<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8849</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-04T20:18:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8849</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-05-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">97/12372 AAW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2000/165 met annotatie van Redactie</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8849">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8849</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:57:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-10-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8849 Centrale Raad van Beroep , 30-05-2000 / 97/12372 AAW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8849:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8849:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>97/12372 AAW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>A, wonende te B, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale</para>
      <para>verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet</para>
      <para>Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk</para>
      <para>instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de</para>
      <para>betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv</para>
      <para>in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor</para>
      <para>Tabakverwerkende en Agrarische Bedrijven (BV TAB). In deze</para>
      <para>uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het bestuur van</para>
      <para>deze bedrijfsvereniging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 10 mei 1996 heeft appellant de uitkering van</para>
      <para>gedaagde ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW),</para>
      <para>welke laatstelijk werd berekend naar een mate van</para>
      <para>arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%, met ingang van</para>
      <para>11 mei 1996 ingetrokken, onder overweging dat de mate van</para>
      <para>arbeidsongeschiktheid van gedaagde met ingang van die datum minder</para>
      <para>dan 25% was.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank te Assen heeft bij uitspraak van 28 november 1997 het</para>
      <para>beroep tegen dat besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit</para>
      <para>vernietigd, bepaald dat appellant binnen zes weken na het</para>
      <para>onherroepelijk worden van de uitspraak een nieuw besluit neemt met</para>
      <para>inachtneming van het in de uitspraak overwogene en appellant</para>
      <para>veroordeeld tot betaling van de proceskosten van gedaagde en</para>
      <para>vergoeding van het griffierecht. Naar die uitspraak wordt hierbij</para>
      <para>verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden van</para>
      <para>die uitspraak in hoger beroep gekomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens gedaagde is door mr J.H. Bloksma, werkzaam bij Stichting</para>
      <para>Univé Rechtshulp te Assen, een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Appellant heeft vragen beantwoord en nadere stukken ingezonden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is, gevoegd met de gedingen onder de nummers 97/12370 en</para>
      <para>97/12374 AAW, behandeld ter zitting van de Raad op 18 april 2000,</para>
      <para>waar voor appellant is verschenen</para>
      <para>mr H. de Rooy, werkzaam bij GUO Uitvoeringsinstelling B.V., terwijl</para>
      <para>voor gedaagde is verschenen mr Bloksma voornoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <para>Feiten</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde, geboren in 1941, heeft sedert 1976 gewerkt als</para>
      <para>zelfstandig agrariër (gemengd akkerbouw/melkveehouderij), tot 1</para>
      <para>augustus 1992 gemiddeld zeventig uren per week. Op</para>
      <para>23 augustus 1993 heeft gedaagde aan appellant een formulier</para>
      <para>'melding AAW? doen toekomen wegens per 20 augustus 1992 ingetreden</para>
      <para>(gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid. Op het 'aanvraagformulier</para>
      <para>AAW? heeft gedaagde als oorzaak van zijn arbeidsongeschiktheid</para>
      <para>hernia aangegeven. Bij besluit van</para>
