<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8935</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-04-13T14:38:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8935</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-07-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">99/5414 WVG</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0006169&amp;artikel=2&amp;g=2000-07-18">Wet voorzieningen gehandicapten 2</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0006169&amp;artikel=3&amp;g=2000-07-18">Wet voorzieningen gehandicapten 3</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8935">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8935</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:57:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-10-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8935 Centrale Raad van Beroep , 18-07-2000 / 99/5414 WVG</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8935:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8935:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>99/5414 WVG</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A., wonende te B., appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente</para>
      <para>Katwijk, gedaagde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 17 augustus 1998 heeft gedaagde appellant in</para>
      <para>kennis gesteld van het besluit waarbij zijn verzoek om</para>
      <para>verstrekking van een aangepaste auto in bruikleen, is</para>
      <para>afgewezen. Dit besluit is genomen op grond van het bepaalde in</para>
      <para>de op de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG) steunende</para>
      <para>Verordening voorzieningen gehandicapten van de gemeente</para>
      <para>Katwijk (de Verordening).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De tegen dit besluit door appellant ingebrachte bezwaren heeft</para>
      <para>gedaagde bij besluit van 12 november 1998 ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage heeft bij</para>
      <para>uitspraak van 23 september 1999 het tegen het laatstgenoemd</para>
      <para>besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft op bij het beroepschrift aangevoerde gronden</para>
      <para>tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft bij schrijven van 19 januari 2000 van verweer</para>
      <para>gediend en bij brief van 28 maart 2000 nog een inlichting</para>
      <para>verstrekt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 6</para>
      <para>juni 2000, waar appellant in persoon is verschenen en waar</para>
      <para>gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door M.J. Dikkers.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant, geboren in 1955, is vanwege de ziekte multiple</para>
      <para>sclerose rolstoelgebonden. In 1990 is appellant door de</para>
      <para>toenmalige bevoegde bedrijfsvereniging op grond van het</para>
      <para>bepaalde bij en krachtens artikel 57, tweede lid, van de</para>
      <para>Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (oud) bij wege van</para>
      <para>vervoersvoorziening in aanmerking gebracht voor een auto in</para>
      <para>bruikleen. Bij brief van 23 maart 1998 heeft appellant</para>
      <para>gedaagde aandacht gevraagd voor (onder meer) zijn problemen</para>
      <para>bij het maken van de transfers tussen zijn rolstoel en zijn</para>
      <para>auto. Uit het aanvraagformulier van</para>
      <para>14 april 1998 blijkt dat appellant, mede gelet op de ter</para>
      <para>zitting van de Raad door hem gegeven toelichting, daarbij het</para>
      <para>oog had op een vervangende auto in bruikleen, waarin hij</para>
      <para>zelfsturend in zijn rolstoel op de bestuurdersplaats zou</para>
      <para>kunnen rijden, dan wel een auto in bruikleen, geschikt voor</para>
      <para>vervoer van een rolstoelgebruiker en bestuurd door een derde.</para>
      <para>Bij advies van 5 juni 1998 is de arts</para>
      <para>A. Dalhuijsen, verbonden aan de GGD Duin- en Bollenstreek, tot</para>
      <para>de conclusie gekomen dat appellant medisch-ergonomisch in</para>
      <para>staat was gebruik te maken van een rolstoeltaxi. Daarop heeft</para>
      <para>gedaagde bij het primair besluit van 17 augustus 1998</para>
