<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8925</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T22:18:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8925</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-07-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">99/4902 ZFW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:69&amp;g=2000-07-11">Algemene wet bestuursrecht 8:69</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RZA 2000, 120</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8925">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8925</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:57:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-10-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8925 Centrale Raad van Beroep , 11-07-2000 / 99/4902 ZFW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8925:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8925:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>99/4902 ZFW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A., wonende te B., appellante,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onderlinge Waarborgmaatschappij Zorgverzekeraar Zorg en</para>
      <para>Zekerheid u.a., gevestigd te Leiden, gedaagde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 21 november 1996 (het bestreden besluit) heeft</para>
      <para>gedaagde het bezwaar van appellante tegen zijn eerdere besluit</para>
      <para>van 17 september 1996, waarbij schadevergoeding werd gevorderd</para>
      <para>wegens onrechtmatige inschrijving van twee kinderen van</para>
      <para>appellante als medeverzekerden ingevolge de Ziekenfondswet</para>
      <para>(ZFW) gedurende de periode van 28 juni 1991 tot 28 juni 1996,</para>
      <para>kennelijk ongegrond verklaard en het besluit van 17 september</para>
      <para>1996 in zoverre herzien dat schadevergoeding wordt gevorderd</para>
      <para>over de periode van 3 juli 1989 tot 3 juli 1994.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te Amsterdam heeft het tegen dat</para>
      <para>besluit ingestelde beroep bij uitspraak van 1 juli 1999</para>
      <para>ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Appellante heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.</para>
    <para />
    <para>Door gedaagde is een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>Desgevraagd is door appellante nadere informatie verstrekt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op</para>
      <para>30 mei 2000, waar appellante zich heeft laten</para>
      <para>vertegenwoordigen door haar echtgenoot, de heer C., en waar</para>
      <para>gedaagde (na door de Raad te zijn opgeroepen om te verschijnen</para>
      <para>bij gemachtigde) zich heeft laten vertegenwoordigen door mr</para>
      <para>M.G.M. Snep, juridisch medewerker bij gedaagde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In dit geding is de vraag aan de orde of het bestreden besluit</para>
      <para>in rechte stand kan houden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt het volgende.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De feiten waarop de vordering van gedaagde berust, zijn in het</para>
      <para>bestreden besluit -voor zover thans van belang- als volgt</para>
      <para>weergegeven:</para>
      <para>"De verzekerde is met ingang van 1 april 1989 ingeschreven bij</para>
      <para>Zorg en Zekerheid als verplicht verzekerde (..) Haar beide</para>
      <para>kinderen, (..) zijn met ingang van diezelfde datum</para>
      <para>ingeschreven als haar medeverzekerden. Op 28 juni 1996</para>
      <para>ontvangt Zorg en Zekerheid van verzekerde een</para>
      <para>controleformulier (..) terug, waarop zij aangeeft dat zij</para>
      <para>sinds augustus 1989 samenwoont. (..) Op 29 juli 1996 ontvangt</para>
      <para>Zorg en Zekerheid van de gemeente Ouderkerk aan de Amstel het</para>
      <para>bericht dat verzekerde sinds 3 juli 1989 samenwoont. Zorg en</para>
      <para>Zekerheid heeft daarop geconstateerd dat de beide kinderen</para>
      <para>geen recht hadden op inschrijving als medeverzekerde van 3</para>
      <para>juli 1989 tot 28 juni 1996.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In hoger beroep is appellante, die in eerste aanleg werd</para>
      <para>bijgestaan door mr M.S. Roosblad, destijds advocaat te</para>
      <para>Amsterdam, zelf haar belangen gaan behartigen en heeft zij</para>
      <para>gesteld dat zij niet sinds 1 april 1989 is ingeschreven bij</para>
      <para>gedaagde, maar per 3 juli 1989, en dat zij zich bij</para>
