vervoer</para>
      <para> maximaal een kwartier kan zijn en dat zij maximaal een half uur - zittend - kan reizen. In totaal acht hij een woon-werk</para>
      <para> afstand van maximaal een uur reëel.</para>
      <para>Hij concludeert dat het merendeel van de door appellant</para>
      <para> aangegeven reistijden de functionele capaciteit van gedaagde te</para>
      <para>boven gaat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft geoordeeld dat, nu het in het onderhavige</para>
      <para> geval gaat om een verzekerde die om medische redenen op een werkdag maximaal een uur mag reizen, vast moet komen te staan</para>
      <para> dat de voorgehouden functies aan de eis van de maximale reistijd voldoen. Indien uitsluitend op de resultaten van de</para>
      <para> selectieprocedure via het Functie Informatie Systeem zou worden</para>
      <para> afgegaan, zouden de functies niet beantwoorden aan het vereiste</para>
      <para> van voldoende realiteitswaarde.</para>
      <para>Aangezien uit de gedingstukken niet valt af te leiden dat voor gedaagde drie functies aanwijsbaar zijn die voldoen aan het</para>
      <para>vereiste van de door de deskundige gestelde maximale reistijd,</para>
      <para> heeft de rechtbank besluit 1 in strijd geacht met artikel 5 van</para>
      <para>de AAW en artikel 18 van de WAO en dit besluit vernietigd.</para>
      <para>Gelet op deze conclusie heeft de rechtbank tevens besluit 2 vernietigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft in hoger beroep ingestemd met het oordeel van</para>
      <para> de rechtbank dat bij een schatting rekening moet worden</para>
      <para>gehouden met uit medische beperkingen voortvloeiende beperkingen van de reistijd en vervoersproblemen. Appellant</para>
      <para>bestrijdt evenwel de vaststelling door de deskundige van de</para>
      <para> maximale reistijd van gedaagde per openbaar vervoer.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad stelt vast dat niet langer in geschil is dat bij de</para>
      <para> schatting rekening moet worden gehouden met uit medische</para>
      <para>beperkingen voortvloeiende beperkingen ten aanzien van reizen</para>
      <para> tussen woning en werk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad merkt op dat de deskundige Postma in zijn rapport van</para>
      <para> 29 december 1998 stelt dat voor gedaagde bij reizen met</para>
      <para>openbaar vervoer voor de woon-werk afstand een reistijd van maximaal één uur reëel is. Deze vaststelling volgt op de</para>
      <para>daaraan voorafgaande opmerkingen dat gedaagde een maximum van</para>
      <para> een kwartier moet aanhouden voor het gaan naar het openbaar vervoer en in het openbaar vervoer niet langer dan een half uur</para>
      <para> aaneengesloten kan zitten.</para>
      <para>Uit deze vaststelling blijkt dat de norm van maximaal één uur reistijd geldt voor zowel de reis van huis naar werk als voor</para>
      <para>de reis van werk naar huis. De rechtbank heeft ten onrechte uit</para>
      <para> het advies van de deskundige afgeleid dat gedaagde op een</para>
      <para>werkdag in totaal slechts maximaal één uur mag reizen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad is van oordeel dat de deskundige in zijn genoemde rapport zijn standpunt over de reistijd in voldoende mate heeft</para>
      <para>gemotiveerd. De Raad ziet daarom geen aanknopingspunten om van</para>
      <para> het standpunt van de deskundige af te wijken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Indien de door de deskundige vastgestelde beperkingen ten</para>
      <para> aanzien van het reizen met openbaar vervoer in aanmerking</para>
      <para>worden genomen bij de selectie van functies, blijkt uit het rapport van 30 september 1998 van appellant dat uitsluitend de</para>
      <para>functie: medewerker uitprijsafdeling binnen het kader van de</para>
      <para> gestelde beperkingen lijkt te vallen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit betekent dat indien gedaagde is aangewezen op openbaar</para>
      <para> vervoer voor het reizen tussen woning en werk, de schatting</para>
      <para>geen stand kan houden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad merkt hierbij nog op dat de door appellant gestelde</para>
      <para> taxi-service vanwege de NS, gezien de gedingstukken, ten tijde</para>
      <para>in geding niet aanwezig was.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft overigens niet aangetoond dat gedaagde met een</para>
      <para> andere vorm van vervoer met inachtneming van haar beperkingen zodanig kan reizen, dat tenminste drie van de geduide functies</para>
      <para> bereikbaar zijn.</para>
      <para>Besluit 1 berust daarom niet op een deugdelijke motivering als vereist door artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht</para>
      <para>(Awb).</para>
      <para>Het besluit is dan ook terecht door de rechtbank vernietigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Gelet op het bovenstaande kan besluit 2 evenmin stand houden.</para>
    <para />
    <para>Het bovenvermelde leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht op grond van artikel 8:75 van de Awb termen</para>
      <para> aanwezig appellant in verband met het hoger beroep te</para>
      <para>veroordelen in de proceskosten van gedaagde, welke kosten</para>
      <para> worden begroot op f 710,-- aan kosten voor rechtsbijstand.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde ten</para>
      <para> bedrage van f 710,--;</para>
      <para>Bepaalt dat van appellant een recht wordt geheven van f 675,--.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr Ch. van Voorst als voorzitter en mr Ch.J.G. Olde Kalter en mr R.M. van Male als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van mr E.W.F. Botenga als griffier, en</para>
      <para> uitgesproken in het openbaar op 26 september 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) Ch. van Voorst.</para>
    <para />
    <para>(get.) E.W.F. Botenga.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>JdB</para>
      <para>0809</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>