      <para>afwijzend beslist op het verzoek van appellant om zijn auto in</para>
      <para>bruikleen te vervangen, omdat een financiële tegemoetkoming in</para>
      <para>de kosten van het gebruik van de rolstoeltaxi als goedkoopst</para>
      <para>adequate voorziening in de zin van de Verordening valt aan te</para>
      <para>merken. In de vervoersbehoefte van appellant, onder meer</para>
      <para>verband houdend met zijn -naar tussen partijen niet in geschil</para>
      <para>is- omvangrijke maatschappelijke activiteiten als</para>
      <para>vrijwilliger, heeft gedaagde geen aanleiding gezien om</para>
      <para>niettemin een aangepaste bruikleenauto als vervoersvoorziening</para>
      <para>te verstrekken. Bij het bestreden besluit is deze afwijzing</para>
      <para>gehandhaafd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak met uitvoerige</para>
      <para>verwijzing naar de jurisprudentie van de Raad het bestreden</para>
      <para>besluit in stand gelaten. De Raad verenigt zich met de</para>
      <para>beslissing van de rechtbank en met de daaraan ten grondslag</para>
      <para>gelegde overwegingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd</para>
      <para>overweegt de Raad in aansluiting hierop nog als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het bestuur van de gemeente Katwijk heeft bij de Verordening</para>
      <para>uitvoering gegeven aan de hem in artikel 2 en 3 van de WVG</para>
      <para>opgedragen taak om doeltreffende, doelmatige en cliëntgerichte</para>
      <para>voorzieningen op te zetten ter bevordering van de deelneming</para>
      <para>aan het maatschappelijk verkeer van ter plaatse wonende</para>
      <para>gehandicapten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hierbij dient te worden bedacht dat de wetgever bewust ruimte</para>
      <para>heeft gelaten aan de gemeenten om naar eigen beleidsinzicht</para>
      <para>aan die opdracht gestalte te geven. Gelet daarop stond het aan</para>
      <para>het gemeentebestuur van de gemeente Katwijk vrij om, mede met</para>
      <para>het oog op de bij de WVG voorziene uitbreiding van de kring</para>
      <para>van potentiële gegadigden, bij en krachtens de Verordening te</para>
      <para>kiezen voor een ander -minder kostbaar- stelsel van</para>
      <para>vervoersvoorzieningen dan destijds in het kader van de AAW</para>
      <para>bestond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het is derhalve aan de gemeenten om, binnen voormeld globaal</para>
      <para>kader van de WVG, naar eigen beleidsinzicht en rekening</para>
      <para>houdend met de aanwezige middelen en plaatselijke</para>
      <para>omstandigheden, voorzieningen te creëren voor de bij die wet</para>
      <para>uitgebreide kring van gehandicapten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad stelt vast dat de Verordening aan gedaagde, naast de</para>
      <para>mogelijkheid om een aantal andere vervoersvoorzieningen toe te</para>
      <para>kennen, ook de bevoegdheid geeft om gehandicapten voor een</para>
      <para>(aangepaste) auto in bruikleen in aanmerking te brengen.</para>
      <para>Gedaagde heeft ter zitting van de Raad, evenals in eerste</para>
      <para>aanleg, in dit verband aangegeven, dat hij bij de vraag welke</para>
      <para>vervoersvoorziening moet worden getroffen, slechts zeer</para>
      <para>terughoudend van deze bevoegdheid gebruik maakt, waarbij te</para>
      <para>denken valt aan situaties van een jong gehandicapt kind dat</para>
      <para>deel uitmaakt van een gezin met meerdere kinderen, of gevallen</para>
      <para>waarin om medische redenen vervoer door derden niet mogelijk</para>
      <para>is. De Raad acht deze wijze van uitvoering, mede gelet op het</para>
      <para>hiervoor overwogene met betrekking tot het globale kader van</para>
      <para>de WVG, niet in strijd met doel en strekking van deze wet</para>
      <para>en/of de Verordening. De Raad stelt voorts vast dat appellants</para>
      <para>situatie niet vergelijkbaar is met de hiervoor omschreven</para>
      <para>gevallen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu uit het advies van de GGD blijkt dat appellant uit medisch</para>
      <para>oogpunt van een rolstoeltaxi gebruik kan maken, ziet de Raad</para>