      <para>15 februari 1995 is vervolgens aan gedaagde met ingang van 11</para>
      <para>augustus 1993 een uitkering ingevolge de AAW toegekend berekend</para>
      <para>naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Sedert 1</para>
      <para>november 1995 is deze uitkering berekend naar een mate van</para>
      <para>arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar aanleiding van een melding van gedaagde van toegenomen</para>
      <para>arbeidsongeschiktheid heeft appellant de mate van</para>
      <para>arbeidsongeschiktheid van gedaagde aan een herbeoordeling</para>
      <para>onderworpen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op basis van de rapportages van de verzekeringsarts</para>
      <para>L.J. Niemeyer van 9 november 1995 en de arbeidsdeskundige</para>
      <para>L. Kunnen van 22 november 1995 is appellant tot het in rubriek I</para>
      <para>genoemde besluit gekomen. De verzekeringsarts Niemeyer handhaaft de</para>
      <para>al voordien gestelde diagnose status na spinale decompressie 1993</para>
      <para>en status na HNP operatie 1995. Hij acht gedaagde geschikt voor</para>
      <para>lichte vertredende werkzaamheden, waarbij hij, gezien het herstel</para>
      <para>na de operatie, als ingangsdatum voor de belastbaarheid als</para>
      <para>neergelegd in het belastbaarheidspatroon 1 november 1995 neemt.</para>
      <para>De arbeidsdeskundige Kunnen heeft, op basis van het door de</para>
      <para>verzekeringsarts Niemeyer opgestelde belastbaarheidspatroon,</para>
      <para>vervolgens op laatstgenoemde datum de mate van</para>
      <para>arbeidsongeschiktheid van gedaagde berekend. Een taken-/</para>
      <para>urenvergelijking leverde een arbeidsongeschiktheidspercentage van</para>
      <para>57,86 op. Een schatting op basis van functies in het vrije bedrijf</para>
      <para>leverde echter een arbeidsongeschiktheidspercentage op van 16,36.</para>
      <para>Vervolgens heeft appellant het in rubriek I genoemde besluit</para>
      <para>genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Uitspraak rechtbank</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep tegen dit besluit gegrond verklaard</para>
      <para>en dit besluit vernietigd. Daarbij heeft zij overwogen dat het</para>
      <para>besluit op een juiste medische grondslag rust, terwijl gedaagde,</para>
      <para>gelet op zijn krachten en bekwaamheden, in staat moet worden geacht</para>
      <para>de aan hem voorgehouden functies te vervullen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van het maatmaninkomen heeft de rechtbank overwogen dat</para>
      <para>de arbeidsdeskundige de winst van gedaagde over de jaren 1989/1990</para>
      <para>tot en met 1991/1992 heeft geactualiseerd aan de hand van de</para>
      <para>indexcijfers van het Landbouw Economische Instituut (LEI) met</para>
      <para>betrekking tot 1993/1994 en vervolgens heeft geïndexeerd naar de</para>
      <para>datum in geding aan de hand van de CBS-index. Ten aanzien van het</para>
      <para>gebruik door appellant van de LEI-index heeft de rechtbank</para>
      <para>geoordeeld dat het gebruik van deze indexcijfers niet acceptabel</para>
      <para>is, indien de ontwikkeling van het bedrijfsresultaat die deze</para>
      <para>cijfers geven -in relevante mate- afwijkt van de feitelijke</para>
      <para>ontwikkeling van het bedrijfsresultaat. In casu kon naar het</para>
      <para>oordeel van de rechtbank aan de hand van de gedingstukken</para>
      <para>onvoldoende worden beoordeeld of de bedrijfsresultaten van gedaagde</para>
      <para>in relevante mate afwijken van de bedrijfsontwikkeling als</para>
      <para>weergegeven in de LEI-index. Daarenboven was naar het oordeel van</para>
      <para>de rechtbank onduidelijk of bij de berekening van de bedrijfswinst</para>
      <para>van gedaagde rekening is gehouden met het winstaandeel van de zoon</para>
      <para>van gedaagde in verband met de door gedaagde toegepaste</para>
      <para>vermindering van de bedrijfswinst met de genoten</para>
      <para>investeringsaftrek. Op grond van deze overwegingen heeft de</para>
      <para>rechtbank geoordeeld dat het bestreden besluit lijdt aan een</para>
      <para>motiveringsgebrek.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft zich vervolgens gebogen over de toepassing die</para>
