<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8966</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-07T10:04:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8966</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-09-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">97/11691 WW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0004045&amp;artikel=24&amp;g=2000-09-13">Werkloosheidswet 24</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0004045&amp;artikel=27&amp;g=2000-09-13">Werkloosheidswet 27</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0004045&amp;artikel=27&amp;g=2000-09-13">Werkloosheidswet 27</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0004045&amp;artikel=24&amp;g=2000-09-13">Werkloosheidswet 24</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0004045&amp;artikel=24&amp;g=2000-09-13">Werkloosheidswet 24</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0008015&amp;g=2000-09-13">Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AB 2000, 468 met annotatie van H.E. Bröring</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 2001, 5 met annotatie van P.J. van Ogtrop</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2000/298 met annotatie van Gerrard Boot</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8966">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8966</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:57:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-10-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8966 Centrale Raad van Beroep , 13-09-2000 / 97/11691 WW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8966:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8966:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>97/11691 WW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>A., wonende te B., gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale</para>
      <para>verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de</para>
      <para>Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt</para>
      <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de</para>
      <para>plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige</para>
      <para>geval is het Lisv in de plaats getreden van de</para>
      <para>Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen.</para>
      <para>In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het</para>
      <para>bestuur van die bedrijfsvereniging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden</para>
      <para>in hoger beroep gekomen van een door de</para>
      <para>Arrondissementsrechtbank te Arnhem onder dagtekening 14 oktober</para>
      <para>1997 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt</para>
      <para>verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens gedaagde heeft mr J.J.A. Lukassen, juridisch adviseur te</para>
      <para>Nijmegen, een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft bij brief van 23 juni 1999 enkele vragen</para>
      <para>beantwoord en heeft nog een nader stuk ingestuurd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op</para>
      <para>23 februari 2000, waar appellant zich heeft doen</para>
      <para>vertegenwoordigen door mr H.J. van Werven, werkzaam bij Cadans</para>
      <para>Uitvoeringsinstelling B.V., terwijl gedaagde niet is</para>
      <para>verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is</para>
      <para>gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband</para>
      <para>waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met toestemming van partijen is nader onderzoek ter zitting</para>
      <para>achterwege gebleven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde</para>
      <para>geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet</para>
      <para>(WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten</para>
      <para>tijde als hier van belang. Dat betekent dat in casu getoetst</para>
      <para>wordt aan de wet- en regelgeving, zoals die luidt na invoering</para>
      <para>van de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale</para>
      <para>zekerheid (de Wet Boeten).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde is op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde</para>
      <para>tijd, welke liep van 18 januari 1996 tot</para>
