<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8889</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-04T20:18:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8889</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-06-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">97/3861 AAW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:69&amp;g=2000-06-23">Algemene wet bestuursrecht 8:69</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JB 2000/233</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8889">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8889</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:57:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-10-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8889 Centrale Raad van Beroep , 23-06-2000 / 97/3861 AAW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8889:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8889:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>97/3861 AAW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A, wonende te B, appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking</para>
      <para>getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het</para>
      <para>Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken</para>
      <para>bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de</para>
      <para>Bedrijfsvereniging voor de Metaalnijverheid. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens</para>
      <para>verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 6 februari 1996 heeft gedaagde de aan appellant krachtens de Algemene</para>
      <para>Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toegekende uitkering, die werd berekend naar een mate van</para>
      <para>arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 1 januari 1994 ingetrokken op de grond</para>
      <para>dat appellants arbeidsongeschiktheid per die datum moet worden gesteld op minder dan 25%.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te Arnhem heeft bij uitspraak van 24 maart 1997 het tegen dat</para>
      <para>besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant heeft mr W.J.B.M. Alkemade, advocaat te Nijmegen, bij beroepschrift (met</para>
      <para>bijlagen) van 2 mei 1997 tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 12 september 1997, ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op verzoek van de Raad heeft de rechtbank de stukken ingezonden van eerder tussen partijen</para>
      <para>gevoerde procedures, geregistreerd onder de nummers AAW 1993/2855 en AAW 1991/3578.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij schrijven (met bijlagen) van 15 maart 1999 heeft gedaagde een hem door de Raad bij brief</para>
      <para>van 9 maart 1999 gestelde vraag beantwoord.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Daartoe door de Raad in de gelegenheid gesteld bij brief van 9 maart 1999 is namens</para>
      <para>appellant een aanvullend beroepschrift (met bijlagen), gedateerd 31 maart 1999, ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Bij brieven van 1 februari 2000 en 28 april 2000 zijn namens appellant nog nadere stukken overgelegd.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 12 mei 2000, waar appellant in</para>
      <para>persoon is verschenen, bijgestaan door mr Alkemade, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft</para>
      <para>doen vertegenwoordigen door mr P.J. Reith, werkzaam bij Gak Nederland B.V., als zijn</para>
      <para>gemachtigde. Als door appellant meegenomen getuigen zijn verschenen en gehoord appellants</para>
      <para>echtgenote C, wonende te B, en D, wonende te E, ten tijde in dit geding van belang als</para>
      <para>verkoper werkzaam in het X B.V.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant, die op 16 februari 1991 een hartinfarct heeft doorgemaakt, heeft zich op 11</para>
      <para>september 1991 bij gedaagde gemeld om in aanmerking te worden gebracht voor een uitkering</para>
      <para>krachtens de AAW in verband met sedert 16 februari 1991 bestaande gehele</para>
      <para>arbeidsongeschiktheid. Hij heeft daarbij aangegeven in het jaar voorafgaande aan het moment</para>
