<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8851</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T03:37:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8851</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-05-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">97/9837 AAW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 2000, 161</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2000/187</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8851">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8851</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:57:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-10-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8851 Centrale Raad van Beroep , 09-05-2000 / 97/9837 AAW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8851:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8851:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>97/9837 AAW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A, wonende te B, appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale</para>
      <para>verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet</para>
      <para>Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk</para>
      <para>instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de</para>
      <para>betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv</para>
      <para>in de plaats getreden van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging. In</para>
      <para>deze uitspraak wordt</para>
      <para>onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze</para>
      <para>bedrijfsvereniging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 2 december 1994 heeft gedaagde geweigerd aan</para>
      <para>appellant een uitkering ingevolge de Algemene</para>
      <para>Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toe te kennen, onder overweging dat</para>
      <para>appellant op en na 15 mei 1989 minder dan 25% arbeidsongeschikt</para>
      <para>was.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank te Arnhem heeft bij uitspraak van 9 september 1997 het</para>
      <para>beroep tegen dat besluit ongegrond verklaard. Naar die uitspraak</para>
      <para>wordt hierbij verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant is mr J.Ch.W. Hendriks, advocaat te Nijmegen, op</para>
      <para>bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden van die uitspraak</para>
      <para>in hoger beroep gekomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd een</para>
      <para>nader stuk ingezonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 11 april 2000,</para>
      <para>waar appellant -zoals tevoren was bericht- niet is verschenen,</para>
      <para>terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr A.</para>
      <para>Ruis, werkzaam bij Gak Nederland B.V.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant, die geboren is in 1971, heeft zich op</para>
      <para>20 oktober 1993 tot gedaagde gewend met het verzoek hem in</para>
      <para>aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Algemene</para>
      <para>Arbeidsongeschiktheidswet (AAW). Hij heeft daarbij aangegeven</para>
      <para>sedert 21 oktober 1992 geheel arbeidsongeschikt te zijn. Appellant</para>
      <para>verbleef sedert laatstgenoemde datum in detentie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant is onderzocht door de verzekeringsgeneeskundige Velda.</para>
      <para>Deze heeft vastgesteld dat voor appellant sedert zijn jeugd</para>
      <para>beperkingen voor het verrichten van arbeid gelden in verband met</para>
      <para>ernstige psychopathologie en heeft voor appellant een</para>
      <para>belastbaarheidspatroon vastgesteld, dat vanaf zijn zeventiende</para>
      <para>levensjaar geldt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vervolgens is rapport uitgebracht door de arbeidsdeskundige Kok.</para>
      <para>Deze heeft een aantal functies geselecteerd tot de vervulling</para>
      <para>waarvan appellant met zijn belastbaarheid in staat moet worden</para>
      <para>geacht. Vergelijking van hetgeen appellant in die functies kan</para>
      <para>verdienen met zijn maatmaninkomen, dat is te stellen op het</para>
      <para>wettelijke minimumloon, leidt niet tot een verlies aan</para>
      <para>verdiencapaciteit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft op grond hiervan het in rubriek I genoemde bestreden</para>
