<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8937</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T21:19:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8937</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-07-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">97/7480 AAW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 2000/222</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2000/249 met annotatie van Redactie</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8937">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8937</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:57:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-10-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8937 Centrale Raad van Beroep , 18-07-2000 / 97/7480 AAW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8937:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8937:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>97/7480 AAW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>A, wonende te B, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale</para>
      <para>verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de</para>
      <para>Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt</para>
      <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de</para>
      <para>plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige</para>
      <para>geval is het Lisv in de plaats getreden van (het bestuur van)</para>
      <para>de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging (NAB). In deze uitspraak</para>
      <para>wordt onder appellant tevens verstaan het bestuur van deze</para>
      <para>bedrijfsvereniging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden</para>
      <para>in hoger beroep gekomen van een door de</para>
      <para>Arrondissementsrechtbank te 's Gravenhage onder dagtekening</para>
      <para>7 juli 1997 tussen partijen gewezen uitspraak (de aangevallen</para>
      <para>uitspraak), inhoudende gegrondverklaring van gedaagdes beroep</para>
      <para>tegen het in het kader van de Algemene</para>
      <para>Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) genomen besluit van</para>
      <para>29 februari 1996 (het bestreden besluit), vernietiging van dat</para>
      <para>besluit en opdracht om met inachtneming van die uitspraak een</para>
      <para>nieuw besluit te nemen, zulks met veroordeling van appellant</para>
      <para>tot vergoeding van het door gedaagde betaalde griffierecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op</para>
      <para>19 juni 2000, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen</para>
      <para>door mr M.H. Beersma, werkzaam bij Gak Nederland B.V. en waar</para>
      <para>namens gedaagde is verschenen zijn vader L.J. Burgwal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde, geboren in 1977, is sinds zijn geboorte zwaar</para>
      <para>spastisch, volledig rolstoelafhankelijk en voor zijn verzorging</para>
      <para>aangewezen op de hulp van derden. In verband daarmee is hem</para>
      <para>ingaande 26 oktober 1995 een uitkering ingevolge de AAW</para>
      <para>toegekend. Bij besluit van 29 februari 1996 (het bestreden</para>
      <para>besluit) is op grond van medisch en arbeidskundig onderzoek de</para>
      <para>uitkering krachtens artikel 13 van die wet per 26 oktober 1995</para>
      <para>verhoogd naar 85% van de grondslag, wegens het verkeren in een,</para>
      <para>althans voorlopig, blijvende toestand welke geregeld oppassing</para>
      <para>en verzorging mogelijk maakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het, in het kader van het tegen het bestreden besluit</para>
      <para>ingestelde beroep, ingediende verweerschrift heeft appellant</para>
      <para>onder verwijzing naar het door hem terzake gevoerde beleid</para>
      <para>uiteengezet dat gedaagde, gelet op de mate van zijn</para>
      <para>hulpbehoevendheid, in beginsel in aanmerking zou komen voor</para>
      <para>verhoging van de uitkering tot 100%, maar dat de omstandigheid</para>
      <para>dat hij gedurende 5 dagen per week een school voor regulier</para>
      <para>voortgezet onderwijs volgt (ten tijde in geding 4 VWO) ertoe</para>
      <para>leidt dat de verhoging wordt beperkt tot een percentage van 85.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit</para>