      <para>gelegenheid van haar inschrijving ook jegens gedaagde als</para>
      <para>samenwonende sinds 3 juli 1989 heeft gepresenteerd. Appellante</para>
      <para>stelt dat zij dit ook aan haar toenmalige raadsman in eerste</para>
      <para>aanleg heeft verteld, maar dat daarover niets is terug te</para>
      <para>vinden in de door hem opgestelde gedingstukken. Tevens is door</para>
      <para>appellante als grief naar voren gebracht dat Zorg en Zekerheid</para>
      <para>niet meer beschikt over het aanmeldingsformulier, zodat door</para>
      <para>gedaagde niet kan worden aangetoond dat appellante bij de</para>
      <para>inschrijving/aanmelding relevante informatie heeft</para>
      <para>achtergehouden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op verzoek van de Raad heeft appellante haar standpunt</para>
      <para>onderbouwd door het indienen van een uittreksel uit de</para>
      <para>gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. Op dit</para>
      <para>uittreksel is onder andere vermeld dat appellante eerder</para>
      <para>geregistreerd is geweest als wonende te Amsterdam tot</para>
      <para>3 juli 1989 en als wonende te Duivendrecht (gemeente</para>
      <para>Ouder-Amstel) vanaf 3 juli 1989. Daarnaast heeft appellante</para>
      <para>een brief van 3 april 2000 van Onderlinge Waarborgmaatschappij</para>
      <para>ZAO Zorgverzekeringen u.a. (ZAO), gevestigd te Amsterdam, in</para>
      <para>het geding gebracht, waarin is vermeld dat zij bij ZAO was</para>
      <para>ingeschreven als ziekenfondsverzekerde van 3 september 1978</para>
      <para>tot en met 18 juni 1989.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Door gedaagde is primair aangevoerd dat appellante zich in een</para>
      <para>te laat stadium, immers pas in hoger beroep er op beroept dat</para>
      <para>gedaagde het aanmeldingsformulier niet meer kan overleggen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts heeft gedaagde subsidiair ter zitting van de Raad</para>
      <para>betoogd dat van de juistheid van de door hem gestelde feiten</para>
      <para>moet worden uitgegaan. Ter ondersteuning daarvan is aangevoerd</para>
      <para>dat uit de (computer)gegevens van gedaagde blijkt dat er ten</para>
      <para>aanzien van appellante op 13 januari 1990 een mutatie heeft</para>
      <para>plaatsgevonden, te weten dat een bedrag aan nominale premie in</para>
      <para>verband met de verplichte verzekering ingevolge de ZFW is</para>
      <para>ontvangen, en dat daaruit kan worden afgeleid dat appellante</para>
      <para>bij gedaagde met terugwerkende kracht als verzekerde is</para>
      <para>ingeschreven. Daarbij is door de gemachtigde van gedaagde</para>
      <para>gesteld dat, nu in het geautomatiseerde systeem van gedaagde</para>
      <para>is vermeld dat appellante per 1 april 1989 als verzekerde is</para>
      <para>ingeschreven, van de juistheid van deze datum moet worden</para>
      <para>uitgegaan. Tevens is ter zitting desgevraagd zijdens gedaagde</para>
      <para>meegedeeld dat niet is onderzocht in hoeverre door appellante</para>
      <para>nominale premies zijn betaald met betrekking tot de periode</para>
      <para>vòòr 13 januari 1990 en dat in verband met een schoning van de</para>
      <para>bestanden in 1994 niet meer is na te gaan of er voor 3 juli</para>
      <para>1989 op grond van de ZFW verstrekkingen zijn verleend aan</para>
      <para>appellante en/of haar kinderen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht het in het onderhavige geval niet in strijd met</para>
      <para>een goede procesorde dat appellante in hoger beroep nieuwe</para>
      <para>grieven naar voren heeft gebracht, omdat gedaagde in hoger</para>
      <para>beroep voldoende in de gelegenheid is geweest</para>
      <para>om tegen die grieven gemotiveerd verweer te voeren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Mede gelet op voormelde -geadstrueerde- grieven van appellante</para>
      <para>ziet de Raad zich thans primair voor de vraag gesteld of</para>
      <para>gedaagde voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat appellante</para>
      <para>destijds gedaagde relevante gegevens heeft onthouden, waardoor</para>
      <para>haar kinderen ten onrechte als medeverzekerden bij het</para>
      <para>ziekenfonds zijn ingeschreven geweest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend omdat door gedaagde</para>
      <para>ter ondersteuning van haar stelling dat appellante de</para>
      <para>inlichtingenplicht zou hebben geschonden, geen andere</para>
      <para>bewijsmiddelen naar voren zijn gebracht dan een verwijzing</para>