      <para>appellant in het onderhavige geval heeft gegeven aan artikel 4 van</para>
      <para>het Schattingsbesluit (zoals dit artikel, met terugwerkende kracht</para>
      <para>tot 1 augustus 1993, is gewijzigd bij Besluit van 31 januari 1996).</para>
      <para>Uit deze bepaling volgt dat indien de op basis van de artikelen 2</para>
      <para>en 3 van het Schattingsbesluit bepaalde resterende</para>
      <para>verdiencapaciteit meer bedraagt dan een evenredig deel van het</para>
      <para>maatmaninkomen, de resterende verdiencapaciteit niet hoger wordt</para>
      <para>gesteld dan dat (evenredige) deel. Dat is slechts anders, zo blijkt</para>
      <para>uit het tweede lid van deze bepaling, indien bij de schatting wordt</para>
      <para>uitgegaan van feitelijke inkomsten uit arbeid dan wel betrokkene</para>
      <para>nog in staat is tot arbeid in dezelfde omvang als voordat hij</para>
      <para>arbeidsongeschikt werd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Omdat de rechtbank was gebleken dat de verschillende</para>
      <para>uitvoeringsinstellingen op onderscheiden wijze uitvoering hebben</para>
      <para>gegeven aan deze bepaling, heeft de rechtbank een zitting gelast</para>
      <para>waarbij vier verschillende uitvoeringsinstellingen zijn opgeroepen</para>
      <para>om een toelichting te geven op de uitvoeringspraktijk inzake de</para>
      <para>door artikel 4 van het Schattingsbesluit voorgeschreven maximering</para>
      <para>van de resterende verdiencapaciteit. Daarbij is aan de rechtbank</para>
      <para>gebleken dat door de uitvoeringsinstellingen onderscheid wordt</para>
      <para>gemaakt tussen zelfstandigen en werknemers in loondienst. Ten</para>
      <para>aanzien van zelfstandigen wordt geen toepassing gegeven aan het</para>
      <para>bepaalde in artikel 4 van het Schattingsbesluit, indien de</para>
      <para>betrokken zelfstandige nog tot gangbare arbeid gedurende een</para>
      <para>volledige, normaal te achten werkweek in staat is. Bij werknemers</para>
      <para>wordt, ook in het geval dat de maatmanarbeid meer dan veertig uren</para>
      <para>per week bedraagt, door de uitvoeringsinstellingen de resterende</para>
      <para>verdiencapaciteit wel overeenkomstig het bepaalde in artikel 4</para>
      <para>gemaximeerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft als haar oordeel uitgesproken dat het</para>
      <para>Schattingsbesluit, en de toelichting daarop, geen enkel</para>
      <para>aanknopingspunt bieden voor de toepassing die appellant geeft aan</para>
      <para>het bepaalde in artikel 4 van dat Besluit in het geval die bepaling</para>
      <para>toepassing vindt ten aanzien van een verzekerde-zelfstandig</para>
      <para>ondernemer. Volgens de rechtbank volgt uit de wettelijke regeling</para>
      <para>dat de maximering van de resterende verdiencapaciteit is</para>
      <para>voorgeschreven in alle gevallen waarin de verzekerde tot minder</para>
      <para>uren werken in staat is dan in zijn oorspronkelijke functie het</para>
      <para>geval was. De rechtbank constateert vervolgens dat in de praktijk</para>
      <para>verschil wordt gemaakt tussen zelfstandigen en werknemers. Naar het</para>
      <para>oordeel van de rechtbank is een dergelijk onderscheid niet</para>
      <para>gerechtvaardigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft ter nadere uitleg van het Besluit van</para>
      <para>31 januari 1996 vragen gesteld aan de Staatssecretaris van Sociale</para>
      <para>Zaken en Werkgelegenheid. Deze heeft daarop als volgt geantwoord:</para>
      <para>"Deze regeling waarborgt, dat bij de vaststelling van het</para>
      <para>arbeidsongeschiktheidspercentage in voldoende mate rekening wordt</para>
      <para>gehouden met een medisch geïndiceerde urenbeperking.</para>
      <para>Concreet betekent dit, dat een betrokkene die voor niet meer dan de</para>
      <para>helft van het aantal uren dat de maatman werkt belastbaar is, ten</para>
      <para>minste 50% arbeidsongeschikt is.</para>
      <para>Deze regeling geldt voor alle verzekerden, ongeacht of men vóór de</para>
      <para>arbeidsongeschiktheid als zelfstandige werkte dan wel als</para>
      <para>werknemer.</para>
