<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8921</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-17T10:07:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8921</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-07-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">98/5322 ZFW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0011825&amp;artikel=3&amp;g=2000-07-11">Vreemdelingenbesluit 2000 3</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0011825&amp;artikel=4&amp;g=2000-07-11">Vreemdelingenbesluit 2000 4</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002460&amp;artikel=8&amp;g=2000-07-11">Ziekenfondswet 8</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0004359&amp;g=2000-07-11">Regeling hulp in het buitenland ziekenfondsverzekering.</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AB 2000, 487 met annotatie van I.C. van der Vlies</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 2000, 195</rdf:li>
          <rdf:li>RZA 2000, 101</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2000/246</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8921">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8921</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:57:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-10-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8921 Centrale Raad van Beroep , 11-07-2000 / 98/5322 ZFW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8921:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8921:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>98/5322 ZFW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A, wonende te B, appellante,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>OWM Regionaal Ziekenfonds Groningen U.A., te Groningen,</para>
      <para>gedaagde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellante is mr J.W. Brouwer, advocaat te</para>
      <para>Groningen, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden</para>
      <para>in hoger beroep gekomen van een door de</para>
      <para>Arrondissementsrechtbank te Groningen onder dagtekening 12</para>
      <para>juni 1998 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij</para>
      <para>wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft bij schrijven van 14 december 1998 van verweer</para>
      <para>gediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op</para>
      <para>30 mei 2000, waar appellante is verschenen bij haar</para>
      <para>gemachtigde, mr Brouwer voornoemd. Gedaagde heeft zich daar</para>
      <para>niet laten vertegenwoordigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor een meer uitvoerig overzicht van de van belang zijnde</para>
      <para>feiten en omstandigheden, de standpunten van partijen en de</para>
      <para>van toepassing zijnde regelgeving verwijst de Raad naar</para>
      <para>hetgeen daaromtrent in de aangevallen uitspraak is vermeld.</para>
      <para>In dit kader memoreert de Raad kortheidshalve dat gedaagde</para>
      <para>heeft geweigerd de door appellante en haar echtgenoot in de</para>
      <para>Universitaire Vrouwenkliniek te Gent ondergane in vitro</para>
      <para>fertilisatie (IVF) behandeling te vergoeden op de grond dat</para>
      <para>die behandeling geen verstrekking is in de zin van artikel 8</para>
      <para>van de Ziekenfondswet (Zfw) en het Verstrekkingenbesluit</para>
      <para>Ziekenfondsverzekering (Vb).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Commissie voor beroepszaken van de Ziekenfondsraad heeft in</para>
      <para>haar advies van 16 april 1997 aangegeven dat gedaagde er</para>
      <para>terecht vanuit is gegaan dat de behandeling waarvan vergoeding</para>
      <para>is verzocht geen verstrekking is in de zin van de Zfw. IVF</para>
      <para>wordt immers in het Besluit niet-klinische buitenlichamelijke</para>
      <para>bevruchting ziekenfondsverzekering nadrukkelijk van de</para>
      <para>aanspraak op niet-klinische specialistische hulp in de zin van</para>
      <para>artikel 3, onder b, van het Vb uitgesloten. Ten overvloede</para>
      <para>heeft voornoemde Commissie gesteld dat vergoeding terecht</para>
      <para>geweigerd is nu de in geding zijnde behandeling gevormd wordt</para>
      <para>door een combinatie van ICSI (Intra Cytoplasmatische</para>
      <para>Spermatozoa Injectie) en TESE (Testiculaire Sperma Extractie),</para>
      <para>waarbij vergoeding van de ICSI-behandeling alleen mogelijk is</para>
