<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8991</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T19:50:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ECLI:NL:CRVB:2000:BP8154</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8991</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-10-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">98/7632 NABW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=3&amp;g=2000-10-17">Algemene bijstandswet 3</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=63&amp;g=2000-10-17">Algemene bijstandswet 63</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 2000, 259</rdf:li>
          <rdf:li>JABW 2000, 190</rdf:li>
          <rdf:li>Gst. 2001-7140, 10 met annotatie van W.P.F. de Bruijn</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2000/307</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8991">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8991</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:57:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-10-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8991 Centrale Raad van Beroep , 17-10-2000 / 98/7632 NABW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8991:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8991:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>98/7632 NABW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A, wonende te B, appellante,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het College van burgemeester en wethouders van de</para>
      <para>gemeente Mierlo, gedaagde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellante is op bij een aanvullend</para>
      <para>beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep</para>
      <para>ingesteld tegen een door de Arrondissementsrechtbank</para>
      <para>te 's-Hertogenbosch op 8 september 1998 tussen</para>
      <para>partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt</para>
      <para>verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellante zijn bij brief van 23 november 1999</para>
      <para>nadere stukken aan de Raad gezonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld op</para>
      <para>de zitting van 5 september 2000. Partijen zijn niet</para>
      <para>verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 25 februari 1997 heeft gedaagde</para>
      <para>appellantes uitkering ingevolge de Algemene</para>
      <para>bijstandswet (Abw) met ingang van 1 januari 1997</para>
      <para>beëindigd op de grond dat de woonstede van appellante</para>
      <para>zich niet in B bevindt (artikel 63 van de Abw). Bij</para>
      <para>besluit, eveneens van 25 februari 1997, heeft gedaagde</para>
      <para>over de periode van 1 januari 1996 tot en met 31</para>
      <para>december 1996 een bedrag van f 23.877,26 aan ten</para>
      <para>onrechte betaalde bijstand teruggevorderd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellantes bezwaar tegen beide besluiten is bij</para>
      <para>besluit van 6 mei 1997 ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellante is beroep ingesteld tegen het</para>
      <para>besluit van 6 mei 1997.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft in haar uitspraak het bezwaar tegen</para>
      <para>het terugvorderingsbesluit van 25 februari 1997 alsnog</para>
      <para>niet-ontvankelijk verklaard, met gegrondverklaring van</para>
      <para>het beroep en vernietiging van het bestreden besluit</para>
      <para>terzake van dit onderdeel. Het beroep tegen het</para>
      <para>bestreden besluit, betreffende de beëindiging per 1</para>
      <para>januari 1997 van appellantes bijstandsuitkering is</para>
      <para>ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hoger beroep van appellante betreft de aangevallen</para>
      <para>uitspraak, voorzover daarbij haar beroep tegen het</para>
      <para>besluit van 6 mei 1997 ongegrond is verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt het volgende.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge het bepaalde in artikel 63, eerste lid, van</para>
      <para>de Abw bestaat recht op bijstand jegens burgemeester</para>
      <para>en wethouders van de gemeente waar de belanghebbende</para>
      <para>woonplaats heeft als bedoeld in Titel 3 van Boek 1 van</para>
      <para>het Burgerlijk Wetboek (BW).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de geschiedenis van totstandkoming van deze</para>
      <para>bepaling blijkt dat de wetgever door aansluiting te</para>
      <para>zoeken bij het woonplaatsbegrip in het BW heeft beoogd</para>
      <para>het aantal domiciliebepalingen in de Abw te</para>
      <para>verminderen en dat in verband met artikel 1:10, eerste</para>
      <para>lid, van het BW als hoofdregel is aangehouden dat als</para>
      <para>gemeente van bijstand is aangewezen de gemeente waar</para>
      <para>belanghebbende zijn woonstede heeft, en bij gebreke</para>
      <para>van een woonstede, de plaats van zijn werkelijk</para>
      <para>verblijf.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vraag, waar iemand een woonplaats heeft als bedoeld</para>
      <para>in artikel 63 van de Abw, dient naar het oordeel van</para>
      <para>de Raad - zoals eveneens geschiedt bij het bepalen van</para>
      <para>het hoofdverblijf in de zin van artikel 3, tweede lid,</para>
      <para>van de Abw - te worden beantwoord aan de hand van de</para>
      <para>feitelijke omstandigheden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Blijkens het rapport van 30 januari 1997 van de</para>
      <para>sociaal rechercheur N.H. Persoon heeft appellante op</para>
      <para>29 januari 1997 verklaard dat zij sinds twee jaar een</para>
      <para>kamer heeft bij C (verder te noemen: C), D-straat te</para>
      <para>E, dat zij twee dagen per week bij haar dochter in F</para>
      <para>verblijft, op zaterdagochtend bij haar schoonzuster en</para>
      <para>de rest van de week bij C. Bij huisbezoek op het door</para>
      <para>appellante opgegeven woonadres G-straat te B bleek in het</para>
      <para>geheel niet van feitelijke bewoning; zo was de</para>
      <para>koelkast uitgeschakeld, stonden alle klokken stil en</para>
      <para>ontbraken etenswaren en toiletartikelen. Een en ander</para>
      <para>heeft bevestiging gevonden in de extreem lage</para>
      <para>meterstanden van gas- en waterverbruik; zo bleek de</para>
      <para>meterstand van het waterverbruik ten tijde van het</para>
      <para>huisbezoek gelijk aan de door appellante ruim vier</para>
      <para>maanden voordien (op 16 september 1996) opgegeven</para>
      <para>stand.</para>
      <para>Ten slotte heeft appellante in een aan gedaagde</para>
      <para>gericht (ongedateerd) schrijven na de beëindiging van</para>
      <para>haar uitkering bevestigd dat zij anderhalf jaar op</para>
      <para>genoemd adres in E heeft gewoond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het hiervoor overwogene is de Raad van</para>
      <para>oordeel dat de woonplaats van appellante ten tijde van</para>
      <para>de intrekking van haar Abw-uitkering niet B was, zodat</para>
      <para>zij jegens gedaagde geen recht op bijstand had. De</para>
      <para>omstandigheid, dat de bijgevolg terechte intrekking</para>
      <para>van de uitkering met terugwerkende kracht heeft</para>
      <para>plaatsgevonden, levert naar 's Raads oordeel geen</para>
      <para>strijd met het rechtszekerheidsbeginsel op, nu</para>
      <para>appellante zonder daarvan mededeling aan gedaagde te</para>
      <para>doen ten minste anderhalf jaar voor de intrekking van</para>
      <para>haar uitkering niet meer in B woonde, en in</para>
      <para>redelijkheid niet kon verwachten dat zij recht bleef</para>
      <para>houden op bijstandsuitkering van de gemeente Mierlo.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vorenstaande leidt tot bevestiging van de</para>
      <para>aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te</para>
      <para>geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene</para>
      <para>wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover</para>
      <para>aangevochten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door mr J.G. Treffers als voorzitter en</para>
      <para>mr Ch. de Vrey en mr drs N.J. van Vulpen-Grootjans als</para>
      <para>leden, in tegenwoordigheid van</para>
      <para>I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg als griffier, en</para>
      <para>uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) J.G. Treffers.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>JdB</para>
      <para>1710</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>