      <para>Om die reden is bij de totstandkoming van dit besluit geen</para>
      <para>specifieke aandacht geschonken aan de positie van zelfstandigen.</para>
      <para>Het is mij bekend, dat de omvang van de maatmanarbeid van</para>
      <para>zelfstandigen in de uitvoeringspraktijk veelal op 38 uur per week</para>
      <para>wordt gesteld. Het gaat daarbij met name om kleine zelfstandigen,</para>
      <para>die (veel) meer dan</para>
      <para>38 uur per week werkten, maar toch een relatief laag inkomen</para>
      <para>genoten. Bij dergelijke omstandigheden geeft de omvang van de</para>
      <para>laatstelijk verrichte arbeid niet altijd een correct beeld van de</para>
      <para>oorspronkelijke verdiencapaciteit van betrokkene. In die gevallen</para>
      <para>kan objectivering van de maatmanarbeid aangewezen zijn, door een</para>
      <para>correctie toe te passen op de omvang van die arbeid.</para>
      <para>De aldus verminderde urenomvang bij de maatmanfunctie wordt bij de</para>
      <para>vaststelling van de resterende verdiencapaciteit als uitgangspunt</para>
      <para>genomen. (...)".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op basis van de door de Staatssecretaris gegeven uitleg heeft de</para>
      <para>rechtbank geconstateerd dat de door de uitvoeringsinstellingen</para>
      <para>gehanteerde praktijk, waarbij alle zelfstandigen worden</para>
      <para>'geobjectiveerd' tot 38 uur per week, niet in overeenstemming is</para>
      <para>met de door de Staatssecretaris bepleite wijze van 'objectivering'.</para>
      <para>Volgens deze immers kan 'objectivering? aangewezen zijn bij kleine</para>
      <para>zelfstandigen die (veel) meer dan 38 uur per week werkten, maar</para>
      <para>toch een relatief laag inkomen genoten. Daarbij heeft de rechtbank</para>
      <para>nog opgemerkt dat de door de Staatssecretaris bepleite</para>
      <para>'objectivering? niet past in de jurisprudentie van de CRvB, volgens</para>
      <para>welke objectivering van de maatmanarbeid aangewezen kan zijn in het</para>
      <para>geval dat de omvang van de maatmanarbeid</para>
      <para>uitzonderlijk groot is, vergeleken met andere, soortgelijke,</para>
      <para>bedrijven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft geconcludeerd dat indien gedaagde voor minder</para>
      <para>uren belastbaar is dan hij in zijn oorspronkelijke functie werkzaam</para>
      <para>was, zijn resterende verdiencapaciteit dient te worden gemaximeerd</para>
      <para>op een evenredig deel van zijn maatmaninkomen. In casu heeft</para>
      <para>appellant niet aangegeven of gedaagde nog voor 70 uren, het aantal</para>
      <para>uren waarin hij in zijn oorspronkelijke functie werkzaam was,</para>
      <para>belastbaar is. Volgens de rechtbank kan het ontbreken op het</para>
      <para>belastbaarheidspatroon van een urenbeperking niet het standpunt</para>
      <para>dragen dat gedaagde ruimer dan fulltime (38 of 40 uren) belastbaar</para>
      <para>is. De rechtbank heeft geoordeeld dat het bestreden besluit ook in</para>
      <para>dit opzicht lijdt aan een motiveringsgebrek.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Hoger beroepschrift</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In hoger beroep betoogt appellant dat het gebruik van</para>
      <para>branchecijfers -in casu de LEI-indexcijfers melkvee-bedrijven- het</para>
      <para>meest recht doet aan de systematiek van de</para>
      <para>arbeidsongeschiktheidswetgeving en aan de jurisprudentie van de</para>
      <para>Raad op dat punt. Voor het niet hanteren van deze cijfers is</para>
      <para>volgens appellant slechts plaats, indien de bedrijfsresultaten van</para>
      <para>de verzekerde zich duidelijk afwijkend ontwikkelen en er reden is</para>
      <para>om aan te nemen dat enige andere index de (fictieve) ontwikkeling</para>
      <para>van de maatman beter zou weergeven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van de toepassing van artikel 4 van het</para>
      <para>Schattingsbesluit, merkt appellant op dat appellants</para>
      <para>rechtsvoorganger (de BV TAB) deze bepaling aldus heeft</para>
      <para>geïnterpreteerd dat bij de bepaling van de mate van</para>
      <para>arbeidsongeschiktheid op basis van maandinkomens, zoals deze</para>