      <para>van intreden van de arbeidsongeschiktheid werkzaam te zijn geweest als zelfstandige, dan wel</para>
      <para>als meewerkende echtgenoot in het X B.V. te Y. Bij besluit van 21 oktober 1992 heeft</para>
      <para>gedaagde aan appellant met ingang van 15 februari 1992 een uitkering krachtens de AAW</para>
      <para>toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 22 december 1993 heeft gedaagde de aan appellant toegekende uitkering</para>
      <para>krachtens de AAW per 1 januari 1994 ingetrokken. De rechtbank heeft bij uitspraak van 22</para>
      <para>september 1995 het beroep tegen dat besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd,</para>
      <para>waaraan zij, na te hebben overwogen dat zij aanneemt dat appellant niet meer of anders</para>
      <para>beperkt was dan waarvan gedaagde bij dat besluit was uitgegaan, het oordeel ten grondslag</para>
      <para>heeft gelegd dat het arbeidskundig onderdeel van dat besluit als onjuist dient te worden</para>
      <para>aangemerkt, gelet op het door gedaagde bij dat besluit gehanteerde maatmaninkomen van</para>
      <para>appellant. Zij heeft in dat verband overwogen (waarbij voor eiser dient te worden gelezen</para>
      <para>appellant):</para>
      <para>"Op grond van de stukken en het verhandelde kan immers geen andere conclusie worden</para>
      <para>getrokken dan dat eiser binnen de BV feitelijk de functie vervulde van</para>
      <para>directeur/bedrijfsleider en dat aan zijn werkzaamheden in het economisch verkeer</para>
      <para>waarde moet worden toegekend. Dat brengt mee dat het verschil tussen de fiscale</para>
      <para>keuze van eiser en zijn feitelijke werkzaamheden dermate groot is dat niet van de</para>
      <para>fiscale keuze mag worden uitgegaan.</para>
      <para>De arbeidsdeskundige had derhalve een onderzoek moeten instellen naar aard en omvang</para>
      <para>van eisers werkzaamheden en vervolgens daaraan een reële loonwaarde moeten toekennen</para>
      <para>aan de hand van de loonstructuur van de BV danwel op basis van meer algemene</para>
      <para>gegevens omtrent de verdiensten van een bedrijfsleider (directeur) van een garagebedrijf.</para>
      <para>Nu een zodanig onderzoek niet heeft plaatsgevonden en het niet is uit te sluiten dat</para>
      <para>op grond van de resultaten van dat onderzoek eisers mate van arbeidsongeschiktheid</para>
      <para>wordt vastgesteld op meer dan 25% komt de rechtbank tot het oordeel dat het beroep</para>
      <para>gegrond is en het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens schending van het</para>
      <para>zorgvuldigheidsbeginsel."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft vervolgens, in navolging van de uitkomsten van een door de arbeidsdeskundige</para>
      <para>D.J. Hoogma ingesteld hernieuwd onderzoek, waarvan door evengenoemde verslag is gedaan in</para>
      <para>zijn rapportage algemeen d.d. 24 januari 1996, bij het thans bestreden besluit van 6</para>
      <para>februari 1996 wederom de aan appellant krachtens de AAW toegekende uitkering met ingang van</para>
      <para>1 januari 1994 ingetrokken op de grond dat de mate van diens arbeidsongeschiktheid per die</para>
      <para>datum moet worden gesteld op minder dan 25%.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank onder meer overwogen dat nog uitsluitend ter</para>
      <para>beoordeling voorligt of het bestreden besluit op voldoende arbeidskundige grondslag berust,</para>
      <para>en heeft zij vervolgens als haar oordeel te kennen gegeven dat de aan het bestreden besluit</para>
      <para>ten grondslag gelegde arbeidskundige benadering in de omstandigheden van het voorliggende</para>
      <para>geval niet voor onjuist kan worden gehouden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat het bestreden besluit van 6 februari 1996</para>
      <para>in rechte geen stand kan houden, daar van een onjuist maatmaninkomen is uitgegaan en de door</para>
      <para>gedaagde aangenomen resterende verdiencapaciteit op een ondeugdelijke grondslag is</para>
      <para>gebaseerd, omdat appellant, gelet op zijn medische beperkingen, niet in staat is te achten</para>
