<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8931</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T23:19:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8931</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-08-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">97/7917 AAW/WAO</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=3:2&amp;g=2000-08-16">Algemene wet bestuursrecht 3:2</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 2000, 231</rdf:li>
          <rdf:li>JB 2000/309 met annotatie van prof. mr. A.W. Heringa</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2000/273 met annotatie van Redactie</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8931">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8931</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:57:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2006-07-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8931 Centrale Raad van Beroep , 16-08-2000 / 97/7917 AAW/WAO</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8931:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bij een mogelijke strijd met de redelijke termijn van art 6 EVRM moet het gaan om de termijn van de gerechtelijke procedure. Onder omstandigheden kan het optreden van het bestuursorgaan (ten dele) bij die termijn worden betrokken.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8931:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>97/7917 AAW/WAO</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A, wonende te B, appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale</para>
      <para>verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet</para>
      <para>Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk</para>
      <para>instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de</para>
      <para>betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv</para>
      <para>in de plaats getreden van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging. In</para>
      <para>deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van</para>
      <para>deze bedrijfsvereniging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 4 augustus 1995 heeft gedaagde geweigerd aan</para>
      <para>appellant uitkeringen ingevolge de Algemene</para>
      <para>Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de</para>
      <para>arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, onder</para>
      <para>overweging dat hij na afloop van de wachttijd op 5 april 1990</para>
      <para>minder dan 15% arbeidsongeschikt was.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank te Rotterdam heeft bij uitspraak van 17 juli 1997 het</para>
      <para>beroep tegen dat besluit ongegrond verklaard. Naar die uitspraak</para>
      <para>wordt hierbij verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant is mr P.J. de Bruin, advocaat te Rotterdam, op bij</para>
      <para>aanvullend beroepschrift aangegeven gronden van die uitspraak in</para>
      <para>hoger beroep gekomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>Appellants gemachtigde heeft nadere stukken ingezonden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft vragen van de Raad beantwoord.</para>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 5 juli 2000,</para>
      <para>waar voor appellant is verschenen mr De Bruin, voornoemd, terwijl</para>
      <para>voor gedaagde is verschenen mr P.C.M. Huijzer, werkzaam bij Gak</para>
      <para>Nederland B.V.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant was sedert 7 maart 1989 werkzaam als schoonmaker. Op 4</para>
      <para>april 1989 heeft hij zich ziek gemeld. Gedaagde heeft appellant</para>
      <para>vervolgens tot november 1989 ziekengeld ingevolge de Ziektewet</para>
      <para>betaald. In 1993 is het ziekengeld over de resterende termijn van</para>
      <para>de maximale aanspraak betaald.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Enkele maanden na zijn ziekmelding is appellant naar Marokko</para>
      <para>vertrokken. Hij verbleef daar tot eind 1992 of begin 1993 (begin</para>
      <para>januari 1993 bezocht hij gedaagdes kantoor). In 1993 is appellant</para>
      <para>weer naar Marokko vertrokken, waarna hij in mei 1994 in Nederland</para>
      <para>terugkeerde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 19 juli 1994 werd appellant onderzocht door de</para>
      <para>verzekeringsgeneeskundige J. van Oort. Op diens verzoek brachten de</para>
      <para>chirurg H. de Ruiter, de psychiater A. Korzec en de internist dr</para>
      <para>H.J. Voerman rapport uit omtrent appellants gezondheidstoestand.</para>
      <para>Voorts ontving genoemde verzekeringsgeneeskundige inlichtingen van</para>
      <para>appellants huisarts G.C. Horn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 29 maart 1995 rapporteerde de verzekeringsgeneeskundige Van Oort</para>
      <para>opnieuw. Naar aanleiding van de door hem omtrent appellants</para>
      <para>gezondheidstoestand verkregen gegevens alsmede op basis van zijn</para>
      <para>eigen onderzoek stelde deze verzekeringsgeneeskundige voor</para>
      <para>appellant een belastbaarheidspatroon vast.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vervolgens werd op 28 juni 1995 rapport uitgebracht door de</para>
      <para>arbeidsdeskundige J.H.F. Kitzen. Deze selecteerde een</para>
