<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8876</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-04T20:18:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8876</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-04-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">96/5846 WAO</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:58&amp;g=2000-04-19">Algemene wet bestuursrecht 8:58</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:73&amp;g=2000-04-19">Algemene wet bestuursrecht 8:73</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JB 2000/188</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8876">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8876</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:57:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-10-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8876 Centrale Raad van Beroep , 19-04-2000 / 96/5846 WAO</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8876:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8876:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>96/5846 WAO</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A, wonende te B, appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in</para>
      <para>werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale</para>
      <para>verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv)</para>
      <para>in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is</para>
      <para>het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor de Metaalindustrie</para>
      <para>en de Electrotechnische Industrie. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens</para>
      <para>verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 13 december 1994 heeft gedaagde de aan appellant krachtens de</para>
      <para>Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekende uitkering, die werd</para>
      <para>berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, met ingang van</para>
      <para>2 februari 1995 ingetrokken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te Groningen heeft bij uitspraak van 30 mei 1996 het</para>
      <para>tegen dat besluit gerichte beroep ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant is bij gemachtigde, mr R. van Asperen, advocaat te Groningen, van die</para>
      <para>uitspraak in hoger beroep gekomen. De gronden van het hoger beroep zijn in een</para>
      <para>aanvullend beroepschrift d.d. 9 augustus 1996 uiteengezet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Vanwege gedaagde is een verweerschrift, met bijlage, ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 2 december 1996 is namens appellant een rapport d.d. 18 oktober</para>
      <para>1996 van de registerarbeidsdeskundige J.M.R. Versteeg in het geding gebracht,</para>
      <para>waarop gedaagde op 10 januari 1997 heeft gereageerd door het inzenden van een</para>
      <para>commentaar d.d. 9 januari 1997, met bijlagen, van zijn arbeidsdeskundige J.A. Dinkla.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 28 juli 1998 heeft mr J.W. Brouwer, advocaat te Groningen, zich</para>
      <para>als opvolgend gemachtigde gesteld en is een vraag van de Raad beantwoord.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brieven van 2 en 25 september 1998, met bijlagen, heeft gedaagde vragen van</para>
      <para>de Raad beantwoord.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op verzoek van de Raad heeft de psychiater prof. dr T.I. Oei van verslag en</para>
      <para>advies gediend. Deze deskundige heeft op 8 februari 1999 zijn rapport ingezonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 5 maart 1999 heeft gedaagde een commentaar d.d. 3 maart 1999 van</para>
      <para>zijn bezwaarverzekeringsarts A. van Bruggen op dit rapport in het geding</para>
      <para>gebracht, waarop de deskundige prof. dr T.I. Oei - desgevraagd - in een brief,</para>
      <para>ingekomen bij de Raad op 6 juli 1999 heeft gereageerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij per telefax verzonden brief van 27 januari 2000 heeft appellant de Raad</para>
      <para>verzocht gedaagde te veroordelen tot betaling van schadevergoeding bestaande uit</para>
      <para>de wettelijke rente over de na te betalen bruto-uitkering.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op</para>
      <para>28 januari 2000, waar partijen, met voorafgaand bericht, niet zijn verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de feiten en omstandigheden die de</para>
      <para>rechtbank blijkens rubriek 2, onder a, van de aangevallen uitspraak als vaststaande</para>
      <para>heeft aangenomen en waarvan de juistheid niet door partijen is bestreden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het bestreden besluit heeft gedaagde de aan appellant krachtens de WAO</para>
      <para>toegekende uitkering, die werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid</para>
      <para>van 15 tot 25%, met ingang van 2 februari 1995 ingetrokken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dat besluit berust op gedaagdes standpunt dat appellant op 2 februari 1995, de</para>
      <para>in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van</para>
      <para>arbeid, maar dat hij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor</para>
      <para>werkzaamheden verbonden aan de ten aanzien van hem door een, gedaagde</para>
      <para>adviserende, arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Vergelijking van de aan</para>