      <para>naar voormelde gegevens uit het geautomatiseerde systeem van</para>
      <para>gedaagde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het onderbouwde andersluidende standpunt van</para>
      <para>appellante, waarvoor ten aanzien van de door haar gestelde</para>
      <para>ingangsdatum van de verzekering bij gedaagde met name steun is</para>
      <para>te vinden in de door haar in hoger beroep overgelegde en ter</para>
      <para>zitting nader toegelichte stukken, en het feit dat, naar</para>
      <para>tussen partijen in confesso is, ten tijde in geding een</para>
      <para>verzekerde zich moest aanmelden en inschrijven bij een</para>
      <para>ziekenfonds dat werkzaam was in zijn woonplaats, acht de Raad</para>
      <para>de door gedaagde ter ondersteuning van haar standpunt</para>
      <para>aangevoerde bewijsmiddelen onvoldoende concreet om als</para>
      <para>vaststaand aan te kunnen nemen dat appellante met ingang van 1</para>
      <para>april 1989 bij gedaagde als verzekerde is ingeschreven en niet</para>
      <para>tijdig heeft meegedeeld dat zij met ingang van 3 juli 1989</para>
      <para>samenwoonde. In dit verband acht de Raad mede van belang dat</para>
      <para>gedaagde pas zeven jaar na de door haar gestelde</para>
      <para>inschrijvingsdatum door middel van een controleformulier</para>
      <para>onderzoek heeft gedaan naar de rechtmatigheid van de</para>
      <para>inschrijving van appellante en haar twee kinderen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De omstandigheid dat gedaagde het aanmeldingsformulier van</para>
      <para>appellante thans niet meer kan overleggen, leidt de Raad niet</para>
      <para>tot een ander oordeel, nu dit onder de gegeven omstandigheden</para>
      <para>voor risico van gedaagde komt. De Raad overweegt daartoe het</para>
      <para>volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting van de Raad is door de gemachtigde van gedaagde</para>
      <para>uiteengezet dat gedaagde bij toezending van de</para>
      <para>controleformulieren selectie 'at random' (op postcode) laat</para>
      <para>plaatsvinden, waardoor het zeer wel mogelijk is dat feitelijk</para>
      <para>niet bij iedere verzekerde één maal in de vijf jaar controle</para>
      <para>plaatsvindt, zoals op grond van (de bijlage bij) het Besluit</para>
      <para>controle op de rechtmatigheid van inschrijving als</para>
      <para>ziekenfondsverzekerde 1990 is vereist. Tevens is aangevoerd</para>
      <para>dat gedaagde op grond van de richtlijnen van de (voormalige)</para>
      <para>Ziekenfondsraad bij circulaire dd. 6 mei 1981, nr. 105/81,</para>
      <para>waarin is bepaald dat een aanmeldingsformulier vijf</para>
      <para>kalenderjaren bewaard dient te worden na het jaar waarin de</para>
      <para>inschrijving tot stand is gekomen, de aanmeldingsformulieren</para>
      <para>niet (veel) langer bewaart dan gedurende voormelde termijn.</para>
      <para>Naar het oordeel van de Raad is het aan gedaagde om bij de</para>
      <para>toezending van de controleformulieren een selectie te laten</para>
      <para>plaatsvinden die er wel toe leidt dat (nagenoeg) alle</para>
      <para>verzekerden in een periode van vijf jaar in de controle worden</para>
      <para>betrokken, en staat voormelde circulaire er niet aan in de weg</para>
      <para>dat aanmeldingsformulieren gedurende een langere termijn</para>
      <para>bewaard kunnen worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op bovenstaande overwegingen treft het hoger beroep doel</para>
      <para>en dient beslist te worden als hierna onder III vermeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan</para>
      <para>het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet</para>
      <para>bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad beslist als volgt.</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit;</para>
      <para>Verstaat dat gedaagde een nader besluit neemt met inachtneming</para>
      <para>van het in deze uitspraak overwogene.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr M.I. 't Hooft als voorzitter en</para>
      <para>mr D.J. van der Vos en mr R.M. van Male als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van B.M. van Leeuwen als griffier, en</para>
      <para>uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) M.I. 't Hooft.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) B.M. van Leeuwen.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>JdB</para>
      <para>2206</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>