      <para>op basis van de Regeling subsidiëring Ziekenfondsraad IVF</para>
      <para>wanneer deze behandeling wordt uitgevoerd in een ziekenhuis</para>
      <para>met een speciaal daarvoor verleende vergunning, terwijl de</para>
      <para>TESE-techniek in Nederland ten tijde in geding nog in het</para>
      <para>geheel niet werd uitgevoerd, zelfs niet op experimentele</para>
      <para>basis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het hoger beroepschrift wordt namens appellante niet langer</para>
      <para>bestreden dat IVF geen verstrekking is in de zin van artikel 8</para>
      <para>van de Zfw. Wel wordt bestreden dat als gevolg daarvan geen</para>
      <para>beroep mogelijk is op artikel 22 van de EG-Verordening</para>
      <para>1408/71. Daartoe is gewezen op de in artikel 22, eerste lid,</para>
      <para>onder c voorkomende woorden "een voor zijn gezondheidstoestand</para>
      <para>passende behandeling". Dit artikel moet volgens appellante,</para>
      <para>die verwijst naar de uitspraak van de Raad van 15 april 1982</para>
      <para>(1981/2 ZFW) gepubliceerd in PS 1982/309, zodanig worden</para>
      <para>uitgelegd dat bij de zorgverzekeraar een verplichting tot</para>
      <para>betaling bestaat, indien de betreffende behandeling een</para>
      <para>noodzakelijke en doeltreffende therapie vormt voor de</para>
      <para>aandoening.</para>
      <para>Namens appellante is in dit kader gesteld dat de gecombineerde</para>
      <para>ICSI- en TESE-behandeling in Gent kan worden aangemerkt als</para>
      <para>noodzakelijk en doeltreffend en dat derhalve toestemming</para>
      <para>daarvoor niet geweigerd kon worden, zeker niet nu sedert de</para>
      <para>arresten van het Hof van Justitie van de Europese</para>
      <para>Gemeenschappen van 28 april 1998 (zaak</para>
      <para>C-120/96 inzake Decker en zaak C-158/96 inzake Kohll) vergoeding van</para>
      <para>kosten voor in een ander lidstaat ontvangen</para>
      <para>wettelijke prestaties niet langer moet worden beschouwd als</para>
      <para>een door de verzekeringsorganen verleende gunst maar als een</para>
      <para>afdwingbaar communautair recht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft de gemachtigde van appellante alsnog</para>
      <para>aangevoerd dat in het licht van de uitspraak van de Raad van 9</para>
      <para>april 1999 (97/1079 ZFW) de toestemming om althans het</para>
      <para>ICSI-gedeelte van de behandeling in het buitenland te</para>
      <para>ondergaan niet geweigerd kon worden omdat dat deel van de</para>
      <para>behandeling thans ook in daarvoor aangewezen klinieken in</para>
      <para>Nederland wordt uitgevoerd en daarvoor een wachttijd van twee</para>
      <para>á drie jaar bestaat, zodat in elk geval voor dàt deel van de</para>
      <para>in Gent ondergane behandeling gesproken kan worden van een</para>
      <para>wettelijke prestatie -een verstrekking- waarin het woonland</para>
      <para>voorziet, terwijl die hulp niet gegeven kon worden binnen de</para>
      <para>termijn die daarvoor gewoonlijk in het woonland wordt gesteld.</para>
      <para>Tevens is namens appellante gesteld dat zij, voorzover zij op</para>
      <para>grond van het Vb niet in aanmerking zou komen voor vergoeding,</para>
      <para>zij daar op grond van de Regeling subsidiëring Ziekenfondsraad</para>
      <para>IVF voor in aanmerking had moeten worden gebracht nu er sprake</para>
      <para>is van het uitblijven van zwangerschap om medische redenen en</para>
      <para>ingevolge de genoemde arresten van het Hof van Justitie van de</para>
      <para>Europese Gemeenschappen toestemming voor de behandeling,</para>
      <para>althans het in de kring der Nederlandse beroepsgenoten</para>
      <para>gebruikelijke ICSI-deel daarvan, niet geweigerd kon worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het Besluit niet-klinische buitenlichamelijke bevruchting</para>
      <para>ziekenfondsverzekering wordt IVF nadrukkelijk van de aanspraak</para>
      <para>op niet-klinische specialistische hulp in de zin van artikel</para>
      <para>3, onder b, van het Vb uitgesloten.</para>
      <para>Wel is het mogelijk, als sprake is van het uitblijven van</para>
      <para>zwangerschap om (verondersteld) medische redenen, een of meer</para>
      <para>vanwege de Regeling subsidiëring Ziekenfondsraad IVF</para>
      <para>gefinancierde IVF-behandelingen te ondergaan in een ziekenhuis</para>