      <para>aantal functies voor appellant. Vergelijking van de mediane</para>
      <para>loonwaarde van die functies met het voor appellant geldende</para>
      <para>maatmaninkomen, door de arbeidsdeskundige Kitzen gesteld op</para>
      <para>diezelfde mediane loonwaarde, leidde hem tot de conclusie dat bij</para>
      <para>appellant op de in geding zijnde datum, 5 april 1990, geen sprake</para>
      <para>was van een verlies aan verdiencapaciteit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond daarvan heeft gedaagde het in rubriek I omschreven</para>
      <para>bestreden besluit van 4 augustus 1995 genomen. In geding is de</para>
      <para>vraag of dit besluit in rechte stand kan houden. De Raad overweegt</para>
      <para>daaromtrent het volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellants gemachtigde heeft aangevoerd dat bij de totstandkoming</para>
      <para>van het bestreden besluit niet een redelijke termijn als bedoeld in</para>
      <para>artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en</para>
      <para>de fundamentele vrijheden (EVRM) in acht is genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zoals de Raad eerder heeft overwogen in zijn uitspraak,</para>
      <para>gepubliceerd in AB 99/131, RSV 99/93 en RAwb 99/94, moet het bij</para>
      <para>artikel 6 EVRM gaan om de termijn van de gerechtelijke procedure.</para>
      <para>Weliswaar kan het optreden van het bestuursorgaan onder</para>
      <para>omstandigheden bij die termijn (ten dele) worden betrokken, maar</para>
      <para>dan dient voor het aanvangen van een termijn in de zin van artikel</para>
      <para>6 EVRM toch ten minste een standpunt van het bestuursorgaan voor</para>
      <para>handen te zijn dat de betrokkene aanleiding kan geven een geschil</para>
      <para>(in casu een burgerlijk recht betreffende) op te werpen. In casu</para>
      <para>was zulks gedurende de termijn welke appellants gemachtigde in</para>
      <para>aanmerking genomen wenst te zien, lopende van het eerste</para>
      <para>verzekeringsgeneeskundige rapport in 1991 tot de datum van het</para>
      <para>bestreden besluit 4 augustus 1995, niet het geval, althans niet tot</para>
      <para>de datum van de aan het bestreden besluit voorafgegane aanzegging</para>
      <para>van 24 juli 1995.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit neemt niet weg dat een vertraging in de afgifte van een besluit</para>
      <para>als het onderhavige onrechtmatigheid in bestuursrechtelijke zin kan</para>
      <para>meebrengen, in welk verband appellants gemachtigde met name heeft</para>
      <para>gewezen op de bewijsproblemen ten aanzien van zijn ziekte in welke</para>
      <para>problemen appellant als gevolg van de opgetreden vertraging is</para>
      <para>komen te verkeren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit laatste in aanmerking nemend, overweegt de Raad het volgende</para>
      <para>met betrekking tot het bestreden besluit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het tweede lid van de artikelen 24 van de AAW en 34 van de WAO,</para>
      <para>zoals deze op de in geding zijnde datum luidden, vindt ambtshalve</para>
      <para>toekenning van uitkeringen ingevolge deze wetten plaats indien de</para>
      <para>betrokkene aansluitend aan de uitkering van ziekengeld krachtens de</para>
      <para>Ziektewet voor uitkering in aanmerking komt. Op gedaagde rustte</para>
      <para>derhalve de verplichting ambtshalve te bezien of appellant na</para>
      <para>afloop van zijn wachttijd op 5 april 1990 aanspraak had op</para>
      <para>uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de Raad heeft het onderzoek naar appellants</para>
      <para>aanspraken niet met de vereiste zorgvuldigheid plaatsgevonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad merkt in de eerste plaats op dat geruime tijd sprake is</para>
      <para>geweest van een persoonsverwisseling doordat in gedaagdes</para>
      <para>administratie sprake was van twee personen met dezelfde naam.</para>
      <para>Voorts is bij herhaling op stukken, onder andere op adviesaanvragen</para>
      <para>aan de Caisse Nationale de Sécurité Sociale (CNSS) een onjuiste</para>
      <para>geboortedatum vermeld en zijn aan die instelling inlichtingen</para>
      <para>omtrent appellants gezondheidstoestand gevraagd terwijl het</para>
      <para>ziektewetjaar reeds lang was verstreken, zodat de CNSS geen</para>
      <para>controletaken meer verrichtte. Deze laatste omstandigheden kunnen</para>
      <para>er zeer wel debet aan zijn geweest dat van de zijde van de CNSS</para>
      <para>ondanks herhaalde verzoeken niets werd vernomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad wijst er voorts op dat langdurig onderzoek is</para>
      <para>verricht naar de verblijfplaats van appellant terwijl gedaagde in</para>
      <para>elk geval sedert januari 1992 over appellants adres in Marokko en</para>
      <para>in elk geval sedert december 1992 over het adres van appellants</para>
      <para>broer in Nederland beschikte.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de gedingstukken kan de Raad voorts niet afleiden dat aan</para>
      <para>appellant op enig moment kenbaar is gemaakt dat hij zich in</para>
      <para>Nederland diende te vervoegen opdat een beoordeling van zijn</para>