      <para>18 september 1996, in dienst geweest bij X. B.V. Gedaagdes</para>
      <para>functie bracht onder meer met zich dat hij met door zijn</para>
      <para>werkgever aangewezen gegadigden gesprekken voerde met het doel</para>
      <para>deze bepaalde diensten te laten afnemen. Gedaagdes inkomsten</para>
      <para>bestonden, naast een basissalaris ter hoogte van het</para>
      <para>minimumloon, uit provisie over de door zijn tussenkomst</para>
      <para>gesloten contracten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op of omstreeks 7 augustus 1996 is door de manager van het</para>
      <para>filiaal waarbij gedaagde werkzaam was te kennen gegeven dat aan</para>
      <para>gedaagdes dienstbetrekking voor bepaalde tijd geen vervolg zou</para>
      <para>worden gegeven, waarvoor als reden is gegeven dat gedaagde niet</para>
      <para>in het team paste.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar door gedaagde is gesteld, is er na de aankondiging van het</para>
      <para>niet voortzetten van de arbeidsverhouding een sfeer van</para>
      <para>wantrouwen ontstaan, waarin hij zich door de leidinggevenden</para>
      <para>genegeerd en gecontroleerd voelde, en heeft hij steeds minder</para>
      <para>opdrachten gekregen. Als gevolg daarvan zijn gedaagdes</para>
      <para>provisie-inkomsten sterk teruggelopen, hetgeen in zijn ogen</para>
      <para>mede van negatieve invloed zou zijn op de hoogte van de door</para>
      <para>hem verwachte WW-uitkering. Deze factoren vormden voor gedaagde</para>
      <para>aanleiding om reeds per 31 augustus 1996 zelf ontslag te nemen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 30 september 1996 heeft appellant aan gedaagde</para>
      <para>ingaande 2 september 1996 een uitkering ingevolge de WW</para>
      <para>toegekend op basis van een dagloon inclusief vakantietoeslag</para>
      <para>van f 183,52, waarbij wegens verwijtbare werkloosheid een</para>
      <para>maatregel is opgelegd in de vorm van verlaging van het</para>
      <para>uitkeringspercentage van 70 naar 35 over een periode van 26</para>
      <para>weken. Voorts is in aansluiting op die periode een tweede</para>
      <para>maatregel toegepast bestaande in een korting van 5% gedurende</para>
      <para>acht dagen in verband met te late inschrijving bij de</para>
      <para>Arbeidsvoorzieningsorganisatie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het thans bestreden besluit op bezwaar heeft appellant het</para>
      <para>dagloon nader vastgesteld op f 213,39, maar aan de beide</para>
      <para>voormelde maatregelen vastgehouden. Wat betreft de maatregel</para>
      <para>van verlaging van het uitkeringspercentage naar 35 gedurende 26</para>
      <para>weken heeft appellant daartoe in dat besluit in het bijzonder</para>
      <para>overwogen:</para>
      <para>"Per 31 augustus 1996 hebt u - 2 1/2 week voordat uw contract</para>
      <para>van rechtswege zou eindigen - ontslag genomen bij uw</para>
      <para>werkgeefster.</para>
      <para>Hoewel de onderlinge verstandhouding met uw werkgeefster steeds</para>
      <para>minder werd en u, doordat u minder werk kreeg toebedeeld, ook</para>
      <para>steeds minder provisie ontving, rechtvaardigt dit nog geen</para>
      <para>onmiddellijke ontslagname. Immers aan de voortzetting van uw</para>
      <para>dienstverband waren niet zodanige bezwaren verbonden, dat deze</para>
      <para>voortzetting tot het einde van uw contract redelijkerwijs niet</para>
      <para>van u kon worden gevergd. Ook hebt u u niet, wat van u verwacht</para>
      <para>mag worden alvorens ontslag te nemen, verzekerd van een andere,</para>
      <para>aansluitende dienstbetrekking.</para>
      <para>Hierdoor bent u verwijtbaar werkloos te achten. Nu u dit gelet</para>
      <para>op de omstandigheden bij uw werkgeefster niet in overwegende</para>
      <para>mate kan worden aangerekend, bestaat er aanleiding niet de</para>
      <para>zwaarste maatregel toe te passen, maar een korting van 35%</para>
      <para>gedurende 26 weken op uw WW-uitkering toe te passen.</para>
      <para>Er zijn geen dringende redenen aanwezig om van het opleggen van</para>
      <para>deze maatregel af te zien.</para>
      <para>Het door u in het bezwaarschrift aangevoerde, vormt geen</para>
      <para>aanleiding anderszins te beslissen.</para>