      <para>gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Die vernietiging</para>
      <para>berust in het bijzonder op het navolgende gedeelte van de</para>
      <para>aangevallen uitspraak:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"Daartoe overweegt de rechtbank in de eerste plaats dat een</para>
      <para>school voor regulier VWO niet is gericht en evenmin is</para>
      <para>ingesteld op de verzorging van en het bieden van hulp aan een</para>
      <para>ernstig lichamelijk gehandicapte zoals eiser, hetgeen</para>
      <para>daarentegen wel moet worden gerekend tot de doelstellingen van</para>
      <para>een dagverblijf voor evengenoemde categorie gehandicapten. Een</para>
      <para>school voor regulier VWO is immers gericht en ingesteld op het</para>
      <para>geven van onderwijs, dat wil zeggen het overdragen van kennis</para>
      <para>en vaardigheden, aan in de regel zelfredzame personen. Indien</para>
      <para>een ernstig lichamelijk gehandicapte zoals eiser een school</para>
      <para>voor regulier VWO bezoekt, kan derhalve niet worden</para>
      <para>staande gehouden dat dit overwegend dient ter ontlasting van de</para>
      <para>ouder(s) en/of verzorger(s) in hun hulpverlenende en</para>
      <para>toezichthoudende taken. In dit verband verdient nog opmerking</para>
      <para>dat het geven van hulp en het houden van toezicht noodzakelijk</para>
      <para>zijn met het oog op de handicap van betrokkene.</para>
      <para>Hiermee kan noch het toezicht dat leerkrachten binnen de</para>
      <para>context van de doelstelling van het regulier VWO houden op</para>
      <para>leerlingen, noch de helpende hand die leerkrachten of</para>
      <para>leerlingen onderling elkaar in</para>
      <para>schooltijd zonodig bieden, worden gelijkgesteld.</para>
      <para>Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de</para>
      <para>rechtbank niet kunnen blijken dat het bestuur van de NAB zich</para>
      <para>hiervan rekenschap heeft gegeven bij de vaststelling van het</para>
      <para>beleid.</para>
      <para>De rechtbank overweegt in de tweede plaats dat</para>
      <para>- naar algemeen bekend is - scholen voor VWO gedurende</para>
      <para>vakantieperioden gesloten zijn, waardoor over een heel</para>
      <para>schooljaar bezien sprake is van een substantiële periode waarin</para>
      <para>schoolgang feitelijk niet mogelijk is. Daarbij komt nog de</para>
      <para>allesbehalve bij wege van uitzondering voorkomende en vaak niet</para>
      <para>tevoren aangekondigde uitval van lesuren, met name in de</para>
      <para>examentijd, aan het begin of aan het einde van de schooldag</para>
      <para>danwel tussentijds, met als gevolg dat eiser later naar school</para>
      <para>kan (worden gebracht) en/of eerder naar huis kan (worden</para>
      <para>gebracht) waar hij dan dient te worden opgevangen en/of een dag</para>
      <para>in het geheel niet naar school kan/hoeft en ook alsdan thuis</para>
      <para>dient te worden opgevangen.</para>
      <para>Daarvan is niet als regel, althans niet in gelijke mate, sprake</para>
      <para>bij dagverblijven voor ernstig lichamelijk en/of geestelijk</para>
      <para>gehandicapten. Dit betekent dat ouder(s) of verzorger(s) van</para>
      <para>een lichamelijk gehandicapte die een school voor regulier</para>
      <para>onderwijs bezoekt, zoals eiser, niet in dezelfde mate en</para>
      <para>substantieel minder wordt/worden ontlast dan de ouder(s) of</para>
      <para>verzorger(s) van een gehandicapte die een dagverblijf bezoekt.</para>
      <para>Eerstgenoemde categorie ouders en verzorgers verkeert naar het</para>
      <para>oordeel van de rechtbank derhalve in een wezenlijk andere</para>
      <para>situatie dan de laatstgenoemde categorie.</para>
      <para>Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de</para>
      <para>rechtbank evenmin kunnen blijken dat het bestuur van de NAB</para>
      <para>hiermee rekening heeft gehouden bij de vaststelling van het</para>
      <para>beleid.</para>
      <para>Voor haar bezwaren tegen de door het bestuur van de NAB</para>
      <para>aanwezig veronderstelde "kostenbeperking" veroorlooft de</para>
      <para>rechtbank zich verwijzing naar hetgeen zij daarover heeft</para>
      <para>overwogen in haar uitspraak van heden in de zaak, geregistreerd</para>