      <para>destijds door de BV TAB ten aanzien van zelfstandigen werd</para>
      <para>gehanteerd, de theoretische verdiencapaciteit per maand is</para>
      <para>gemaximeerd op het maatmaninkomen per maand. In een geval als het</para>
      <para>onderhavige heeft artikel 4 van het Schattingsbesluit, aldus</para>
      <para>ingevuld, dan geen effect op de mate van arbeidsongeschiktheid.</para>
      <para>Volgens appellant strookt dit ook met de beoogde toepassing. Indien</para>
      <para>een verzekerde in staat is om gedurende een normaal te achten</para>
      <para>werkweek te functioneren, bestaat, aldus appellant, er geen enkele</para>
      <para>aanleiding de maximering ingevolge artikel 4 van het</para>
      <para>Schattingsbesluit toe te passen. Een toepassing als door de</para>
      <para>rechtbank voorgestaan moet, aldus appellant, onverenigbaar worden</para>
      <para>geacht met het beginsel dat de verzekering geldt tegen</para>
      <para>inkomensderving.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Oordeel van de Raad</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het in</para>
      <para>rubriek I omschreven besluit van 10 mei 1996 in rechte stand kan</para>
      <para>houden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met de rechtbank beantwoordt de Raad deze vraag ontkennend.</para>
      <para>Ten aanzien van de door appellant gehanteerde methode van</para>
      <para>actualisering van het maatmaninkomen van een zelfstandig agrariër</para>
      <para>aan de hand van de LEI-indexcijfers is de Raad van oordeel dat deze</para>
      <para>toepassing in strijd is met het bepaalde in artikel 5 van de AAW en</para>
      <para>artikel 18 van de WAO en de daarop gebaseerde bepalingen van het</para>
      <para>Schattingsbesluit. De Raad wijst in dit verband naar zijn uitspraak</para>
      <para>van heden onder nummer 97/2005 AAW.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van de door appellant voorgestane toepassing van</para>
      <para>artikel 4 van het Schattingsbesluit merkt de Raad op dat de op zich</para>
      <para>zelf genomen duidelijke, hiervoor weergegeven, tekst van artikel 4,</para>
      <para>eerste lid van het Schattingsbesluit, als gewijzigd bij het</para>
      <para>Besluit van 31 januari 1996 (Stb. 1996, 75), geen enkele steun</para>
      <para>biedt voor de door appellant bepleite maximering van de</para>
      <para>theoretische verdiencapaciteit van een zelfstandig ondernemer in de</para>
      <para>agrarische sector op het maatmaninkomen per maand (noch overigens voor de door</para>
      <para>de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bepleite</para>
      <para>maximering op basis van een objectivering van de maatmanarbeid op</para>
      <para>een werkweek van 38/40 uur). Ook de nota van toelichting biedt voor</para>
      <para>een toepassing van deze bepaling als voorgestaan door appellant (en</para>
      <para>de Staatssecretaris) geen enkele grond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad voegt daaraan toe dat het door appellant gedane beroep op</para>
      <para>het dervingsbeginsel faalt, nu artikel 4 juist beoogt een</para>
      <para>uitzondering op dat beginsel te maken. Bij de door appellant</para>
      <para>voorgestane toepassing zou voor een grote groep verzekerden de hier</para>
      <para>bewust en expliciet gemaakte uitzondering op genoemd beginsel in</para>
      <para>belangrijke mate van haar zin worden beroofd, zonder dat daarvoor</para>
      <para>in de tekst van of toelichting bij deze bepaling enige grondslag is</para>
      <para>te vinden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De door appellant voorgestane toepassing brengt tevens mee dat</para>
      <para>onderscheid wordt gemaakt tussen zelfstandigen en werkenden in</para>
      <para>loondienst. Ten aanzien van laatstgenoemden hanteert appellant niet</para>
      <para>de hiervoor beschreven methode van maximering van de resterende</para>
      <para>verdiencapaciteit. De Raad merkt op dat voor dit onderscheid noch</para>
      <para>in de tekst van artikel 4 noch in de toelichting enige grond is te</para>
      <para>vinden, terwijl appellant voor dit onderscheid in behandeling van</para>