      <para>tot het verrichten van de aan de hem voorgehouden functies verbonden werkzaamheden, terwijl</para>
      <para>voorts een aantal van die functies hem, gelet op zijn opleidingsniveau, niet kon worden</para>
      <para>voorgehouden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad is van oordeel dat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak terecht heeft beslist</para>
      <para>dat het geding moet worden geacht te zijn beperkt tot het arbeidskundig aspect van de in het</para>
      <para>bestreden besluit neergelegde arbeidsongeschiktheidsbeoordeling. Hij wijst er in dit verband</para>
      <para>op dat bij de voorbereiding en totstandkoming van dat besluit slechts het arbeidskundig</para>
      <para>aspect door gedaagde is heroverwogen, waartoe gedaagde zich naar 's Raads oordeel, gelet op</para>
      <para>de eerdere uitspraak van de rechtbank van 22 september 1995 waartegen van de kant van</para>
      <para>appellant geen hoger beroep is ingesteld, ook heeft kunnen en mogen beperken. Voorts wijst</para>
      <para>hij er op dat appellant in eerste aanleg zich heeft beperkt tot betwisting van het</para>
      <para>arbeidskundig aspect van de onderhavige schatting.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het bovenstaande is de Raad van oordeel dat ook in hoger beroep het medisch aspect</para>
      <para>van de onderhavige schatting niet meer aan de orde kan komen. Ten overvloede overweegt hij</para>
      <para>evenwel nog dat hij in de voorhanden zijnde gedingstukken, waaronder de zijdens appellant</para>
      <para>ingebrachte verklaring van diens behandelend cardioloog dr W.R.M. Aengevaeren van 27 januari</para>
      <para>2000, volstrekt onvoldoende grond ziet voor het oordeel dat appellants medische beperkingen</para>
      <para>bij het bestreden besluit zouden zijn onderschat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vervolgens ligt de vraag voor of de arbeidskundige benadering waarop het bestreden besluit</para>
      <para>is gestoeld, moet worden geacht een voldoende deugdelijke grondslag voor dat besluit te</para>
      <para>bieden. Bij die benadering is het maatmaninkomen van appellant op maandbasis gesteld op</para>
      <para>één-twaalfde deel van appellants fiscale inkomsten over het jaar 1990, bestaande uit de</para>
      <para>inkomsten welke hij wordt geacht te genieten uit de hem door X B.V. ter beschikking gestelde</para>
      <para>auto, vermeerderd met het salaris dat aan appellants echtgenote over dat jaar is uitgekeerd,</para>
      <para>waarbij op dat salaris een bedrag in mindering is gebracht dat kan worden geacht een juiste</para>
      <para>vergoeding te zijn voor de werkzaamheden die appellants echtgenote voor X B.V. heeft</para>
      <para>verricht. Gedaagde is er daarbij van uitgegaan dat appellants echtgenote in dat jaar</para>
      <para>gemiddeld gedurende 21 uur per week werkzaamheden voor het bedrijf heeft verricht en hij</para>
      <para>heeft die werkzaamheden een beloning toegerekend op basis van het toentertijd geldende</para>
      <para>minimumloon. Het op deze wijze berekende maatmaninkomen per maand heeft gedaagde vervolgens</para>
      <para>geïndexeerd naar de in geding zijnde datum 1 januari 1994 en afgezet tegen de voor appellant</para>
      <para>geldende resterende verdiencapaciteit, vastgesteld op het mediane loon van een vijftal voor</para>
      <para>appellant geselecteerde en aan hem voorgehouden functies, waaruit een verlies aan</para>
      <para>verdiencapaciteit volgde van minder dan 25%.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de door gedaagde gevolgde benadering het</para>
      <para>bestreden besluit in beginsel kan dragen, zij het dat hij zich op één punt niet kan stellen</para>
      <para>achter de door gedaagde vervolgens gekozen uitwerking. Ook de Raad is van oordeel dat</para>
      <para>gedaagde terecht aansluiting heeft gezocht bij het salaris dat door X B.V. aan appellants</para>
      <para>echtgenote, die formeel gold als directeur van die B.V., feitelijk is uitbetaald. Niet</para>
      <para>appellants echtgenote, maar appellant verrichte immers feitelijk de werkzaamheden van</para>