      <para>ook uit dien hoofde geen belemmering voor gedaagde de door</para>
      <para>appellant gevraagde aangepaste bruikleenauto af te wijzen. De</para>
      <para>in eerste aanleg overgelegde door appellant opgestelde en door</para>
      <para>de neuroloog P.E. Briëtt onderschreven verklaring dat</para>
      <para>patiënten met multiple sclerose, waar mogelijk, in staat</para>
      <para>moeten worden gesteld om activiteiten te ontplooien en</para>
      <para>contacten te onderhouden, staat daaraan evenmin in de weg.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft terecht overwogen dat het thans bestreden</para>
      <para>besluit geen betrekking heeft op de kosten van het gebruik van</para>
      <para>een rolstoeltaxi en dat gedaagde op aanvraag van appellant</para>
      <para>tezijnertijd een beslissing heeft te nemen met inachtneming</para>
      <para>van hetgeen daaromtrent in de Verordening en het daarop</para>
      <para>steunende Besluit financiële tegemoetkomingen</para>
      <para>vervoersvoorzieningen gehandicapten (het Besluit) is bepaald.</para>
      <para>In dat verband zal gedaagde wederom dienen te beoordelen of,</para>
      <para>gelet op de alsdan voorhanden zijnde gegevens tegen het licht</para>
      <para>van de dan geldende regelgeving en uitvoeringspraktijk,</para>
      <para>gronden aanwezig zijn om, al dan niet met toepassing van de</para>
      <para>hardheidsclausule, een bijzonder geval aan te nemen waarin een</para>
      <para>hogere vergoeding toegekend kan worden dan waarin de</para>
      <para>Verordening en het Besluit strikt genomen voorzien. Daarbij</para>
      <para>merkt de Raad nog op dat in de toelichting op artikel 3.2 van</para>
      <para>de Verordening (in welke bepaling het recht op een</para>
      <para>vervoersvoorziening is geregeld) is vermeld, dat als in</para>
      <para>individuele gevallen sprake is van een bijzondere</para>
      <para>vervoersbehoefte het van toepassing zijnde normbedrag zowel in</para>
      <para>bovenwaartse zin als in neerwaartse zin kan worden bijgesteld.</para>
      <para>Of in het geval van appellant sprake is van een bijzondere</para>
      <para>vervoersbehoefte in de zin van de Verordening staat</para>
      <para>tezijnertijd primair ter beoordeling van gedaagde en staat</para>
      <para>thans in ieder geval -zoals gezegd- niet ter beoordeling van</para>
      <para>de Raad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hiervoor overwogene impliceert geenszins dat de Raad geen</para>
      <para>oog zou hebben voor de door appellant ondervonden problemen</para>
      <para>bij zijn vervoer of zou willen ontkennen dat een aan zijn</para>
      <para>handicap aangepaste auto in zijn situatie, mede gelet op het</para>
      <para>frequente gebruik dat daarvan wordt gemaakt ten behoeve van</para>
      <para>vele maatschappelijk nuttige activiteiten, geen voordelen</para>
      <para>heeft boven het gebruik van een rolstoeltaxi. Binnen het kader</para>
      <para>van de hier aan de orde zijnde regelgeving, als uitgelegd in</para>
      <para>de vaste jurisprudentie van de Raad, behoeft evenwel aan die</para>
      <para>voordelen geen doorslaggevende betekenis te worden toegekend</para>
      <para>in die zin dat alleen daardoor al een rechtsplicht voor</para>
      <para>gedaagde aanwezig moet worden geacht om een aangepaste auto in</para>
      <para>bruikleen te verstrekken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met inachtneming van het hiervoor overwogene komt de</para>
      <para>aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan</para>
      <para>het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet</para>
      <para>bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr M.I. 't Hooft als voorzitter en</para>
      <para>mr D.J. van der Vos en mr Ch.J.G. Olde Kalter als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van A.H. Huls als griffier, en uitgesproken</para>
      <para>in het openbaar op 18 juli 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) M.I. 't Hooft.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) A.H. Huls.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>JdB</para>
      <para>2606</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>