      <para>Gelet op de overwegingen van de wetgever bij de behandeling van</para>
      <para>de "Wet Boeten" is er evenmin aanleiding om de duur van de</para>
      <para>maatregel te beperken tot de datum van beëindiging van</para>
      <para>rechtswege van uw arbeidsovereenkomst.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank allereerst</para>
      <para>beoordeeld of appellant terecht heeft aangenomen dat gedaagde</para>
      <para>verwijtbaar werkloos is geworden in de zin van artikel 24,</para>
      <para>eerste lid, onder a, in verbinding met artikel 24, tweede lid</para>
      <para>onder b, van de WW, inhoudende dat de werknemer verwijtbaar</para>
      <para>werkloos is, als de dienstbetrekking eindigt of is beëindigd</para>
      <para>zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren zijn</para>
      <para>verbonden dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou</para>
      <para>kunnen worden gevergd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat weliswaar aan de</para>
      <para>voortzetting van het dienstverband voor gedaagde bezwaren waren</para>
      <para>verbonden, maar dat deze, bezien vanuit het oogpunt van</para>
      <para>toepassing van de WW, niet zodanig zwaarwegend waren dat de</para>
      <para>ontslagname per 31 augustus 1996 gedaagde in redelijkheid niet</para>
      <para>kon worden aangerekend. Hoewel de rechtbank het goed</para>
      <para>voorstelbaar acht dat gedaagde geen perspectief meer zag om de</para>
      <para>onderlinge verstandhouding voor de resterende duur van de</para>
      <para>dienstverband te herstellen, heeft zij niet de overtuiging</para>
      <para>kunnen krijgen dat van hem niet redelijkerwijs was te vergen</para>
      <para>tot het einde van de arbeidsovereenkomst in dienst te blijven.</para>
      <para>De rechtbank heeft voorts doen wegen dat niet is gebleken van</para>
      <para>concrete pogingen voorafgaande aan de ontslagname om elders</para>
      <para>passend werk te vinden, zodat zij niet aannemelijk acht dat</para>
      <para>gedaagde al het mogelijke heeft gedaan om zijn werkloosheid te</para>
      <para>voorkomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft evenwel niet het door appellant ingenomen</para>
      <para>standpunt gevolgd dat in een geval als het onderhavige onder</para>
      <para>geen enkele omstandigheid ruimte bestaat om de maatregel te</para>
      <para>beperken tot de resterende duur van de dienstbetrekking.</para>
      <para>Weliswaar leidt de rechtbank uit de geschiedenis van de</para>
      <para>totstandkoming van de Wet Boeten af dat de wetgever, in geval</para>
      <para>van voortijdige beëindiging van een dienstverband voor bepaalde</para>
      <para>tijd, niet gekozen heeft voor het beperken van een wegens</para>
      <para>verwijtbare werkloosheid op te leggen maatregel tot de</para>
      <para>resterende duur van de dienstbetrekking, maar zij acht het in</para>
      <para>strijd met de zorgvuldigheid dat appellant niet heeft</para>
      <para>onderzocht of er sprake is van dringende redenen als bedoeld in</para>
      <para>het vijfde lid van artikel 27 van de WW, op basis waarvan</para>
      <para>appellant kan besluiten van een maatregel af te zien. De</para>
      <para>rechtbank is voorts van oordeel dat er in casu van dringende</para>
      <para>redenen sprake is. Zij heeft daarom het bestreden besluit, voor</para>
      <para>zover daarin de uitkering gedurende 26 weken is verlaagd naar</para>
      <para>35%, niet in stand gelaten en appellant opgedragen een nieuw</para>
      <para>besluit te nemen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wat betreft de tweede maatregel, de korting van 5% gedurende 8</para>
      <para>dagen, heeft de rechtbank appellant gevolgd in zijn standpunt</para>
      <para>dat gedaagde niet tijdig voldaan heeft aan de verplichting van</para>
      <para>artikel 26, eerste lid, aanhef en onder d, van de WW tot</para>
      <para>inschrijving bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, zodat zij</para>
      <para>die maatregel, gelet ook op het Maatregelenbesluit Tica, op</para>
      <para>zichzelf juist acht. De rechtbank heeft desondanks ook het</para>
      <para>desbetreffende onderdeel van het bestreden besluit vernietigd,</para>
      <para>daar de eerste maatregel niet in stand is gebleven en derhalve</para>
