<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8961</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T12:17:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8961</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-08-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">98/6003 WW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0004045&amp;artikel=24&amp;g=2000-08-30">Werkloosheidswet 24</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0004045&amp;artikel=24&amp;g=2000-08-30">Werkloosheidswet 24</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0004045&amp;artikel=27&amp;g=2000-08-30">Werkloosheidswet 27</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 2000, 239</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2000/259 met annotatie van Redactie</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8961">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8961</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:57:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-10-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8961 Centrale Raad van Beroep , 30-08-2000 / 98/6003 WW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8961:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8961:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>98/6003 WW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>A., wonende te B., gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant is op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep</para>
      <para>gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te Middelburg onder dagtekening 31 juli</para>
      <para>1998 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Namens gedaagde heeft mr H. Koelewijn, advocaat te Woerden, een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 7 juni 2000, waar appellant zich heeft</para>
      <para>doen vertegenwoordigen door mr P. Kraak, werkzaam bij SFB Uitvoeringsorganisatie Sociale</para>
      <para>Verzekeringen N.V., en waar gedaagde - daartoe vanwege de Raad opgeroepen - in persoon is</para>
      <para>verschenen, bijgestaan door mr Koelewijn, voornoemd, als zijn raadsvrouw.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld</para>
      <para>aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die</para>
      <para>luidden ten tijde als hier van belang. Dat betekent dat in casu getoetst wordt aan de</para>
      <para>wet- en regelgeving, zoals die luidt na invoering van de Wet boeten, maatregelen en</para>
      <para>terug- en invordering sociale zekerheid (Wet Boeten).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op de inhoud van de gedingstukken gaat de Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit</para>
      <para>van de volgende feiten en omstandigheden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Per 31 oktober 1994 is gedaagde in aanmerking gebracht voor uitkering ingevolge de WW</para>
      <para>voor een duur (inclusief de vervolguitkering) van drie jaar. Op de inkomstenverklaring</para>
      <para>over de periode van 12 mei 1997 tot en met 8 juni 1997 heeft gedaagde aangegeven dat hij</para>
      <para>door het arbeidsbureau naar een werkgever is verwezen om grondwerk in C. (België) te gaan</para>
      <para>doen. Uit nader onderzoek is vervolgens gebleken dat het ging om werk aan een spoorlijn,</para>
      <para>dat hem via het uitzendbureau VBAZ te Oostburg was aangeboden bij X. te Y. en dat</para>
      <para>gedaagde het betreffende werk had kunnen gaan doen per 28 mei 1997 voor een periode van 3</para>
      <para>maanden. Door de werkgever zou gezorgd worden voor vervoer met een busje vanaf D., waar</para>
      <para>vandaan de reis naar Y. ongeveer 1,5 uur zou duren. Daarvoor zou gedaagde een vergoeding</para>
      <para>ontvangen van 1 reisuur per dag alsmede f 0,15 per kilometer voor de afstand van (bijna)</para>
      <para>10 kilometer tussen gedaagdes (afgelegen in de polder gesitueerde) woning en de</para>
      <para>opstapplaats van het busje in D. In het kader van dat onderzoek heeft gedaagde vervolgens</para>
      <para>gesteld dat hij dat werkaanbod, zonder contact te hebben opgenomen met genoemde</para>
      <para>werkgever, van de hand heeft gewezen in verband met de daaraan naar zijn inschatting</para>
      <para>verbonden lange reistijd in combinatie met de door hem veronderstelde beloning van</para>
      <para>(hooguit iets meer dan) het minimumloon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 31 juli 1997 is de WW-uitkering van gedaagde ingaande 28 mei 1997</para>
      <para>blijvend geheel geweigerd, aangezien gedaagde de, gelet op de duur van de werkloosheid en</para>
      <para>de reistijd, als passend te beschouwen werkzaamheden bij X. had kunnen aanvaarden,</para>
      <para>hetgeen appellant in strijd achtte met één van de ingevolge artikel 24 van de WW op</para>
      <para>gedaagde rustende verplichtingen. Tevens is de over de periode van 28 mei 1997 tot en met</para>