      <para>directeur/bedrijfsleider en slechts om redenen die van doen hadden met een eerder</para>
      <para>doorgemaakt faillissement hebben appellant en diens echtgenote ervoor gekozen dat</para>
      <para>laatstgenoemde formeel als directeur zou gelden. Voorts acht de Raad het op grond van de</para>
      <para>beschikbare gegevens ook niet aan redelijke twijfel onderhevig dat het op deze wijze aan</para>
      <para>appellant toe te rekenen salaris in overeenstemming is met de waarde van diens feitelijke</para>
      <para>arbeidsinbreng, waarbij hij er op wijst dat appellant te kennen heeft gegeven bewust ervoor</para>
      <para>te hebben gekozen om de door het bedrijf gerealiseerde winst in belangrijke mate in het</para>
      <para>bedrijf te laten en niet als salaris aan de directeur uit te betalen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad is evenwel van oordeel dat, gelet op de stukken en op de ter zitting door de in</para>
      <para>rubriek I genoemde getuigen afgelegde verklaringen, in zodanige mate twijfel is gerezen met</para>
      <para>betrekking tot de juistheid van gedaagdes aanname ter zake van de omvang van de door</para>
      <para>appellants echtgenote in het bedrijf verrichte werkzaamheden, dat hij meent het er voor te</para>
      <para>moeten houden dat appellants echtgenote, anders dan gedaagde bij het bestreden besluit heeft</para>
      <para>aangenomen, in het jaar 1990 gedurende gemiddeld 10 uur per week werkzaamheden in het</para>
      <para>bedrijf heeft verricht, aan welke werkzaamheden, gelet op de aard daarvan, door gedaagde</para>
      <para>terecht een beloning is toegekend op basis van het toentertijd geldende minimumloon. Het ten</para>
      <para>aanzien van appellant te hanteren maatmaninkomen komt, nu daarvan een aanmerkelijk lager</para>
      <para>bedrag ter zake van de werkzaamheden van appellants echtgenote dient te worden afgetrokken,</para>
      <para>aanmerkelijk hoger uit. Dit hogere maatmaninkomen, afgezet tegen het mediane loon van de aan</para>
      <para>appellant voorgehouden functies - die naar 's Raads oordeel, gelet op appellants opleiding</para>
      <para>en jarenlange ervaring, als voor hem passende arbeidsmogelijkheden zijn aan te merken -,</para>
      <para>leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van appellant van in elk geval 25%.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op bovenstaande overwegingen is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit een</para>
      <para>voldoende deugdelijke grondslag ontbeert, zodat dat besluit en de aangevallen uitspraak,</para>
      <para>waarbij dat besluit in stand is gelaten, voor vernietiging in aanmerking komen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht in verband met het vorenoverwogene termen aanwezig om gedaagde met toepassing</para>
      <para>van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten van</para>
      <para>appellant, welke zijn begroot op f 1.420,- als kosten van verleende rechtsbijstand in beroep</para>
      <para>en op f 1.420,- als kosten van verleende rechtsbijstand in hoger beroep, totaal derhalve f</para>
      <para>2.840,-. Van andere kosten is de Raad niet gebleken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten slotte stelt de Raad vast dat het door appellant betaalde griffierecht in beroep en in</para>
      <para>hoger beroep door gedaagde dient te worden vergoed.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>Verklaart het inleidende beroep alsnog gegrond en vernietigt het bestreden besluit;</para>
      <para>Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van f 2.840,-;</para>
      <para>Bepaalt dat gedaagde aan appellant het betaalde griffierecht van f 210,- vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr J.W. Schuttel als voorzitter en mr H. Bolt en mr R.P.Th. Elshoff als</para>
      <para>leden, in tegenwoordigheid van mr M. Schiphorst als griffier en uitgesproken in het openbaar</para>
      <para>op 23 juni 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) J.W. Schuttel.</para>
    <para />
    <para>(get.) M. Schiphorst.</para>
    <para />
    <para>AB</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>