      <para>niet vaststaat over welke periode die maatregel uiteindelijk</para>
      <para>zal worden opgelegd, waardoor tevens onzeker is geworden over</para>
      <para>welk tijdvak de tweede maatregel effectief zal zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ook de (nadere) vaststelling van het dagloon in het bestreden</para>
      <para>besluit is door de rechtbank onjuist bevonden, hetgeen voor</para>
      <para>haar reden was om dat besluit ook in zoverre te vernietigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In hoger beroep heeft appellant zich gekeerd tegen de</para>
      <para>overwegingen van de rechtbank, welke tot vernietiging van de</para>
      <para>voormelde onderdelen van het bestreden besluit hebben geleid.</para>
      <para>Na indiening van het verweerschrift van gedaagde heeft</para>
      <para>appellant te kennen gegeven zich alsnog neer te leggen bij het</para>
      <para>oordeel van de rechtbank omtrent de hoogte van het dagloon en</para>
      <para>heeft hij dat conform de desbetreffende overwegingen van de</para>
      <para>aangevallen uitspraak nader vastgesteld op f 213,39.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van het voorgaande moet worden vastgesteld dat in de</para>
      <para>eerste plaats de vraag dient te worden beantwoord of de ten</para>
      <para>aanzien van gedaagde toegepaste maatregel van verlaging van het</para>
      <para>uitkeringspercentage van 70 naar 35 over een periode van 26</para>
      <para>weken in rechte stand kan houden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt dienaangaande als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad stelt allereerst vast dat uit de voorhanden gegevens</para>
      <para>blijkt dat gedaagde per 31 augustus 1996 ontslag genomen heeft</para>
      <para>in de wetenschap dat zijn dienstverband kort daarna, namelijk</para>
      <para>op 18 september 1996, toch zou eindigen wegens de, niet meer te</para>
      <para>beïnvloeden, beslissing van zijn werkgever om de</para>
      <para>arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet te verlengen of om</para>
      <para>te zetten in een dienstbetrekking voor onbepaalde tijd.</para>
      <para>Gedaagde is tot die ontslagname gekomen doordat na mededeling</para>
      <para>van voormelde beslissing een slechte werksfeer en vertroebelde</para>
      <para>arbeidsverhoudingen zijn ontstaan, terwijl hij zich bovendien</para>
      <para>door de omstandigheid dat zijn werkgever hem minder opdrachten</para>
      <para>is gaan geven financieel benadeeld vond.</para>
      <para>De Raad acht het in dit verband buiten twijfel dat het niet</para>
      <para>voortzetten van het dienstverband per 18 september 1996 op</para>
      <para>zichzelf niet aan gedaagde is te verwijten. De Raad heeft</para>
      <para>hierbij laten wegen dat gedaagde zelf heeft gesteld dat door de</para>
      <para>werkgever als reden is opgegeven dat hij niet in het team</para>
      <para>paste. Van de kant van gedaagdes werkgever is tegenover een</para>
      <para>rapporteur van appellant die reden in grote lijnen bevestigd.</para>
      <para>Voorts is ter zitting van de Raad door de gemachtigde van</para>
      <para>appellant bevestigd dat appellant ervan is uitgegaan dat</para>
      <para>gedaagde op dit punt geen verwijt treft.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ook moet het er op basis van de voorhanden gegevens voor worden</para>
      <para>gehouden dat gedaagde na de aankondiging dat zijn</para>
      <para>arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet zou worden verlengd</para>
      <para>in een onaangename werksfeer is beland en dat de toen ontstane</para>
      <para>situatie hem zelfs enig, in de hoogte van zijn WW-uitkering</para>
      <para>doorwerkend, financieel nadeel berokkende. De Raad acht deze</para>
      <para>omstandigheden evenwel niet in die mate bezwarend dat het</para>
      <para>uitdienen van het (korte) resterende gedeelte van het contract</para>
      <para>redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het vorenstaande volgt dat op zichzelf voldaan is aan de</para>
      <para>omschrijving van de in artikel 24, tweede lid, onder b, van de</para>
      <para>WW neergelegde variant van verwijtbare werkloosheid, nu immers</para>
      <para>niet kan worden gezegd dat de voortzetting van de</para>