      <para>4 juli 1997 onverschuldigd aan gedaagde betaalde uitkering ten bedrage van f 2.051,63</para>
      <para>bruto van hem teruggevorderd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het namens gedaagde ingediende bezwaarschrift en tijdens de in het kader van de</para>
      <para>bezwaarprocedure gehouden hoorzitting is benadrukt dat het vervoer van gedaagdes woning</para>
      <para>naar D., mede gelet op de omstandigheid dat hij in verband met het parttime werk van zijn</para>
      <para>echtgenote niet steeds over een auto kon beschikken en op de gebrekkige busverbindingen</para>
      <para>ter plaatse, een groot praktisch probleem opleverde. Als gevolg daarvan zou de reistijd</para>
      <para>minimaal 2 x 2 uur per dag belopen, wat onder omstandigheden zelfs tot 8 uur per dag zou</para>
      <para>kunnen uitlopen.</para>
      <para>Daardoor zou er volgens gedaagde, gezien ook de "Richtlijn passende arbeid bij</para>
      <para>werkloosheid" van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 mei 1992,</para>
      <para>welke uitgaat van een maximum van ongeveer 3 uur per dag, geen sprake zijn van passende</para>
      <para>arbeid. Zulks in de ogen van gedaagde te minder, gezien de zijns inziens ondermaatse</para>
      <para>reiskostenvergoeding. Ook heeft gedaagde een beroep gedaan op de in artikel 27, vijfde</para>
      <para>lid, van de WW opgenomen mogelijkheid dat wegens dringende redenen van oplegging van een</para>
      <para>maatregel wordt afgezien. Verder was gedaagde het niet eens met de genoemde</para>
      <para>terugvordering en ten slotte heeft hij verzocht om vergoeding van de in de</para>
      <para>bezwaarprocedure gemaakte kosten van rechtsbijstand.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het besluit op bezwaar van 4 november 1997 (het bestreden besluit) heeft appellant</para>
      <para>aan de voormelde maatregel vastgehouden onder verwijzing naar artikel 24, eerste lid,</para>
      <para>aanhef en onder b ten tweede, van de WW, inhoudende dat de werknemer voorkomt dat hij</para>
      <para>werkloos is of blijft doordat hij nalaat aangeboden passende arbeid te aanvaarden of door</para>
      <para>eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgt.</para>
      <para>Daartoe heeft appellant in het bijzonder overwogen dat van gedaagde verwacht had mogen</para>
      <para>worden dat hij niet zonder meer had geconcludeerd dat het aangeboden werk vanwege de</para>
      <para>reistijd niet passend was en dat gedaagde met de betrokken werkgever de mogelijkheid van</para>
      <para>een betere oplossing voor het vervoer had kunnen bespreken. Ook zou gedaagde volgens</para>
      <para>appellant een andere oplossing voor het vervoer tussen zijn woning en de opstapplaats</para>
      <para>hebben kunnen overwegen, bijvoorbeeld door middel van de fiets. Van een dringende reden</para>
      <para>om af te zien van de maatregel achtte appellant voorts geen sprake.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het</para>
      <para>bestreden besluit vernietigd met beslissingen omtrent griffierecht en proceskosten. Aan</para>
      <para>dat oordeel heeft de rechtbank slechts ten grondslag gelegd dat zowel het voormelde</para>
      <para>primaire besluit als het bestreden besluit op bezwaar niet voldoen aan het bepaalde in</para>
      <para>artikel 36, derde lid, van de WW, voor zover daarin wordt voorgeschreven dat het besluit</para>
      <para>tot terugvordering melding maakt van de termijn of termijnen waarbinnen moet worden</para>
      <para>betaald, alsmede dat het besluit bij gebreke van tijdige betaling zal worden</para>
      <para>tenuitvoergelegd op de wijze als omschreven in artikel 36a.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen de overwegingen van de rechtbank welke</para>
      <para>tot vernietiging van het bestreden besluit hebben geleid en heeft zich voorts aangesloten</para>
      <para>bij het eerder reeds vanwege gedaagde aan de Raad gedane verzoek om het tussen partijen</para>
      <para>bestaande geschil finaal te beslechten door een uitspraak te doen over de rechtmatigheid</para>
      <para>van de aan gedaagde opgelegde maatregel en de daaruit voortvloeiende terugvordering.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft zich in in hoger beroep allereerst gesteld achter de overwegingen van de</para>
      <para>aangevallen uitspraak, waaraan hij heeft toegevoegd dat appellant ten onrechte geen</para>
      <para>aandacht heeft geschonken aan de in het tweede lid van artikel 36 van de WW aangegeven</para>
      <para>mogelijkheid om in geval van dringende redenen geheel of gedeeltelijk van terugvordering</para>
      <para>af te zien. Ten aanzien van de opgelegde maatregel is zijdens gedaagde verwezen naar</para>
      <para>hetgeen in bezwaar en in de procedure bij de rechtbank is aangevoerd. Wat betreft het</para>