      <para>besluit van 2 december 1994 genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In geding is de vraag of dit besluit in rechte stand kan houden. De</para>
      <para>Raad beantwoordt deze vraag evenals de rechtbank bevestigend en</para>
      <para>overweegt daartoe het volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zijdens appellant is naar voren gebracht dat appellant reeds sedert</para>
      <para>zijn jeugd lijdt aan een ernstige stoornis, die in de loop der</para>
      <para>jaren is verergerd en die zo niet reeds ten tijde van appellants</para>
      <para>zeventiende jaar, dan toch op enig moment daarna, gelegen vóór de</para>
      <para>aanvang van zijn TBS-behandeling, tot arbeidsongeschiktheid heeft</para>
      <para>geleid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de gedingstukken heeft de Raad geen steun voor dit standpunt</para>
      <para>kunnen vinden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad hecht met name waarde aan de bevindingen van de door de</para>
      <para>rechtbank ingeschakelde zenuwarts</para>
      <para>prof. J.G. Schnitzler. In zijn rapport van 30 mei 1997 is deze</para>
      <para>deskundige op basis van de omtrent appellant beschikbare medische</para>
      <para>gegevens, waaronder een rapport van het Pieter Baan Centrum, en</para>
      <para>zijn eigen onderzoek van appellant tot het oordeel gekomen dat</para>
      <para>appellant met de sedert zijn jeugd aanwezige afwijkingen in staat</para>
      <para>kon worden geacht de voor hem geselecteerde functies te vervullen. Met betrekking tot</para>
      <para>het tijdstip waarop bij appellant arbeidsongeschiktheid is</para>
      <para>ingetreden heeft deze deskundige het volgende overwogen.</para>
      <para>"De strafoplegging wordt éérst voltrokken, terwijl daaraan</para>
      <para>aansluitend (dat is althans de bedoeling) de TBS ten uitvoer</para>
      <para>gelegd.</para>
      <para>Betr.'s gevangenisstrafoplegging eindigde 21 oktober 1993.</para>
      <para>Gedurende die gevangenisstraf komt betr. niet in aanmerking voor</para>
      <para>AAW/WAO-uitkering.</para>
      <para>Als betr. vervolgens de TBS binnenkomt, vindt dit plaats voor een</para>
      <para>ingrijpende en meestal ook langdurige behandeling van zijn ernstige</para>
      <para>psychiatrische stoornis.</para>
      <para>Een dergelijke behandeling biedt geen ruimte voor het vervullen van</para>
      <para>een werkkring naast de behandelings bemoeienissen, die voor de</para>
      <para>betrokkene meestal vele en grote spanningen en een sterke stress</para>
      <para>met zich meebrengen.</para>
      <para>(Een en ander is vergelijkbaar met een patiënt die wegens een</para>
      <para>gedecompenseerde epilepsie of diabetes in een algemeen ziekenhuis</para>
      <para>wordt geobserveerd en behandeld en die ten tijde van zijn</para>
      <para>behandeling als arbeidsongeschikt moet worden beschouwd).</para>
      <para>Meestal wordt eerst met een arbeidstraining bij TBS-gestelden</para>
      <para>aangevangen tegen het einde van de intra-murale faze van de TBS en</para>
      <para>vervolgens in de faze van het proefverlof (betr. heeft zo'n</para>
      <para>arbeidstraining zeker nodig om t.z.t. weer te kunnen functioneren</para>
      <para>in enig arbeidsproces).</para>
      <para>Resumerend is rapporteur de stellige mening toegedaan, dat</para>
      <para>onderzochte, gedurende zijn psychiatrische behandeling, lijdende</para>
      <para>was en is aan ernstige psychiatrische stoornissen met daaruit</para>
      <para>voortvloeiende zodanige beperkingen (hij kan niet in de</para>
      <para>maatschappij verblijven), dat hij als volledig arbeidsongeschikt in</para>
      <para>de zin der AAW/WAO moet worden beschouwd gedurende zijn klinische</para>
      <para>behandelingsperiode, die tot 21 oktober 1997 zal voortduren.</para>
      <para>Eén complicatie dient nog nader besproken te worden: na de</para>
      <para>expiratie van zijn gevangenisstraf op 21 oktober 1993 kon zijn</para>
      <para>behandeling niet direct een aanvang nemen aangezien binnen het</para>
      <para>TBS-circuit niet direct een plaats voor hem voorhanden was.</para>
      <para>Pas na ongeveer één jaar kon die plaatsing doorgang vinden en kon</para>
      <para>zijn behandeling een aanvang nemen. Tot dit tijdstip bleef betr.</para>