      <para>de mediane loonwaarde van die functies ontleende resterende verdiencapaciteit</para>
      <para>met het voor appellant geldende maatmaninkomen resulteert volgens gedaagde in</para>
      <para>een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 15%.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Blijkens de zogenoemde arbeidsmogelijkhedenlijst zijn uit het functie-informatiesysteem de</para>
      <para>functies haringinlegger, worststopper, steksteker, leverplukker, samensteller hang- en</para>
      <para>sluitwerk, inpakker en machinebediende geselecteerd. De voor appellant geldende resterende</para>
      <para>verdiencapciteit is door de arbeidsdeskundige afgeleid uit de functie van steksteker.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft primair bezwaren van medische aard tegen het bestreden besluit.</para>
      <para>Naar zijn oordeel heeft gedaagde de bij hem bestaande beperkingen voor het</para>
      <para>verrichten van arbeid onderschat. Ter onderbouwing van appellants bezwaren tegen</para>
      <para>het bestreden besluit heeft hij verwezen naar het deskundigenrapport d.d. 20</para>
      <para>september 1994 dat in het kader van een eerdere, tussen partijen bij de</para>
      <para>rechtbank onder nr. 93/676 AAW aanhangige, procedure op verzoek van de rechtbank</para>
      <para>over appellant is opgemaakt en dat betrekking had op de mate van appellants</para>
      <para>arbeidsongeschiktheid op 5 juni 1993. Uit dit rapport blijkt dat de betreffende</para>
      <para>deskundige appellant met betrekking tot de arbeidsduur beperkt belastbaar acht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit</para>
      <para>ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank, alle gegevens van medische</para>
      <para>aard, waaronder het eerder aangeduide deskundigenrapport van 20 september 1994,</para>
      <para>overziende, overwogen dat de gedaagde adviserende verzekeringsarts zwaarwegende</para>
      <para>betekenis heeft kunnen toekennen aan het gegeven dat appellant sinds november</para>
      <para>1993 werk in WSW-verband heeft kunnen verrichten en dat vrijwel zonder uitval</para>
      <para>heeft kunnen volhouden. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat er geen</para>
      <para>goede redenen zijn of zodanige argumenten zijn aangevoerd om aan te nemen dat</para>
      <para>appellant de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies niet zou kunnen</para>
      <para>verrichten per 2 februari 1995.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In hoger beroep heeft gedaagde de functie van steksteker laten vervallen omdat</para>
      <para>in deze functie appellants belastbaarheid met betrekking tot het aspect zitten</para>
      <para>wordt overschreden. Voorts in aanmerking genomen dat in het geval van appellant</para>
      <para>de zogenoemde maandloonvergelijking dient te worden toegepast en dient volgens</para>
      <para>gedaagde de resterende verdiencapaciteit te worden afgeleid uit de functie van</para>
      <para>worststopper, maar dit heeft geen gevolgen voor de klasse waarin appellants</para>
      <para>arbeidsongeschiktheid blijkens het bestreden besluit is ingedeeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar aanleiding van hetgeen partijen omtrent het medische aspect van de</para>
      <para>onderhavige arbeidsongeschiktheidsbeoordeling hebben aangevoerd heeft de Raad de</para>
      <para>deskundige prof. dr T.I. Oei verzocht van verslag en advies te dienen. Deze</para>
      <para>deskundige stelt in zijn rapport van 8 februari 1999 vast dat ten aanzien van</para>
      <para>appellant op de datum hier in geding, 2 februari 1995, sprake is van</para>
      <para>verschijnselen van een complexe posttraumatische stressstoornis, chronisch</para>
      <para>depressief toestandsbeeld, somatisatiestoornis, ernstige</para>
      <para>persoonlijkheidsproblematiek, bewustzijnsproblemen, psychische</para>
      <para>oriëntatieproblemen, bij een matig tot zwak begaafde man van Turkse afkomst met</para>
      <para>problemen in de thuissituatie. Deze deskundige kon zich vanuit</para>
      <para>medisch-psychiatrische optiek niet verenigen met de door de gedaagde adviserende</para>
      <para>verzekeringsgeneeskundige vastgestelde beperkingen en de ten aanzien van</para>
      <para>appellant opgestelde zogeheten verwoording belastbaarheid belanghebbende d.d. 14</para>
      <para>november 1994. De deskundige acht in feite appellant slechts geschikt voor de</para>
      <para>werkzaamheden die appellant thans verricht in het kader van zijn</para>
      <para>WSW-dienstverband: schoffelen en planten snoeien. Daarbij neemt de deskundige</para>
      <para>aan dat appellant deze activiteiten ontplooit op een lager niveau van inspanning</para>
      <para>en intensiteit dan gewoonlijk wordt verwacht in het kader van loonvormende arbeid.</para>
      <para>Voorts heeft deze deskundige vanuit medisch-psychiatrisch oogpunt bezwaren tegen</para>
      <para>de functies worststopper, leverplukker, samensteller, inpakker en machinebediende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft een commentaar d.d. 3 maart 1999 van zijn verzekeringsarts</para>
      <para>bezwaar en beroep A. van Bruggen op het rapport van de deskundige overgelegd.</para>
      <para>Deze arts levert kritiek op dat rapport, onder meer door diens bevindingen ten</para>
      <para>aanzien van de gezondheidstoestand van appellant te vergelijken met hetgeen</para>