      <para>onder nummer 96/01692 AAWAO, welke uitspraak in afschrift aan</para>
      <para>deze uitspraak is gehecht. Hier volstaat de rechtbank met de</para>
      <para>opmerking dat naar haar oordeel het bestuur van de NAB niet</para>
      <para>heeft voldaan aan de verplichting, welke hij op zich heeft</para>
      <para>genomen door die veronderstelde beperking van de kosten met</para>
      <para>zoveel woorden te maken tot onderdeel van zijn beleid in de zin</para>
      <para>dat die "kostenbeperking" redengevend voor de toeslagverlaging</para>
      <para>wordt gemaakt in een situatie als de onderhavige, waarbij geen</para>
      <para>onderscheid wordt gemaakt tussen het doorbrengen van een</para>
      <para>gedeelte van de dag in een dagverblijf en een school voor VWO,</para>
      <para>aan te tonen dat die kosten ten gevolge daarvan ook in</para>
      <para>werkelijkheid beperkter zijn.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft daarom het bestreden besluit vernietigd</para>
      <para>wegens schending van het bepaalde in artikel 3:2 en 4:16 (oud)</para>
      <para>van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In hoger beroep heeft appellant zich, op in het aanvullend</para>
      <para>beroepschrift uitvoerig aangevoerde gronden, gekeerd tegen de</para>
      <para>overwegingen van de aangevallen uitspraak welke tot</para>
      <para>vernietiging van het bestreden besluit hebben geleid. Appellant</para>
      <para>heeft daarbij aangegeven dat, evenals in het geval van het</para>
      <para>bezoeken van een dagverblijf, de betrokkene die naar een</para>
      <para>reguliere middelbare school gaat, gedeelten van een dag aan de</para>
      <para>zorg van ouders of verzorgers is onttrokken, zodat dezen in</para>
      <para>zoverre zijn ontlast van verzorgende en toezichthoudende taken.</para>
      <para>Als daarvan in beduidende omvang sprake is, waarbij een grens</para>
      <para>van 4 dagen per week wordt aangehouden, dan leidt dit in het</para>
      <para>gehanteerde beleid, ongeacht de soort voorziening waarvan</para>
      <para>gebruik wordt gemaakt, tot toepassing van een</para>
      <para>uitkeringspercentage van 85. Appellant heeft in verband daarmee</para>
      <para>het forfaitaire karakter van de verhoging beklemtoond, waarmee</para>
      <para>zijns inziens niet in overeenstemming is dat in een concreet</para>
      <para>geval wordt getoetst welke de mate van kostenbesparing is als</para>
      <para>gevolg van het bezoeken van een bepaalde instelling. Ook acht</para>
      <para>appellant het in strijd met genoemd karakter dat, zoals de</para>
      <para>rechtbank voorstaat, onderzoek zou moeten worden ingesteld naar</para>
      <para>de aard en omvang van het verblijf op een reguliere school.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 13 van de AAW, zoals dat luidde tot 1 januari 1998,</para>
      <para>bepaalde -voor zover thans van belang- dat een</para>
      <para>arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een mate van</para>
      <para>arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, in geval de betrokkene</para>
      <para>verkeert in een althans voorlopig blijvende toestand van</para>
      <para>hulpbehoevendheid welke geregeld oppassing en verzorging</para>
      <para>mogelijk maakt, voor de duur van die hulpbehoevendheid wordt</para>
      <para>verhoogd tot ten hoogste zijn grondslag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vóór april 1990 werd in de wetsuitvoering en rechtspraak een</para>
      <para>restrictieve uitleg gegeven aan die bepaling. Uit de uitspraken</para>
      <para>van 12 april en 19 april 1990 (RSV 1990, 305 en 307) van deze</para>
      <para>Raad volgt evenwel dat een terughoudende toepassing van deze</para>
      <para>bepalingen niet zo ver mag gaan dat aan die bepalingen een</para>
      <para>uitleg zou worden gegeven die niet strookt met de tekst daarvan</para>
      <para>of deze tot een dode letter zou maken. De Raad heeft in dat</para>
      <para>verband overwogen dat aan het vereiste van de noodzaak van</para>
      <para>geregelde verzorging niet eerst dan voldaan is wanneer een</para>
      <para>belanghebbende voor elk, of de meeste, van de essentiële en</para>
      <para>steeds terugkerende levensverrichtingen hulp behoeft, doch in</para>
      <para>beginsel ook wanneer die hulp nodig is bij een aantal daarvan.</para>
