<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8860</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T23:08:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8860</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-06-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">98/6707 ALGEM</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=3:46&amp;g=2000-06-29">Algemene wet bestuursrecht 3:46</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002126&amp;artikel=12&amp;g=2000-06-29">Coördinatiewet Sociale Verzekering 12</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 2000, 213</rdf:li>
          <rdf:li>JB 2000/254 met annotatie van C.L.G.F.H. Albers</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8860">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8860</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:57:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-10-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8860 Centrale Raad van Beroep , 29-06-2000 / 98/6707 ALGEM</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8860:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8860:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>98/6707 ALGEM</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>X N.V., gevestigd te Y, appellante,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking</para>
      <para>getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het</para>
      <para>Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken</para>
      <para>bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de</para>
      <para>Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen, Groothandel en Vrije Beroepen. In</para>
      <para>deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 21 augustus 1996 heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van</para>
      <para>appellante tegen het besluit van 12 februari 1996, waarbij aan appellante een boete is</para>
      <para>opgelegd ten bedrage van f 5.363,--.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te Amsterdam heeft bij uitspraak van 30 juli 1998 het namens</para>
      <para>appellante tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante is bij gemachtigde mr J. Meeboer, werkzaam bij KPMG Meijburg &amp; Co</para>
      <para>Belastingadviseurs te Amsterdam, op bij aanvullend beroepschrift (met bijlagen) van</para>
      <para>30 december 1998 van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 7 april 1999, ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 18 mei 2000, waar voor</para>
      <para>appellante is verschenen mr Meeboer, voornoemd, en waar voor gedaagde is verschenen mr</para>
      <para>T.E.D.M. Zijlmans, werkzaam bij Gak Nederland B.V.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In 1994 is vanwege gedaagde bij appellante een looncontrole gehouden over de jaren 1990</para>
      <para>tot en met 1993. Aan het van deze controle opgemaakte rapport, gedateerd 9 februari 1995,</para>
      <para>ontleent de Raad het volgende:</para>
      <para>"Tot 1993 werd het voordeel verkregen uit korting op vakantiehuisjes,</para>
      <para>verzekeringen, incentives, gratis maaltijden medewerkers restauratieve dienst en</para>
      <para>beloningen bedrijfszelfbescherming via een lump sum opgave aan de</para>
      <para>bedrijfsvereniging doorgegeven. In 1993 is voor de eerste maal het voordeel</para>
      <para>verkregen uit de korting op vakantiehuisjes, incentives en verzekeringen per</para>
      <para>werknemer vastgesteld en verantwoord.</para>
      <para>Verzuimd werd echter:</para>
      <para>- het voordeel te bruteren;</para>
      <para>- het voordeel ter zake de maaltijden van de medewerkers restauratieve dienst en</para>
      <para>de beloningen bedrijfszelfbescherming in de opgave te betrekken.</para>
      <para>E.e.a. is alsnog herzien."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nadien is nog een aanvullend rapport uitgebracht, waarna gedaagde appellante bij brief</para>
      <para>van 21 juni 1995 het volgende heeft medegedeeld:</para>
      <para>"In vervolg op de brief van 1 juni 1995 met als kenmerk looninspectie</para>
      <para>025-111.636.56-01-01 berichten wij u voornemens te zijn aan u op grond van de</para>
      <para>Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) administratieve boetes op te leggen en</para>
      <para>een verzuim te registreren.</para>
      <para>In de rapportage naar aanleiding van het onderzoek van onze looninspecteur wordt</para>
      <para>geadviseerd navorderingen op te leggen tot a) lump-sum 1993 en tot b) betreffende</para>
      <para>diverse geconstateerde debetverschillen over genoemde jaren. Voor een</para>
      <para>specificatie verwijzen wij u naar het reeds in uw bezit zijnde rapport.</para>
      <para>Tijdens het onderzoek is namelijk geconstateerd dat het met het voorgaande</para>
      <para>verband houdende loon niet/niet juist als zodanig in de loonadministratie is</para>
      <para>verantwoord. U heeft dit loon dientengevolge niet/niet juist aan de</para>
      <para>bedrijfsvereniging via de jaaropgavekaarten opgegeven.</para>
