<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8980</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-04T20:18:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8980</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-10-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">98/8278 WVG</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2000/295</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8980">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8980</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:57:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-10-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8980 Centrale Raad van Beroep , 10-10-2000 / 98/8278 WVG</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8980:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8980:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>98/8278 WVG</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A, wonende te B, appellante,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het College van Burgemeester en Wethouders van de</para>
      <para>gemeente Renkum, gedaagde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellante is mr J.C.M. Bonnier, advocaat te</para>
      <para>Groesbeek, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden</para>
      <para>in hoger beroep gekomen van een op 27 oktober 1998 door de</para>
      <para>Arrondissementsrechtbank te Arnhem tussen partijen gegeven</para>
      <para>uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op</para>
      <para>26 november 1999, waar appellante in persoon is verschenen</para>
      <para>bijgestaan door mr E.E.M. Messink, kantoorgenote van haar</para>
      <para>gemachtigde mr Bonnier, en waar gedaagde zich heeft laten</para>
      <para>vertegenwoordigen door mr R.S. van Delft, werkzaam bij de</para>
      <para>gemeente Renkum.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Ter zitting is het onderzoek geschorst.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft bij brieven van 21 december 1999 en</para>
      <para>31 januari 2000 enige inlichtingen verstrekt, waarop</para>
      <para>appellante bij brief van 9 februari 2000 heeft gereageerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft het door hem ingenomen standpunt nader</para>
      <para>toegelicht bij brief van 13 maart 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting is hervat op 19 juni 2000 waarvoor</para>
      <para>appellante is verschenen mr Bonnier, voornoemd, en voor</para>
      <para>gedaagde mr R.S. van Delft, voornoemd.</para>
      <para>Na een kort overleg tussen partijen is het onderzoek ter</para>
      <para>zitting wederom geschorst teneinde partijen in de gelegenheid</para>
      <para>te stellen tot een schikking te komen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 22 juni 2000 heeft gedaagde de Raad bericht dat</para>
      <para>partijen niet tot overeenstemming zijn gekomen en de Raad</para>
      <para>verzocht uitspraak te doen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Elk der partijen heeft, desgevraagd, schriftelijk toestemming</para>
      <para>verleend voor afdoening buiten zitting.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor een uitvoerige weergave van de voor dit geding relevante</para>
      <para>feiten en omstandigheden alsmede de van toepassing zijnde</para>
      <para>regelgeving verwijst de Raad naar hetgeen daaromtrent terzake</para>
      <para>in de aangevallen uitspraak is vermeld.</para>
      <para>Kortheidshalve vermeldt de Raad hier dat gedaagde bij besluit</para>
      <para>op bezwaar van 17 maart 1998 zijn eerder gedane afwijzing van</para>
      <para>het verzoek van appellante om in aanmerking te worden gebracht</para>
      <para>voor een traplift heeft gehandhaafd. Dit besluit steunt op het</para>
      <para>bepaalde in de op de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG)</para>
      <para>gebaseerde Verordening voorzieningen gehandicapten van de</para>
      <para>gemeente Renkum (de Verordening). Gedaagde heeft die afwijzing</para>
      <para>gemotiveerd met de stelling dat verhuizing naar een</para>
      <para>gelijkvloerse woning de goedkoopst adequate oplossing in de</para>
      <para>zin van de Verordening is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het bestreden</para>
      <para>besluit in stand gelaten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het kader van het hoger beroep is van de zijde van</para>
      <para>appellante onder meer aangevoerd dat verhuizing naar een</para>
      <para>zonder trap te bereiken gelijkvloerse woning voor haar een</para>