      <para>De Raad heeft daaraan toegevoegd in zoverre wel een zekere</para>
      <para>beleidsruimte voor terughoudende toepassing aanwezig te achten</para>
      <para>dat, als de betrokkene uit hoofde van andere voorzieningen,</para>
      <para>zoals een dagverblijf, oppassing en verzorging geniet, er</para>
      <para>aanleiding zou kunnen zijn de verhoging te beperken, waar de</para>
      <para>woorden "ten hoogste" in de tekst van deze artikelen de</para>
      <para>mogelijkheid toe bieden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voormalige Federatie van Bedrijfsverenigingen (FBV) heeft in</para>
      <para>november 1992 de aanbeveling aan de toenmalige</para>
      <para>bedrijfsverenigingen gedaan om bij de toepassing van artikel 13</para>
      <para>van de AAW een beleid te gaan voeren, gebaseerd op indeling in</para>
      <para>twee categorieën. Dat beleid komt erop neer dat de uitkering</para>
      <para>verhoogd wordt tot 100% van de grondslag in die gevallen,</para>
      <para>waarin voldaan is aan het restrictieve criterium zoals dat</para>
      <para>voorafgaand aan de voormelde uitspraken van de Raad van april</para>
      <para>1990 werd gehanteerd, terwijl in de (overige) gevallen waarin</para>
      <para>aan de minder stringente voorwaarden is voldaan, verhoging tot</para>
      <para>85% plaatsvindt. In laatstgenoemde gevallen wordt sprake geacht</para>
      <para>van geregelde oppassing wanneer de belanghebbende in een</para>
      <para>situatie verkeert die hem geregeld aangewezen doet zijn op</para>
      <para>handreikingen van derden en van geregelde verzorging wanneer de</para>
      <para>belanghebbende hulp behoeft bij een aantal van de essentiële en</para>
      <para>steeds terugkerende levensverrichtingen. In zijn uitspraak van</para>
      <para>14 februari 1995 (RSV 1995, 154) heeft de Raad in het kader van</para>
      <para>de toetsing van een door het bestuur van de NAB genomen besluit</para>
      <para>geoordeeld dat het zojuist omschreven beleid de rechterlijke</para>
      <para>toetsing kan doorstaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In een aantal uitspraken, waaronder die van 29 december 1995</para>
      <para>(kenmerk AAW 1993/1202) en van 24 november 1998 (USZ 1999/24),</para>
      <para>is vervolgens aan de orde gekomen dat door de NAB, bij wijze</para>
      <para>van aanvulling op en aanscherping van het op de FBV-aanbeveling</para>
      <para>gebaseerde beleid, ook het bezoeken van een dagverblijf als</para>
      <para>criterium wordt gehanteerd. Dat criterium houdt in dat, indien</para>
      <para>ten minste vier dagen per week een dagverblijf of een school</para>
      <para>voor speciaal of regulier onderwijs wordt bezocht, in gevallen</para>
      <para>die op basis van de overige criteria voor verhoging tot 100% in</para>
      <para>aanmerking zouden komen, de verhoging wordt beperkt tot 85% van</para>
      <para>de grondslag en in gevallen waarin die andere criteria tot</para>
      <para>verhoging naar 85% zouden leiden, de uitkering op 70% blijft</para>
      <para>gehandhaafd. Dat beleid is door de Raad in de zojuist genoemde</para>
      <para>uitspraken in beginsel rechtens aanvaardbaar bevonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Omtrent het thans aan de orde zijnde, door de rechtbank</para>
      <para>gewraakte, onderdeel van appellants beleid heeft de Raad zich</para>
      <para>evenwel nog niet expliciet uitgelaten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Betreffende de overwegingen van de rechtbank erop meerkomende</para>
      <para>dat had moeten worden aangetoond dat er in dit geval sprake was</para>
      <para>van daadwerkelijke beperking van kosten als gevolg van het</para>
      <para>schoolbezoek, verwijst de Raad allereerst naar zijn uitspraak</para>
      <para>van 9 juli 1999 (USZ 1999, 238), inhoudende vernietiging van de</para>
      <para>eerdere uitspraak van de rechtbank, naar welke in de</para>
      <para>aangevallen uitspraak ten aanzien van dit aspect is verwezen.</para>
      <para>In die uitspraak van de Raad heeft hij zich verenigd met de</para>
      <para>zienswijze van appellant dat een verhoging krachtens artikel 13</para>
      <para>van de AAW een forfaitair, niet kostendekkend bedoeld, karakter</para>
      <para>heeft, zodat er bij toepassing van het dienaangaande</para>
      <para>gehanteerde beleid, waarbij dat karakter als uitgangspunt is</para>