      <para>dat daarvoor een speciale vergunning heeft.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het licht hiervan kan de Raad in navolging van gedaagde en</para>
      <para>de Commissie voor beroepszaken van de Ziekenfondsraad, niet</para>
      <para>anders concluderen dan dat IVF geen verstrekking is in de zin</para>
      <para>van artikel 8 van de Zfw en dat als zodanig ook geen aanspraak</para>
      <para>op vergoeding daarvan bestaat op grond van het Vb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de gedingstukken is de Raad gebleken dat appellante voor</para>
      <para>de -ook in de daarvoor aangewezen Nederlandse klinieken</para>
      <para>uitgevoerde- ICSI-behandeling naar de Universitaire</para>
      <para>Vrouwenkliniek te Gent is uitgeweken juist vanwege de</para>
      <para>mogelijkheid om de ICSI te laten plaatsvinden in combinatie</para>
      <para>met de aldaar te verrichten TESE-behandeling. Nu appellante</para>
      <para>ook steeds heeft verzocht om vergoeding van de gehele</para>
      <para>behandeling (ICSI in combinatie met TESE) en bovendien niet</para>
      <para>gebleken is dat er voor de onderscheidene behandelingen aparte</para>
      <para>nota's zijn ingediend, kan de ICSI-behandeling niet los worden</para>
      <para>gezien van de TESE-behandeling. De Raad gaat er in casu van</para>
      <para>uit dat er sprake is van één samenhangende behandeling die als</para>
      <para>zodanig niet gebruikelijk is in de kring van de Nederlandse</para>
      <para>beroepsgenoten als bedoeld in artikel 3 van het Vb, nu deze</para>
      <para>behandeling noch toegepast, noch geadviseerd wordt omdat zij</para>
      <para>blijkens het voornoemd advies van de Commissie voor</para>
      <para>beroepszaken van de Ziekenfondsraad van 16 april 1997, althans</para>
      <para>voor wat betreft de TESE-techniek, onvoldoende gevalideerd is</para>
      <para>door (inter)nationaal wetenschappelijk onderzoek.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ook een toetsing van het bestreden besluit aan artikel 22 van</para>
      <para>de EG-Verordening 1408/71, dat regelt dat de toestemming om in</para>
      <para>het buitenland een medische behandeling te ondergaan alleen</para>
      <para>dan niet kan worden geweigerd als de gevraagde behandeling</para>
      <para>behoort tot de wettelijke prestaties waarin het woonland</para>
      <para>voorziet, terwijl die hulp niet gegeven kan worden binnen de</para>
      <para>termijn die daarvoor gewoonlijk in het woonland nodig is, kan</para>
      <para>appellante niet baten. Gelet op het hiervoor overwogene kan de</para>
      <para>in Gent ondergane behandeling immers niet als een verstrekking</para>
      <para>in de zin van artikel 3 van het Verstrekkingenbesluit en</para>
      <para>derhalve evenmin als behorend tot de wettelijke prestaties van</para>
      <para>het woonland van appellante worden aangemerkt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het hiervoor overwogene volgt dat de aangevallen uitspraak</para>
      <para>voor bevestiging in aanmerking komt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad ziet geen aanleiding de door de rechtbank uitgesproken</para>
      <para>proceskostenveroordeling te vernietigen, zoals door gedaagde</para>
      <para>verzocht.</para>
      <para>Gedaagde heeft tegen die veroordeling geen hoger beroep</para>
      <para>ingesteld, waaraan ten overvloede nog wordt toegevoegd, dat de</para>
      <para>Raad, evenals kennelijk de rechtbank, van oordeel is dat,</para>
      <para>gelet op de gebrekkige motivering van het bestreden besluit,</para>
      <para>niet gezegd kan worden dat de proceskosten van het beroep bij</para>
      <para>de rechtbank door appellante nodeloos zijn gemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht echter geen termen aanwezig om ook voor wat</para>
      <para>betreft het hoger beroep toepassing te geven aan artikel 8:75</para>
      <para>van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr M.I. 't Hooft als voorzitter,</para>
      <para>mr D.J. van der Vos en mr R.M. van Male als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van B.M van Leeuwen als griffier, en in het</para>
      <para>openbaar uitgesproken op 11 juli 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) M.I. 't Hooft.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) B.M. van Leeuwen.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>JdB</para>
      <para>2306</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>