      <para>In geval onjuiste en/of onvolledige of geen jaaropgavegegevens worden ingezonden,</para>
      <para>dienen wij op grond van artikel 12, lid 2, van de CSV, de ambtshalve vastgestelde</para>
      <para>premie te verhogen met een boete.</para>
      <para>Deze boete bedraagt in beginsel 100% van de ambtshalve vastgestelde premie dan</para>
      <para>wel 10% voor zover er geen sprake is van opzet/grove schuld.</para>
      <para>Wij zijn van mening dat genoemd onder a) er sprake is van opzet/grove schuld</para>
      <para>omdat U wist of behoorde te weten dat voor deze loonbetalingen sociale</para>
      <para>verzekeringspremies afgedragen dienen te worden. Voor de constateringen onder b)</para>
      <para>zijn wij van mening dat er geen sprake is van opzet/grove schuld.</para>
      <para>In beginsel kunnen wij de op te leggen boetes geheel of gedeeltelijk</para>
      <para>kwijtschelden aan de hand van de criteria genoemd in artikel 3 e.v. van het op</para>
      <para>artikel 12, lid 3 van de CSV gebaseerde Besluit Administratieve Boeten</para>
      <para>Coördinatiewet.</para>
      <para>Wanneer men, zoals u, sinds 1988 voor de eerste keer in verzuim is, en men het</para>
      <para>verzuim niet binnen redelijke termijn vrijwillig heeft hersteld, worden de op te</para>
      <para>leggen boetes met betrekking tot de navorderingen genoemd onder b) geheel</para>
      <para>kwijtgescholden de op te leggen boetes met betrekking tot de navordering genoemd</para>
      <para>onder a) kwijtgescholden tot op 25%. Vooralsnog zijn wij van mening dat er in uw</para>
      <para>geval geen sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 7 van</para>
      <para>het genoemde besluit.</para>
      <para>In verband met het voorgaande hebben wij het voornemen de over eerdergenoemde</para>
      <para>jaren ambtshalve vastgestelde premies te verhogen met een administratieve boete</para>
      <para>van 25%. Tevens hebben wij het voornemen dit eerste verzuim als zodanig te</para>
      <para>registreren. Dit is van invloed op eventuele volgende op te leggen boetes.</para>
      <para>Mocht de inhoud van deze brief u aanleiding geven te reageren, dan verzoeken wij</para>
      <para>u uw reaktie op schrift te stellen en binnen vier weken na dagtekening van deze</para>
      <para>brief te zenden aan:</para>
      <para>.....</para>
      <para>Ontvangen wij geen reactie binnen de gestelde termijn, dan zullen wij u een</para>
      <para>besluit toezenden overeenkomstig deze aankondiging en het verzuim registreren."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid te reageren op het gestelde in</para>
      <para>de brief van 21 juni 1995. Op 12 februari 1996 heeft gedaagde de in deze brief</para>
      <para>aangekondigde boetenota appellante doen toekomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Bij het bestreden besluit heeft gedaagde de opgelegde boete gehandhaafd.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De in dit geding aan de orde zijnde vraag of dit besluit in rechte stand kan houden heeft</para>
      <para>de rechtbank bij de aangevallen uitspraak bevestigend beantwoord. Daarbij is de rechtbank</para>
      <para>tot het oordeel gekomen dat in het geval van appellante sprake is van grove schuld in de</para>
      <para>zin van artikel 5, eerste lid, van het Besluit Administratieve Boeten Coördinatiewet</para>
      <para>(ABC-besluit), omdat appellante wist of behoorde te weten dat voor bedoelde</para>
      <para>loonbetalingen sociale verzekeringspremies behoorden te worden afgedragen. Voorts heeft</para>
      <para>de rechtbank geoordeeld dat de opgelegde boete niet onevenredig is. Het eerst ter zitting</para>
      <para>van de zijde van appellante gedane beroep op artikel 6 van het Europees Verdrag tot</para>
      <para>bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft de</para>
      <para>rechtbank als zijnde tardief niet bij haar oordeelsvorming betrokken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In hoger beroep is van de zijde van appellante gesteld dat in haar geval</para>
      <para>-  geen boete meer had mogen worden opgelegd, dan wel de boete alsnog dient te vervallen</para>
      <para>in verband met het bepaalde in artikel 6, eerste lid, EVRM, omdat na de brief van 21</para>
      <para>juni 1995 bijna 8 maanden is gewacht met het opleggen van de boete, onderscheidenlijk</para>
      <para>omdat  inmiddels al meer dan vier jaren zijn verstreken;</para>
      <para>-  er sprake is van schending van artikel 6, derde lid, aanhef en onder a, EVRM, omdat</para>
      <para>niet uiterlijk bij de boetenota de gronden waarop deze berust, in bijzonderheden aan</para>
      <para>haar zijn medegedeeld, althans de bij de brief van 21 juni 1995 gegeven motivering onvolledig is;</para>
      <para>-  er slechts sprake is van een uiterst geringe omissie in verhouding tot de totale</para>
      <para>loonsom en deswege niet gesproken kan worden van opzet en/of grove schuld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt dienaangaande het volgende.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan appellante moet worden toegegeven dat na het verstrijken van de in de brief van 21</para>