      <para>genomen, geen gehoudenheid is om de in concreto optredende mate</para>
      <para>van kostenbesparing te toetsen. In zoverre onderschrijft de</para>
      <para>Raad dan ook de zienswijze van appellant en volgt hij het</para>
      <para>desbetreffende gedeelte van de aangevallen uitspraak niet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad kan zich evenwel voor het overige wel in grote lijnen</para>
      <para>verenigen met hetgeen in de aangevallen uitspraak is overwogen</para>
      <para>omtrent de consequenties die op basis van meergenoemd beleid</para>
      <para>zijn verbonden aan het bezoeken van een school voor regulier</para>
      <para>voortgezet onderwijs, zij het dat de Raad niet zozeer van</para>
      <para>belang acht welke mogelijkheden een school voor voortgezet</para>
      <para>onderwijs heeft voor de opvang van gehandicapte leerlingen,</para>
      <para>maar vooral welk effect het bezoeken van een dergelijke school</para>
      <para>heeft wat betreft ontlasting van ouders en/of verzorgers. De</para>
      <para>Raad heeft in dit verband doen wegen dat van appellants kant</para>
      <para>ter zitting van de Raad desgevraagd is aangegeven dat bij de</para>
      <para>totstandkoming van het beleid niet uitdrukkelijk aandacht is</para>
      <para>besteed aan de vraag of het bezoeken van reguliere scholen in</para>
      <para>dit verband op één lijn gesteld kan worden met het gebruikmaken</para>
      <para>van speciaal op gehandicapten gerichte voorzieningen, zoals</para>
      <para>dagverblijven. Het is voor de Raad op basis van gegevens van</para>
      <para>algemene bekendheid ook bepaald niet evident dat zo'n</para>
      <para>gelijkstelling vanuit het oogpunt van ontlasting qua verzorging</para>
      <para>en oppassing op haar plaats is en evenmin dat de bedoelde</para>
      <para>ontlasting -zelfs als een reguliere school op 5 dagen per week</para>
      <para>wordt bezocht- als van beduidende omvang als bedoeld in dat</para>
      <para>beleid kan worden beschouwd. Van algemene bekendheid is immers</para>
      <para>dat in het voortgezet onderwijs sprake is van een groot aantal</para>
      <para>vrije weken (zo'n 14 per jaar) en ook dat er regelmatig</para>
      <para>wisselingen optreden van begin- en eindtijden van de lessen,</para>
      <para>waardoor aan het ontlastende effect van het schoolbezoek</para>
      <para>aanzienlijk wordt afgedaan.</para>
      <para>Bij gebreke van enige onderbouwing van (de toepassing van)</para>
      <para>appellants beleid op dit punt houdt de Raad het ervoor dat het</para>
      <para>op gelijke voet als bij het bezoeken van een dagverblijf</para>
      <para>beperken van de verhoging van de uitkering ex artikel 13 van de</para>
      <para>AAW, de grenzen van een redelijke beleidsbepaling te buiten</para>
      <para>gaat. Het betrokken beleidsonderdeel kan dan ook niet als</para>
      <para>grondslag dienen om ten aanzien van gedaagde het</para>
      <para>uitkeringspercentage op 85 te stellen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor</para>
      <para>bevestiging in aanmerking komt, zij het dat appellant een nieuw</para>
      <para>besluit op bezwaar zal moeten nemen met inachtneming van deze</para>
      <para>uitspraak van de Raad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad constateert ten slotte dat niet op grond van artikel</para>
      <para>8:75 van de Awb vergoeding van kosten is gevorderd, terwijl de</para>
      <para>Raad daarvan ook overigens niet is gebleken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Beslist wordt derhalve als volgt.</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat</para>
      <para>appellant een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met</para>
      <para>inachtneming van hetgeen in deze uitspraak van de Raad is</para>
      <para>overwogen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr M.I. 't Hooft als voorzitter en</para>
      <para>mr D.J. van der Vos en mr Th.M. Schelfhout als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van mr S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning als</para>
      <para>griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) M.I. 't Hooft.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>JdB</para>
      <para>0307</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>