      <para>daaromtrent is vermeld in het eerder genoemde deskundigenrapport d.d. 20 september 1994.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Desgevraagd heeft de deskundige prof. dr T.I. Oei de Raad medegedeeld dat het commentaar</para>
      <para>d.d. 3 maart 1999 van de genoemde verzekeringsarts bezwaar en beroep hem geen aanleiding</para>
      <para>heeft gegeven de conclusie in zijn rapport d.d. 8 februari 1999 te wijzigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt het volgende.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wat betreft het tussen partijen in geschil zijnde medische aspect van de</para>
      <para>onderhavige arbeidsongeschiktheidsbeoordeling kent de Raad doorslaggevende</para>
      <para>betekenis toe aan het op zijn verzoek door de deskundige prof. dr T.I. Oei op 8</para>
      <para>februari 1999 omtrent appellant uitgebrachte rapport. De Raad heeft daarbij in</para>
      <para>aanmerking genomen dat deze onafhankelijke deskundige zijn oordeel baseert op</para>
      <para>eigen onderzoek van appellant, op de in het dossier aanwezige op appellant</para>
      <para>betrekking hebbende stukken, waaronder het meermalen genoemde deskundigenrapport</para>
      <para>d.d. 20 september 1994, alsmede op de door de deskundige prof. dr T.I. Oei</para>
      <para>verkregen informatie van de behandelende sector. Dat oordeel is voorts zowel met</para>
      <para>betrekking tot de verwoording belastbaarheid als tot de geselecteerde functies</para>
      <para>naar behoren gemotiveerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Getuige het overleggen door gedaagde van het commentaar d.d. 3 maart 1999 van</para>
      <para>zijn verzekeringsarts bezwaar en beroep A. van Bruggen wenst gedaagde kennelijk</para>
      <para>de conclusie van de door de Raad ingeschakelde deskundige te bestrijden. De Raad</para>
      <para>heeft evenwel, alle gedingstukken van medische aard overziende, in dat</para>
      <para>commentaar onvoldoende reden gevonden om te twijfelen aan de juistheid van de</para>
      <para>bevindingen en de conclusie van de deskundige prof. dr T.I. Oei.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het voorgaande betekent dat er van de geselecteerde functies slecht één resteert</para>
      <para>hetgeen, gelet op de artikelen 2 en 3 van het Schattingsbesluit, te weinig is om</para>
      <para>de onderhavige schatting te dragen. Het bestreden besluit komt deswege voor</para>
      <para>vernietiging in aanmerking. Ook de aangevallen uitspraak, waarbij het beroep van</para>
      <para>appellant tegen dat besluit ongegrond is verklaard, dient te worden vernietigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 27 januari 2000 heeft appellant nog een stuk ingezonden. Daarin</para>
      <para>verzoekt appellant de Raad gedaagde te veroordelen tot betaling van</para>
      <para>schadevergoeding bestaande uit de wettelijke rente. De Raad stelt vast dat deze</para>
      <para>brief bij hem is binnengekomen met overschrijding van de in artikel 8:58, eerste</para>
      <para>lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) genoemde termijn van 10 dagen,</para>
      <para>binnen welke termijn partijen voor de zitting stukken kunnen indienen. Mede in</para>
      <para>aanmerking genomen dat partijen niet ter zitting van de Raad zijn verschenen en</para>
      <para>dat gedaagde zich niet heeft uitgelaten omtrent appellants hier aan de orde</para>
      <para>zijnde verzoek, zal de Raad het stuk waarin dat verzoek is vervat buiten</para>
      <para>beschouwing laten. Dit laat overigens onverlet dat appellant zich met een</para>
      <para>verzoek om vergoeding van wettelijke rente rechtstreeks tot gedaagde kan wenden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te</para>
      <para>veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze</para>
      <para>kosten worden begroot op f 1.420,- voor verleende rechtsbijstand in eerste</para>
      <para>aanleg en op f 1.420,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. Voorts</para>
      <para>komen de kosten van de door appellant ingeschakelde deskundige, de</para>
      <para>registerarbeidsdeskundige J.M.R. Versteeg, ad f 257,03, voor vergoeding in aanmerking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in de artikelen</para>
      <para>24 en 25, eerste lid, van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat het</para>
      <para>door appellant zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gestorte griffierecht</para>
      <para>door gedaagde dient te worden vergoed.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
    <para />
    <para>Verklaart het inleidend beroep tegen het besluit van 13 december 1994 alsnog gegrond;</para>
    <para />
    <para>Vernietigt het besluit van 13 december 1994;</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot f</para>
      <para>1.420,- in eerste aanleg en een bedrag groot f 1.677,03 in hoger beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Bepaalt dat gedaagde aan appellant het gestorte recht van f 200,- vergoedt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr H. van Leeuwen als voorzitter en mr W.D.M. van Diepenbeek</para>
      <para>en mr T. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van mr B. Fijnheer als</para>
      <para>griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 april 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) H. van Leeuwen.</para>
    <para />
    <para>(get.) B. Fijnheer.</para>
    <para />
    <para>AB</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>