      <para>juni 1995 gestelde termijn van vier weken voor het geven van een reactie, gedaagde niet</para>
      <para>voortvarend heeft gehandeld. Echter, de duur van de periode waarin gedaagde kennelijk</para>
      <para>enige tijd heeft stilgezeten acht de Raad in dit geval niet van zodanig gewicht, dat</para>
      <para>daaraan de van de zijde van appellante bepleite, vergaande consequentie dient te worden</para>
      <para>verbonden. Ook de duur van de gehele procedure acht de Raad niet zodanig, dat daaraan in</para>
      <para>het licht van artikel 6, eerste lid, EVRM consequenties moeten worden verbonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van artikel 6, derde lid, aanhef en onder a, EVRM heeft een ieder, die wegens</para>
      <para>een strafbaar feit wordt vervolgd, het recht om onverwijld, in een taal welke hij</para>
      <para>verstaat, en in bijzonderheden, op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden</para>
      <para>van de tegen hem ingebrachte beschuldiging. Gelijk de Hoge Raad heeft overwogen bij zijn</para>
      <para>arrest van 20 december 1989, BNB 1990/102, brengt het bepaalde in deze verdragsbepaling</para>
      <para>mee dat de gronden waarop het opleggen van een boete berust, in bijzonderheden en</para>
      <para>uiterlijk op het tijdstip van oplegging van de boete, aan de premieplichtige moeten</para>
      <para>worden medegedeeld, hetzij door deze mededeling op te nemen in de boetenota, dan wel op</para>
      <para>andere wijze.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Te dezen is van betekenis de hiervoor aangehaalde brief van 21 juni 1995. Naar de mening</para>
      <para>van appellante is deze brief te algemeen gesteld en niet/althans in onvoldoende mate op</para>
      <para>haar situatie toegespitst. Daarbij heeft zij erop gewezen dat in zijn rapport de</para>
      <para>looninspecteur niet heeft geadviseerd een boete op te leggen en zij dan ook mocht</para>
      <para>verwachten dat een boete achterwege zou blijven. Voorts is niet aangegeven op welke</para>
      <para>gronden gedaagde meent dat appellante wist dan wel behoorde te weten dat zij over de door</para>
      <para>de inspecteur gesignaleerde loonbetalingen premies verschuldigd is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Anders dan appellante is de Raad van mening dat de in de brief van 21 juni 1995 vervatte</para>
      <para>mededeling inzake het voornemen om een boete op te leggen in alle opzichten voldoet aan</para>
      <para>de daaraan in het licht van artikel 6, derde lid, aanhef en onder a, EVRM te stellen</para>
      <para>eisen. Het gaat er om dat in bijzonderheden is aangegeven van welk handelen en/of nalaten</para>
      <para>de premieplichtige wordt beticht, waarop dit is gebaseerd, hoe het handelen/nalaten door</para>
      <para>het bestuursorgaan wordt gekwalificeerd en op grond van welk wettelijk kader het</para>
      <para>bestuursorgaan een boete overweegt, dan wel een boete oplegt, zulks ten einde de</para>
      <para>premieplichtige in staat te stellen daartegen gemotiveerd verweer te kunnen voeren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad overweegt voorts dat de uit artikel 6, derde lid, aanhef en onder a, EVRM</para>
      <para>voortvloeiende motiveringseis omtrent de aard en de reden van (het voornemen tot) het</para>
      <para>opleggen van de boete, moet worden onderscheiden van de motiveringseis, vervat in artikel</para>
      <para>3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Het namens appellante gestelde heeft veeleer</para>
      <para>hierop betrekking. Voorzover een besluit niet voldoet aan de in deze wetsbepaling</para>
      <para>gestelde motiveringseis, kan dat gebrek bij een beslissing op een daartegen ingediend</para>
      <para>bezwaarschrift worden hersteld, gelijk in dit geval ook is geschied.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot de stelling van appellante, dat er geen sprake is van opzet en/of</para>
      <para>grove schuld in de zin van artikel 12, tweede lid, van de CSV en artikel 5, eerste lid,</para>
      <para>van het ABC-besluit, sluit de Raad zich mede gelet op de toelichting bij laatstvermelde</para>
      <para>bepaling aan bij hetgeen de rechtbank daaromtrent heeft overwogen. Voor het bij een</para>
      <para>verzuim, zoals bij appellante geconstateerd, betrekken van de totale loonsom, acht de</para>
      <para>Raad geen grond aanwezig.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en deswege de aangevallen</para>
      <para>uitspraak dient te worden bevestigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in</para>
      <para>artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr B.J. van der Net als voorzitter en mr R.C. Schoemaker en mr G. van</para>
      <para>der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van mr L.H. Vogt als griffier, en uitgesproken in</para>
      <para>het openbaar op 29 juni 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) B.J. van der Net.</para>
    <para />
    <para>(get.) L.H. Vogt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>JdB</para>
      <para>1606</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>