      <para>"geparkeerd" binnen het gevangeniswezen als zogenaamde "passant".</para>
      <para>Dat geschiedde dus buiten betr.'s wil c.q. zonder zijn "schuld"</para>
      <para>(hij was graag onmiddellijk begonnen met zijn behandeling, als het</para>
      <para>aan hem was gelegen).</para>
      <para>In dit opzicht is betr. te vergelijken met een patiënt bij wie een</para>
      <para>orgaan implantatie moet plaatsvinden, terwijl er niet direct een</para>
      <para>donororgaan (hart, nier) voorhanden is. Ook zo'n patiënt heeft vaak</para>
      <para>dusdanige (lichamelijke) stoornissen die tot zodanige beperkingen</para>
      <para>aanleiding geven, dat de betrokkene daardoor als arbeidsongeschikt</para>
      <para>is te beschouwen, zolang als de implantatie niet heeft</para>
      <para>plaatsgevonden.</para>
      <para>Naar de mening van rapporteur is betr.'s arbeidsongeschiktheid</para>
      <para>begonnen op 21 oktober 1993, toen betr.'s gevangenisstraf</para>
      <para>expireerde en zijn TBS een aanvang had moeten nemen.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad kan de deskundige volgen waar deze ervan uitgaat dat</para>
      <para>appellant niet eerder dan tijdens zijn TBS-behandeling als</para>
      <para>arbeidsongeschikt moet worden beschouwd. De Raad deelt evenwel niet</para>
      <para>diens mening dat het moment van aanvang van appellants</para>
      <para>arbeidsongeschiktheid dient te worden gesteld op 21 oktober 1993,</para>
      <para>het moment waarop zijn behandeling een aanvang had moeten nemen. De</para>
      <para>Raad vermag niet in te zien dat appellant reeds op dat moment als</para>
      <para>arbeidsongeschikt beschouwd dient te worden, nu zijn stoornis ook</para>
      <para>volgens het oordeel van de deskundige op zich niet aan het</para>
      <para>verrichten van arbeid in de weg stond. Appellant is niet</para>
      <para>vergelijkbaar met de door de deskundige genoemde patiënten die op</para>
      <para>een donororgaan wachten, nu die groep patiënten doorgaans ten</para>
      <para>gevolge van de lichamelijke afwijking die een transplantatie</para>
      <para>noodzakelijk maakt, arbeidsongeschikt zal zijn. Bij appellant is</para>
      <para>blijkens het rapport van de deskundige eerst sprake van</para>
      <para>arbeidsongeschiktheid vanaf de start van zijn behandeling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de Raad is appellant derhalve eerst</para>
      <para>arbeidsongeschikt geworden op het moment dat zijn behandeling is</para>
      <para>aangevangen. Op dat moment voldoet hij niet aan de in artikel 6,</para>
      <para>eerste lid van de AAW neergelegde eis dat hij in het jaar</para>
      <para>voorafgaand aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid enig</para>
      <para>inkomen uit of in verband met arbeid moet hebben verworven. De Raad</para>
      <para>verwijst in dit verband naar zijn uitspraak, gepubliceerd in AB</para>
      <para>1999/317, waarin hij heeft overwogen dat inkomen uit tijdens</para>
      <para>detentie verrichte arbeid voor de vaststelling of een verzekerde</para>
      <para>aan deze inkomenseis voldoet, niet in aanmerking wordt genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad overweegt ten slotte nog geen aanleiding te zien tot de</para>
      <para>inschakeling van een tweede deskundige, zoals door appellants</para>
      <para>gemachtigde is bepleit. Hij ziet geen aanleiding de bevindingen van</para>
      <para>de door de rechtbank ingeschakelde deskundige voor onjuist te</para>
      <para>houden behoudens voorzover hierboven is overwogen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het vorenstaande vloeit voort dat het bestreden besluit in</para>
      <para>rechte stand kan houden. De aangevallen uitspraak komt voor</para>
      <para>bevestiging in aanmerking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het</para>
      <para>bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr K.J.S. Spaas als voorzitter en</para>
      <para>mr M.M. van der Kade en mr H.J. Simon als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van mr drs A.M. Overbeeke als griffier</para>
      <para>en uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) K.J.S. Spaas.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) A.M. Overbeeke.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>IS</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>