      <para>adequate oplossing had kunnen zijn, ware het niet dat blijkens</para>
      <para>al vóór de afwijzing gedane uitlatingen van onder meer de</para>
      <para>plaatselijke woningbouwvereniging een dergelijke woning niet,</para>
      <para>althans moeilijk voor haar te verkrijgen was.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 2.1 aanhef en onder a van de Verordening kan</para>
      <para>gedaagde een woonvoorziening treffen bestaande uit een</para>
      <para>financiële tegemoetkoming in de kosten van verhuizing en</para>
      <para>herinrichting. Ingevolge onderdeel b van dit artikel kan</para>
      <para>gedaagde ook een andere woonvoorziening verstrekken bestaande</para>
      <para>in een tegemoetkoming in de kosten van woningaanpassing.</para>
      <para>Gedaagde hanteert daarbij het zogeheten primaat van de</para>
      <para>verhuizing, hetgeen er op neerkomt dat gedaagde een</para>
      <para>tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten verstrekt</para>
      <para>als dit de goedkoopst adequate oplossing is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad heeft al eerder als zijn zienswijze kenbaar gemaakt</para>
      <para>(vide USZ 99/283 en JSV 00/33) dat het primaat van de</para>
      <para>verhuizing in beginsel niet in strijd is met de in de WVG</para>
      <para>neergelegde bepalingen. Daarbij heeft de Raad evenwel</para>
      <para>opgemerkt dat uit die bepalingen tevens voortvloeit dat het</para>
      <para>gemeentebestuur niet voorbij mag gaan aan omstandigheden die</para>
      <para>in een concreet geval de realisering van voormeld primaat</para>
      <para>(zouden kunnen) belemmeren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In aansluiting hierop overweegt de Raad dat van het</para>
      <para>gemeentebestuur onder omstandigheden, indien het ontbreken van</para>
      <para>mogelijkheden om (binnen op medisch aanvaardbare termijn) te</para>
      <para>verhuizen door betrokkene -zoals in casu- geadstrueerd en</para>
      <para>gemotiveerd is aangegeven, mag worden verwacht dat in het</para>
      <para>kader van de besluitvorming daaraan expliciet aandacht wordt</para>
      <para>besteed en dat in het besluit enige indicatie wordt gegeven</para>
      <para>omtrent concrete mogelijkheden om binnen evenvermelde termijn</para>
      <para>verhuizing naar een passende woning te realiseren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad moet vaststellen dat in het bestreden besluit van een</para>
      <para>onderbouwing als hiervoor bedoeld geen sprake is. Dit besluit</para>
      <para>komt reeds op deze grond met de aangevallen uitspraak waarbij</para>
      <para>dit in stand is gelaten, voor vernietiging in aanmerking.</para>
      <para>Hetgeen overigens in hoger beroep is aangevoerd behoeft gelet</para>
      <para>hierop geen bespreking meer.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van</para>
      <para>de Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de</para>
      <para>proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze</para>
      <para>kosten bedragen f 1.420,-- voor verleende rechtsbijstand in</para>
      <para>beroep en f 1.775,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger</para>
      <para>beroep en f 33,15 aan reiskosten. Andere op grond van dat</para>
      <para>artikel te vergoeden kosten zijn niet gevorderd en daarvan is</para>
      <para>de Raad ook niet gebleken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>Verklaart het inleidend beroep alsnog gegrond;</para>
      <para>Vernietigt het bestreden besluit;</para>
      <para>Verstaat dat gedaagde een nieuw besluit neemt op het bezwaar</para>
      <para>van appellante;</para>
      <para>Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in</para>
      <para>beroep tot een bedrag groot f 1.420,-- en in hoger beroep tot</para>
      <para>een bedrag groot f 1.808,15, totaal f 3.228,15 te betalen aan</para>
      <para>de griffier van de Raad;</para>
      <para>Verstaat dat gedaagde aan appellante het gestorte recht van f</para>
      <para>215,-- vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr M.I. 't Hooft als voorzitter en</para>
      <para>mr D.J. van der Vos en mr Th.M. Schelfhout als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van mr S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning als</para>
      <para>griffier, en uitgesproken in het openbaar op</para>
      <para>10 oktober 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) M.I. 't Hooft.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>JdB</para>
      <para>1710</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>