      <para>aanspraken ingevolge de AAW en de WAO kon plaatsvinden. Wel is aan</para>
      <para>appellant verzocht te bevorderen dat onderzoek door de CNSS plaats</para>
      <para>zou vinden. Die instelling heeft appellant evenwel vervolgens laten</para>
      <para>weten daartoe niet over te gaan omdat het ziektewetjaar was</para>
      <para>verstreken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad weegt verder mee dat het dossier verre van compleet is. Zo</para>
      <para>ontbreekt de door de verzekeringsgeneeskundige Van Oort in zijn</para>
      <para>rapport van 19 januari 1991 genoemde informatie van de arts Rachid</para>
      <para>Lahari en ontbreken gegevens omtrent de ziektewetperiode.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad neemt ook nog in aanmerking dat, toen in 1994 het onderzoek</para>
      <para>naar appellants aanspraken is gestart, waarbij expertises werden</para>
      <para>gevraagd aan de bovengenoemde artsen, dat onderzoek zich met name</para>
      <para>heeft gericht op appellants gezondheidstoestand bij de aanvang van</para>
      <para>zijn werkzaamheden in maart 1989. Met name in de verzoeken om</para>
      <para>expertise aan meergenoemde artsen is niet gevraagd naar appellants</para>
      <para>toestand op de hier van belang zijnde datum 5 april 1990, over</para>
      <para>welke datum deze artsen zich ook niet hebben uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van het vorenstaande komt de Raad tot het oordeel dat het</para>
      <para>bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet</para>
      <para>bestuursrecht geen stand kan houden. Dit besluit dient te worden</para>
      <para>vernietigd, evenals de aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit</para>
      <para>in stand is gelaten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde zal ten aanzien van appellants aanspraken</para>
      <para>ingevolge de AAW en de WAO een nieuw besluit moeten nemen. De Raad</para>
      <para>wijst erop dat gedaagde daarbij in aanmerking zal moeten nemen dat</para>
      <para>appellant door het lange tijdsverloop, welk verloop -zoals uit het</para>
      <para>hierboven overwogene blijkt- zeker niet aan appellant is te wijten,</para>
      <para>in een slechte bewijspositie is komen te verkeren, zodat er</para>
      <para>aanleiding is eventuele twijfel in zijn voordeel uit te leggen.</para>
      <para>De Raad tekent daarbij aan dat er naar zijn oordeel reeds nu</para>
      <para>vraagtekens zijn te plaatsen bij de vaststelling van de</para>
      <para>verzekeringsgeneeskundige Van Oort dat appellant in psychisch</para>
      <para>opzicht niet beperkt is. Die verzekeringsgeneeskundige is daarbij</para>
      <para>uitgegaan van de expertise van de psychiater Korzec. Deze stelde</para>
      <para>bij zijn onderzoek weinig ernstige psychopathologie vast. Met</para>
      <para>betrekking tot appellants toestand in het verleden merkt hij op dat</para>
      <para>in 1989 mogelijkerwijs sprake was van een angststoornis of een</para>
      <para>aanpassingstoornis met angst en dat het beloop na 1989 onduidelijk</para>
      <para>is. Uit een door appellants gemachtigde overgelegde verklaring van</para>
      <para>de neuropsychiater Ben Tahar Fouzia van 15 januari 1990 blijkt</para>
      <para>echter dat appellant op dat moment leed aan een ernstig</para>
      <para>anxiodepressief syndroom.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het volgende.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de</para>
      <para>Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de</para>
      <para>proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze</para>
      <para>kosten worden begroot op ? 1.420,- voor verleende rechtsbijstand in</para>
      <para>eerste aanleg en ? 1.420,- voor verleende rechtsbijstand in hoger</para>
      <para>beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in</para>
      <para>de artikelen 24 en 25, eerste lid, van de Beroepswet, stelt de Raad</para>
      <para>ten slotte vast dat het door appellant zowel in eerste aanleg als</para>
      <para>in hoger beroep gestorte griffierecht door gedaagde dient te worden</para>
      <para>vergoed.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Beslist wordt derhalve als volgt.</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit alsnog gegrond en</para>
      <para>vernietigt dat besluit;</para>
      <para>Verstaat dat gedaagde een nader besluit zal nemen met inachtneming</para>
      <para>van deze uitspraak;</para>
      <para>Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant, in eerste</para>
      <para>aanleg tot een bedrag groot f 1.420,- en in hoger beroep tot een</para>
      <para>bedrag groot f 1.420,-;</para>
      <para>Verstaat dat gedaagde aan appellant het gestorte recht van f 210,-</para>
      <para>vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr W.D.M. van Diepenbeek als voorzitter en mr</para>
      <para>M.M. van der Kade en mr T. Hoogenboom als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van C.H.T.W. van Rooijen als griffier en</para>
      <para>uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) W.D.M. van Diepenbeek.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) C.H.T.W. van Rooijen.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>