      <para>dienstbetrekking tot 18 september 1996 redelijkerwijs niet van</para>
      <para>gedaagde was te vergen. Tevens moet echter worden vastgesteld</para>
      <para>dat er sprake is van overtreding van de in artikel 24, vijfde</para>
      <para>lid, van die wet opgenomen verplichting om te voorkomen dat de</para>
      <para>werkloosheidsfondsen worden benadeeld (de</para>
      <para>benadelingshandeling), in zoverre dat over de periode tot 18</para>
      <para>september 1996 onnodig een beroep op die fondsen wordt gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het voorgaande roept de vraag op of het appellant vrij stond</para>
      <para>om, zoals hij heeft gedaan, verwijtbare werkloosheid ten</para>
      <para>grondslag te leggen aan het opleggen van een maatregel, dan wel</para>
      <para>dat hij de benadelingshandeling als basis daarvoor had moeten</para>
      <para>hanteren. Het belang van die vraag is met name daarin gelegen</para>
      <para>dat, indien voor verwijtbare werkloosheid moet worden gekozen,</para>
      <para>de ingevolge het eerste lid van artikel 27 dwingend</para>
      <para>voorgeschreven maatregel geldt, terwijl de keuze voor de</para>
      <para>benadelingshandeling ertoe leidt dat de verplichting bestaat om</para>
      <para>een -ingevolge artikel 27 vierde lid op de ernst van de</para>
      <para>gedraging en mate van verwijtbaarheid af te stemmen- maatregel</para>
      <para>op te leggen met inachtneming van het</para>
      <para>Maatregelenbesluit Tica (Besluit van 6 juli 1996,</para>
      <para>Stcrt. 1996, 141).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter beantwoording van de vraag of aan één van beide</para>
      <para>vorenomschreven (mogelijke) maatregelen in dit geval voorrang</para>
      <para>toekomt, en zo ja aan welke, stelt de Raad voorop dat in zijn</para>
      <para>algemeenheid een aan overtreding van de in artikel 24 specifiek</para>
      <para>omschreven verplichtingen verbonden maatregel het primaat heeft</para>
      <para>ten opzichte van een maatregel welke het gevolg is van het</para>
      <para>plegen van de in die bepaling in algemene termen aangeduide</para>
      <para>benadelingshandeling. De Raad acht dat uitgangspunt evenwel</para>
      <para>niet absoluut en ziet onder omstandigheden ruimte om daarvan af</para>
      <para>te wijken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet nu op de eerder vermelde omstandigheid dat het op de</para>
      <para>datum van beëindiging van gedaagdes dienstbetrekking reeds</para>
      <para>duidelijk was dat hij op 18 september 1996 toch werkloos zou</para>
      <para>worden -waaraan de Raad toevoegt dat hij geen reden ziet om aan</para>
      <para>te nemen dat de wijze waarop die beëindiging heeft</para>
      <para>plaatsgevonden gedaagdes kansen om elders werk te vinden heeft</para>
      <para>verkleind- is het voor de Raad niet aan twijfel onderhevig dat</para>
      <para>gedaagde er ten tijde van zijn ontslagname vanuit mocht gaan</para>
      <para>dat de daardoor veroorzaakte werkloosheid zich slechts zou</para>
      <para>uitstrekken over de periode van 31 augustus 1996 tot 18</para>
      <para>september 1996. Dit impliceert dat het (theoretische) effect</para>
      <para>van de bij het bestreden besluit opgelegde maatregel van 35%</para>
      <para>gedurende 26 weken, wat overeenkomt met een gehele weigering</para>
      <para>van uitkering over drie maanden, de omvang van de aan gedaagde</para>
      <para>toe te rekenen werkloosheid aanzienlijk overstijgt. Met het</para>
      <para>opleggen van de betrokken maatregel wordt dan ook voorbijgegaan</para>
      <para>aan het verzekeringskarakter van de WW, waarmee bezwaarlijk</para>
      <para>valt te verenigen dat de gevolgen van werkloosheid in zoverre</para>
      <para>deze niet aan de verzekerde zijn toe te rekenen, voor zijn</para>
      <para>risico worden gelaten. Nu de maatregelen welke in het wettelijk</para>
      <para>stelsel aan de benadelingshandeling kunnen worden verbonden</para>
      <para>juist wel een op de omvang van de aan gedaagde toe te rekenen</para>
      <para>werkloosheid toegesneden sanctionering mogelijk maken</para>
      <para>(in het bijzonder in de vorm van een tijdelijke gehele</para>
      <para>weigering voor de resterende duur van het dienstverband) acht</para>
