<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8930</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:57:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8930</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-08-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">98/7492 AWW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8930">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8930</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:57:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2006-06-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8930 Centrale Raad van Beroep , 09-08-2000 / 98/7492 AWW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8930:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>De verjaringstermijn van art 25 AWW moet buiten toepassing worden gelaten in geval van vermoedelijk overlijden.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8930:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>E N K E L V O U D I G E   K A M E R</para>
    <para />
    <para>98/7492 AWW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A te B, appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij beslissing op bezwaar van 14 maart 1997 heeft gedaagde aan</para>
      <para>appellant medegedeeld het besluit van 2 september 1996 te</para>
      <para>handhaven waarbij aan appellant met ingang van 1 januari 1994 een</para>
      <para>pensioen krachtens de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW) is</para>
      <para>toegekend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te Haarlem heeft bij uitspraak van 2</para>
      <para>september 1998 het tegen het bestreden besluit van</para>
      <para>14 maart 1997 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit</para>
      <para>vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde</para>
      <para>besluit in stand blijven alsmede gedaagde veroordeeld in de</para>
      <para>kosten van de procedure, aan de zijde van appellant begroot op</para>
      <para>f 1.420,- en tevens bepaald dat het Landelijk instituut sociale</para>
      <para>verzekeringen (lees: de Sociale Verzekeringsbank) aan appellant</para>
      <para>het griffierecht vergoedt ad f 55,-.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant is mr J.C. de Dood, advocaat te Zaandam, op de</para>
      <para>in een aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden van die</para>
      <para>uitspraak in hoger beroep gekomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 14 april 2000 heeft 's Raads fungerend voorzitter,</para>
      <para>met verwijzing naar een brief van de Sociale Verzekeringsbank,</para>
      <para>District Eindhoven, van 8 november 1996, gedaagde de vraag</para>
      <para>voorgelegd waarom aan appellant het AWW-pensioen niet met</para>
      <para>volledige terugwerkende kracht is verleend. In reactie daarop</para>
      <para>heeft gedaagde de Raad bij brief van 10 mei 2000 bericht dat in</para>
      <para>het geval van appellant de verjaringsbepaling buiten toepassing</para>
      <para>dient te blijven nu sprake is van vermoedelijk overlijden. Tevens</para>
      <para>heeft gedaagde de Raad -mede om proces-economische</para>
      <para>redenen- verzocht om zelf in de zaak te voorzien.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen hebben toestemming gegeven voor het achterwege blijven</para>
      <para>van een zitting.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 juli 1996 is in werking getreden de Algemene</para>
      <para>nabestaandenwet (Anw), welke wet in de plaats is getreden van de</para>
      <para>AWW. Ingevolge artikel 105, tweede lid, van de Anw blijven de AWW</para>
      <para>en de daarop rustende bepalingen van toepassing op rechten,</para>
      <para>verplichtingen en bevoegdheden over de tijdvakken gelegen voor 1</para>
      <para>juli 1996.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan rubriek 2 van de aangevallen uitspraak, waarin</para>
      <para>appellant is aangeduid als eiser en gedaagde als verweerder,</para>
      <para>ontleent de Raad de navolgende feiten en omstandigheden:"In 1990</para>
      <para>is de echtgenote van eiser, C, verdwenen en nadien heeft niemand</para>
      <para>meer iets van haar vernomen. Eiser heeft op 6 mei 1990 aangifte</para>
      <para>gedaan van haar vermissing. Op 13 januari 1995 heeft eiser</para>
      <para>verweerder verzocht om een weduwnaars-pensioen krachtens de</para>
      <para>Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW).</para>
      <para>Verweerder heeft eiser hierop bij brief van 9 maart 1995 bericht</para>
      <para>dat zijn aanvraag in behandeling zal worden genomen wanneer de</para>
      <para>akte van overlijden van zijn echtgenote zou worden ontvangen. Op</para>
      <para>26 maart 1996 heeft eiser de beschikking van de rechtbank van</para>
      <para>27 februari 1996 waarbij is uitgesproken dat sinds 5 mei 1990 het</para>
      <para>rechtsvermoeden van overlijden van C, geboren in 1948 te D,</para>
      <para>bestaat, aan verweerder overgelegd. Uit de "Akte van inschrijving</para>
      <para>van rechtelijke uitspraak" van 15 mei 1996 blijkt dat de</para>
      <para>gemeentelijke basisadministratie als datum van overlijden van C,</para>
      <para>... in 1990, heeft ingeschreven, de datum van haar vermissing.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft met toepassing van artikel 25, lid 3, van de AWW</para>
      <para>aan appellant een pensioen ingevolge die wet toegekend met ingang</para>
      <para>van 1 januari 1994, zijnde één jaar voor de aanvraagdatum. Een</para>
      <para>bijzonder geval als bedoeld in artikel 25, lid 5, van de AWW, op</para>
      <para>grond waarvan aan de toekenning van het pensioen een langere</para>
      <para>terugwerkende kracht zou kunnen worden gegeven dan één jaar, is</para>
      <para>door gedaagde niet aanwezig geacht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tussen partijen is uitsluitend in geding de ingangsdatum van het</para>
      <para>AWW-pensioen van appellant. Appellant heeft gedaagde verzocht hem</para>
      <para>het AWW-pensioen toe te kennen met terugwerkende kracht tot de</para>
      <para>datum van het overlijden van zijn echtgenote.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op de hiervoor in rubriek I vermelde brief van 10 mei 2000</para>
      <para>is gedaagde thans van mening dat de verjaringsbepaling buiten</para>
      <para>toepassing dient te blijven. De Raad stelt vast dat gedaagde</para>
      <para>inmiddels het standpunt inneemt dat reden bestaat om het pensioen</para>
      <para>van appellant ingevolge artikel 25, lid 1, van de AWW in te laten</para>
      <para>gaan op de eerste dag van de maand, waarin appellant aan de</para>
      <para>voorwaarden voor het recht op pensioen voldoet, derhalve op 1 mei</para>
      <para>1990. Mede gelet op het verzoek van gedaagde acht de Raad termen</para>
      <para>aanwezig om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de</para>
      <para>Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak te voorzien door</para>
      <para>te bepalen dat aan appellant het pensioen ingevolge de AWW wordt</para>
      <para>toegekend met ingang van 1 mei 1990.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht termen aanwezig om gedaagde met toepassing van</para>
      <para>artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van</para>
      <para>appellant in hoger beroep, begroot op f 710,- voor verleende</para>
      <para>rechtsbijstand.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tevens dient gedaagde aan appellant het griffierecht in hoger</para>
      <para>beroep ad f 160,- te vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij is bepaald</para>
      <para>dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand</para>
      <para>blijven en bevestigt die uitspraak voor het overige;</para>
      <para>Bepaalt dat aan appellant het pensioen ingevolge de AWW wordt</para>
      <para>toegekend met ingang van 1 mei 1990;</para>
      <para>Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in hoger</para>
      <para>beroep tot een bedrag groot f 710,-;</para>
      <para>Bepaalt dat gedaagde aan appellant het gestorte griffierecht ad f</para>
      <para>160,- vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr N.J. Haverkamp, in tegenwoordigheid van</para>
      <para>J.J.B. van der Putten als griffier, en uitgesproken in het</para>
      <para>openbaar op 9 augustus 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) N.J. Haverkamp.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) J.J.B. van der Putten.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>IS</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>