      <para>aangeboden werk heeft gedaagde voorts in twijfel getrokken of een positieve reactie</para>
      <para>zijnerzijds had geleid tot daadwerkelijke indiensttreding. Verder is van zijn kant</para>
      <para>benadrukt dat er ten aanzien van de maatregel zijns inziens sprake is van dringende</para>
      <para>redenen als bedoeld in het vijfde (thans zesde) lid van artikel 27 van de WW, aangezien</para>
      <para>het om een eerste overtreding ging. Ten slotte heeft gedaagde zijn, door de rechtbank</para>
      <para>niet behandelde, vorderingen ten aanzien van vergoeding van de wettelijke rente en</para>
      <para>vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase herhaald.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Allereerst moet worden vastgesteld dat het bij de rechtbank tegen het bestreden besluit</para>
      <para>ingestelde beroep van gedaagde - en overigens ook zijn bezwaar - zich alleen richtte</para>
      <para>tegen de opgelegde maatregel en de daaruit voortvloeiende terugvordering; hij heeft noch</para>
      <para>de invordering van het teruggevorderde bedrag als zodanig noch het ontbreken van</para>
      <para>uitsluitsel daaromtrent tot onderwerp van geschil gemaakt. Door desalniettemin daarover</para>
      <para>te beslissen en het bestreden besluit deswege te vernietigen is de rechtbank naar het</para>
      <para>oordeel van de Raad buiten de grenzen van de rechtsstrijd tussen partijen getreden,</para>
      <para>hetgeen betekent dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzoek van partijen om finale beslechting van het tussen hen bestaande geschil mede</para>
      <para>in aanmerking nemend, zal de Raad geen gebruik maken van de mogelijkheid om de zaak terug</para>
      <para>te wijzen naar de rechtbank, maar zal hij doen hetgeen de rechtbank had behoren te doen,</para>
      <para>te weten het - op basis van de door partijen ten processe ingenomen standpunten - geven</para>
      <para>van een oordeel omtrent de aan gedaagde opgelegde maatregel en de daaruit voortvloeiende</para>
      <para>terugvordering.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad overweegt dienaangaande in de eerste plaats dat uit de voorhanden gegevens met</para>
      <para>een voldoende mate van zekerheid is af te leiden dat gedaagde op 28 mei 1997 bij X. had</para>
      <para>kunnen beginnen, als hij op het hem gedane aanbod was ingegaan. Te minder heeft de Raad</para>
      <para>reden voor twijfel aan het causaal verband tussen gedaagdes weigerachtige opstelling en</para>
      <para>het voortduren van diens werkloosheid, nu zijnerzijds eerst in hoger beroep het bestaan</para>
      <para>van dit verband is aangevochten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor de Raad is voorts genoegzaam aannemelijk geworden dat het om een aanbod van passende</para>
      <para>arbeid ging. Blijkens artikel 24, derde lid, van de WW wordt als passende arbeid</para>
      <para>beschouwd alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de werknemer is berekend,</para>
      <para>tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem</para>
      <para>kan worden gevergd. Gesteld noch gebleken is dat de arbeid niet voor gedaagdes krachten</para>
      <para>en bekwaamheden was berekend of dat redenen van lichamelijke of geestelijke aard daaraan</para>
      <para>in de weg stonden. Gelet in het bijzonder op de duur van gedaagdes werkloosheid en de in</para>
      <para>de bouwsector niet ongebruikelijke lange reistijden enerzijds en op het ontbreken van</para>
      <para>indicaties omtrent (andere) relevante belemmeringen anderzijds, acht de Raad in dit geval</para>
      <para>in een reistijd van in totaal 4 uur per dag, of zelfs wat meer, geen redenen van sociale</para>
      <para>aard als eerderbedoeld gelegen. De Raad gaat er verder vanuit dat het voor gedaagde</para>
      <para>mogelijk was om een niet al te tijdrovende oplossing te vinden voor het vervoer tussen</para>
      <para>zijn woning en de opstapplaats van eerdergenoemd busje in D. Hij heeft daartoe in de</para>
      <para>eerste plaats doen wegen dat gedaagde heeft nagelaten om aan zijn potentiële werkgever de</para>
      <para>vraag voor te leggen of hij op een voor hem gunstiger plaats op het busje zou kunnen</para>
      <para>stappen, zodat het niet uitgesloten moet worden geacht dat dit tot de mogelijkheden</para>
      <para>behoorde. Tevens is de Raad gebleken dat gedaagde zeer wel in staat is geweest om zijn,</para>
      <para>aan het op een afgelegen locatie wonen inherente, vervoersprobleem bij eerdere</para>
      <para>dienstverbanden en ook bij de kort na de datum in geding aanvaarde functie afdoende op te</para>
      <para>lossen. De Raad merkt verder op dat het aan de aangeboden arbeid verbonden salaris</para>
      <para>ongeveer f 700,-- bruto boven het minimumloon lag, hetgeen tevens beduidend meer is dan</para>
      <para>de door hem op dat moment genoten vervolguitkering. De aan gedaagde geboden</para>