      <para>de Raad grond aanwezig om in een dergelijk geval aan het</para>
      <para>opleggen van een maatregel wegens het plegen van een</para>
      <para>benadelingshandeling voorrang te geven boven het toepassen van</para>
      <para>de bij verwijtbare werkloosheid verplichte maatregel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad tekent bij het zojuist gegeven oordeel aan dat het</para>
      <para>thans aan de orde zijnde geval terdege moet worden</para>
      <para>onderscheiden van de situatie waarin het mogelijk, dan wel niet</para>
      <para>uitgesloten, moet worden geacht dat een voortijdig beëindigd</para>
      <para>dienstverband voor bepaalde tijd voortgezet had kunnen worden,</para>
      <para>als die vervroegde beëindiging niet had plaatsgevonden. Ten</para>
      <para>aanzien van dergelijke gevallen heeft het kabinet bij de</para>
      <para>parlementaire behandeling van de Wet Boeten gesteld</para>
      <para>(TK 1994-1995, 23909, nr. 8 p. 24) dat het zich realiseert dat</para>
      <para>een blijvende gehele weigering van de uitkering -de Raad merkt</para>
      <para>terzijde op dat de in casu toegepaste mitigeringsmogelijkheid</para>
      <para>op dat moment nog niet in het ontwerp was opgenomen- onder</para>
      <para>omstandigheden wellicht als onevenredig zal worden ervaren,</para>
      <para>maar dat niet voorbijgegaan mag worden aan de mogelijkheid dat</para>
      <para>de arbeidsrelatie, indien de voortijdige beëindiging niet had</para>
      <para>plaatsgevonden, wellicht verlengd had kunnen worden of omgezet</para>
      <para>in een dienstbetrekking voor onbepaalde tijd, zodat de</para>
      <para>betrokkene mogelijkerwijs kansen heeft gemist om aan de slag te</para>
      <para>blijven. Naar uit het eerder in deze uitspraak overwogene</para>
      <para>blijkt, is het in het onderhavige geval juist niet aan twijfel</para>
      <para>onderhevig dat op 18 september 1996 niet-verwijtbare</para>
      <para>werkloosheid zou zijn ingetreden. Aan de beschouwingen die het</para>
      <para>kabinet in de Nota van wijziging van de Wet Boeten</para>
      <para>(TK 1994-1995, 23909, nr. 8, waarvan in het bijzonder p. 23,</para>
      <para>24, 27 en 28) heeft gewijd aan de situatie dat een werknemer</para>
      <para>een dienstbetrekking eerder beëindigt dan strikt noodzakelijk</para>
      <para>is, ontleent de Raad voorts dat de conclusie dat in een geval</para>
      <para>als het onderwerpelijke voorrang toekomt aan het opleggen van</para>
      <para>een maatregel wegens het plegen van een benadelingshandeling,</para>
      <para>niet in strijd is te achten met de door de wetgever bij de</para>
      <para>herziening van het sanctiestelsel in het kader van de Wet</para>
      <para>Boeten gemaakte afwegingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Betreffende de in de aangevallen uitspraak gehanteerde grond</para>
      <para>voor vernietiging van het bestreden besluit, te weten de</para>
      <para>aanwezigheid van dringende redenen als bedoeld in artikel 27,</para>
      <para>vijfde (nadien zesde) lid, van de WW, is de Raad het met</para>
      <para>appellant eens dat de rechtbank ten onrechte die bepaling van</para>
      <para>toepassing heeft geacht. De Raad kan zich verenigen met de door</para>
      <para>appellant in hoger beroep dienaangaande aangevoerde grieven.</para>
      <para>Ook de Raad is van opvatting dat de in genoemd artikellid</para>
      <para>aangeduide dringende redenen om van het opleggen van een</para>
      <para>maatregel af te zien, niet kunnen bestaan uit factoren welke te</para>
      <para>maken hebben met de oorzaak en de mate van verwijtbaarheid van</para>
      <para>het einde van de dienstbetrekking. Het kabinet heeft er in de</para>
      <para>parlementaire behandeling van (het ontwerp van) de</para>
      <para>desbetreffende bepaling geen misverstand over laten bestaan dat</para>
      <para>de daarin genoemde dringende redenen slechts gelegen kunnen</para>
      <para>zijn in de onaanvaardbaarheid van de gevolgen die een maatregel</para>
      <para>voor een verzekerde heeft. De Raad ziet noch in de tekst, noch</para>
      <para>in de systematiek van de sanctiebepalingen van de WW, noch</para>
      <para>anderszins aanknopingspunten om de uit de wetsgeschiedenis</para>
      <para>duidelijk naar voren komende beoogde reikwijdte van die</para>
      <para>bepaling uit te breiden. Dat de maatregel tot onacceptabele</para>
      <para>consequenties voor gedaagde zou hebben geleid, komt uit de</para>
      <para>gedingstukken niet naar voren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het vorenoverwogene volgt dat de Raad, zij het op andere</para>
      <para>gronden dan de rechtbank, van oordeel is dat de opgelegde</para>
      <para>maatregel van verlaging van het uitkeringspercentage tot 35</para>
      <para>gedurende 26 weken in rechte geen stand kan houden. De</para>
      <para>aangevallen uitspraak dient derhalve, met aanpassing van de</para>
      <para>gronden daarvan, te worden bevestigd. Appellant zal dan ook een</para>
      <para>nieuw besluit dienen te nemen met inachtneming van het in deze</para>
      <para>uitspraak van de Raad overwogene.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad is voorts van oordeel dat het gedeelte van het</para>
      <para>bestreden besluit dat het opleggen van een maatregel wegens te</para>
      <para>late inschrijving bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie</para>
      <para>betreft, ten onrechte door de rechtbank is vernietigd. Uit de</para>
      <para>voorhanden gegevens blijkt immers duidelijk dat gedaagde zich</para>
      <para>inderdaad acht dagen te laat heeft ingeschreven. De zwaarte van</para>
      <para>de maatregel is voorts in overeenstemming met de toepasselijke</para>
      <para>regels, waaronder het Maatregelenbesluit Tica. De Raad kan zich</para>
      <para>niet verenigen met de overwegingen van de rechtbank, welke tot</para>
      <para>vernietiging van dit onderdeel van het bestreden besluit hebben</para>
      <para>geleid, daar appellant in dat besluit duidelijk heeft</para>
      <para>aangegeven dat de tweede maatregel ingaat aansluitend aan de</para>
      <para>eerste maatregel, hetgeen in overeenstemming is met artikel 11,</para>
      <para>tweede lid, van het Maatregelenbesluit Tica. Uit die bepaling</para>
      <para>vloeit evenwel niet de verplichting voort om in een dergelijk</para>
      <para>geval in het besluit waarbij de maatregel wordt opgelegd</para>
      <para>melding te maken van de exacte data waarop die maatregel zal</para>
      <para>worden geëffectueerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar aanleiding van gedaagdes verzoek om appellant te</para>
      <para>veroordelen tot schadevergoeding in de vorm van wettelijke</para>
      <para>rente overweegt de Raad dat dit verzoek thans niet voor</para>
      <para>toewijzing in aanmerking komt, omdat de Raad, gezien het</para>
      <para>vorenstaande, onvoldoende inzicht heeft in de vraag of er</para>
      <para>schade wordt geleden, althans welke omvang deze schade heeft.</para>
      <para>Wel zal appellant, indien hij een nieuw besluit neemt met</para>
      <para>inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft</para>
      <para>overwogen, bij de voorbereiding van dat besluit tevens aandacht</para>
      <para>dienen te besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om</para>
      <para>schade te vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van</para>
      <para>de Algemene wet bestuursrecht appellant te veroordelen in de</para>
      <para>proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden</para>
      <para>begroot op f 710,-- voor verleende rechtsbijstand.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten en</para>
      <para>met dien verstande dat appellant een nieuw besluit dient te</para>
      <para>nemen met inachtneming van het in deze uitspraak van de Raad</para>
      <para>overwogene;</para>
      <para>Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger</para>
      <para>beroep tot een bedrag van f 710,--.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door mr M.A. Hoogeveen als voorzitter en</para>
      <para>mr Th.C. van Sloten en mr Th.M. Schelfhout als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van mr I. de Hartog als griffier, en</para>
      <para>uitgesproken in het openbaar op 13 september 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) M.A. Hoogeveen.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) I. de Hartog.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>JdB</para>
      <para>1409</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>