      <para>reiskostenvergoeding is zeker niet riant te noemen, maar dat doet aan de passendheid van</para>
      <para>de arbeid niet af, nu het immers niet ongebruikelijk is dat de kosten van</para>
      <para>woon-werkverkeer geheel of ten dele voor eigen rekening van de werknemer blijven. De Raad</para>
      <para>stelt voorts vast dat de door gedaagde ingeroepen Richtlijn passende arbeid bij</para>
      <para>werkloosheid, nog daargelaten dat appellant zich daaraan niet gebonden acht en ook niet</para>
      <para>behoeft te achten, openlaat dat onder omstandigheden wordt afgeweken van de daarin als</para>
      <para>uitgangspunt opgenomen maximale reisduur van 3 uur per dag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De conclusie moet dan ook worden getrokken dat gedaagde heeft geweigerd passende arbeid</para>
      <para>te aanvaarden dan wel door eigen toedoen geen passende arbeid heeft verkregen, zodat hij</para>
      <para>het voorschrift van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b ten tweede, van de WW heeft overtreden.</para>
      <para>Vanwege de zojuist geconstateerde overtreding alsmede de omstandigheid dat het aan</para>
      <para>gedaagde gedane aanbod een functie met dezelfde urenomvang als die van zijn recht op</para>
      <para>werkloosheidsuitkering betrof, was appellant op grond van het bepaalde in artikel 27,</para>
      <para>tweede lid, van de WW gehouden om ingaande 28 mei 1997 de maatregel van blijvende gehele</para>
      <para>weigering van de uitkering op te leggen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Betreffende gedaagdes betoog dat er in casu dringende redenen zijn om af te zien van het</para>
      <para>opleggen van een maatregel, als bedoeld in artikel 27, vijfde (thans zesde) lid, van de</para>
      <para>WW, stelt de Raad voorop dat de in genoemd artikellid aangeduide dringende redenen niet</para>
      <para>kunnen bestaan uit factoren welke te maken hebben met de oorzaak en de mate van</para>
      <para>verwijtbaarheid van het einde van de dienstbetrekking. Het kabinet heeft er in de</para>
      <para>parlementaire behandeling van het ontwerp van de Wet Boeten geen misverstand over laten</para>
      <para>bestaan dat de bedoelde dringende redenen slechts gelegen kunnen zijn in de</para>
      <para>onaanvaardbaarheid van de gevolgen die een maatregel voor een verzekerde heeft. De Raad</para>
      <para>ziet noch in de tekst, noch in de systematiek van de sanctiebepalingen van de WW, noch</para>
      <para>anderszins, aanknopingspunten om de uit de wetsgeschiedenis naar voren komende beoogde</para>
      <para>beperkte reikwijdte van die bepaling uit te breiden. Dat de maatregel in casu tot</para>
      <para>onacceptabele consequenties voor gedaagde zou hebben geleid, komt uit de gedingstukken</para>
      <para>niet naar voren. De omstandigheid dat het de eerste overtreding van gedaagde was, vormt</para>
      <para>in ieder geval niet een dergelijke consequentie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad is ten slotte van oordeel dat de toegepaste maatregel ook overigens niet in</para>
      <para>strijd is met enige regel van geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen</para>
      <para>rechtsbeginsel. Evenmin ziet de Raad reden om te oordelen dat de terugvordering van de</para>
      <para>vanaf 28 mei 1997 betaalde uitkering de rechterlijke toetsing niet zou kunnen doorstaan.</para>
      <para>Ook ziet de Raad geen aanwijzingen voor het aannemen van dringende redenen om geheel of</para>
      <para>ten dele van de terugvordering af te zien.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat het beroep tegen het bestreden besluit alsnog</para>
      <para>ongegrond moet worden verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet in het bijzonder op de wijze waarop gedaagde in deze procedure bij de Raad</para>
      <para>betrokken is geraakt, acht de Raad termen aanwezig om appellant op grond van artikel 8:75</para>
      <para>van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger</para>
      <para>beroep. Deze kosten worden begroot op f 1.420,-- voor verleende rechtsbijstand en f 80,10</para>
      <para>aan reiskosten in verband met het bijwonen van de zitting van de Raad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit alsnog ongegrond;</para>
      <para>Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag</para>
      <para>groot f 1.500,10.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door mr M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr Th.C. van Sloten en</para>
      <para>mr Th.M. Schelfhout als leden, in tegenwoordigheid van mr I. de Hartog als griffier, en</para>
      <para>uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) M.A. Hoogeveen.</para>
    <para />
    <para>(get.) I. de Hartog.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>JdB</para>
      <para>0109</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>