      <para>verzekerden ook anderszins geen, in het licht van de strekking van</para>
      <para>deze bepaling, objectieve en redelijke rechtvaardigingsgrond heeft</para>
      <para>aangevoerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan appellant moet worden toegegeven dat de toepassing van artikel</para>
      <para>4 van het Schattingsbesluit tot, mogelijk, minder wenselijk te</para>
      <para>achten uitkomsten kan leiden. De Raad is echter van oordeel dat</para>
      <para>het, nog afgezien van de hiervoor genoemde bezwaren tegen een</para>
      <para>toepassing als voorgestaan door appellant, de rechtsvormende taak</para>
      <para>van de rechter te buiten zou gaan wanneer hij, niettegenstaande de</para>
      <para>duidelijke tekst van artikel 4 van het Schattingsbesluit en de niet</para>
      <para>voor tweeërlei uitleg vatbare nota van toelichting daarbij, deze</para>
      <para>bepaling ten nadele van de geadresseerden zou interpreteren op een</para>
      <para>wijze als voorgestaan door appellant.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft appellant de vraag voorgelegd of gedaagde in</para>
      <para>medisch opzicht in staat is te achten arbeid in dezelfde omvang te</para>
      <para>verrichten als voorheen zijn maatmanarbeid. In reactie daarop heeft</para>
      <para>appellant een notitie van de verzekeringsarts Niemeijer van 28</para>
      <para>april 1997 ingezonden. Deze verklaart daarin het volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"Zoals in de Va-rapportage d.d. 9-11-95 staat vermeld blijft</para>
      <para>verzekerde geschikt voor lichte vertredende werkzaamheden.</para>
      <para>Verzekerde mag de passende werkzaamheden gedurende een normale</para>
      <para>werkdag uitoefenen.</para>
      <para>Bij mijn beoordeling als verzekeringsarts beperk ik mij tot het wel</para>
      <para>of niet kunnen werken dan een normale werkdag. Het ligt niet in de</para>
      <para>lijn van de beoordeling om de verzekerde geschikt te achten voor</para>
      <para>een bovennormaal aantal werkuren in een dienstverband. Bij de</para>
      <para>schatting in het kader van de TBA is een combinatie van fulltime</para>
      <para>funkties en parttime funkties niet aan de orde.".</para>
      <para>Gezien deze reactie kan de Raad het er slechts voor houden dat</para>
      <para>gedaagde op de in geding zijnde datum niet tot arbeid gedurende</para>
      <para>meer dan 40 uren per week in staat was. Derhalve is niet komen vast</para>
      <para>te staan dat gedaagde nog tot arbeid in dezelfde omvang in staat</para>
      <para>was als voordat hij arbeidsongeschikt werd. Het bepaalde in het</para>
      <para>tweede lid, onder b van artikel 4 van het Schattingsbesluit is</para>
      <para>derhalve niet van toepassing. Nu evenmin voldaan is aan het</para>
      <para>bepaalde in het tweede lid, onder a, dient hetgeen is neergelegd in</para>
      <para>het eerste lid van dat artikel in gedaagdes geval toepassing te</para>
      <para>vinden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan</para>
      <para>slagen. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in</para>
      <para>aanmerking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de</para>
      <para>Algemene wet bestuursrecht appellant te veroordelen in de</para>
      <para>proceskosten van gedaagde in hoger beroep. Deze kosten worden</para>
      <para>begroot op f 1.420,- voor verleende rechtsbijstand.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Andere op grond van dat artikel te vergoeden kosten zijn niet</para>
      <para>gevorderd en daarvan is de Raad ook niet gebleken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het vorenstaande alsmede op het bepaalde in artikel 22,</para>
      <para>derde lid van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat van</para>
      <para>appellant een recht van f 675,- dient te worden geheven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger</para>
      <para>beroep tot een bedrag groot f 1.420,-;</para>
      <para>Verstaat dat van appellant een recht van f 675,- wordt geheven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr K.J.S. Spaas als voorzitter en</para>
      <para>mr M.M. van der Kade en mr H.J. Simon als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van mr B. Serno als griffier en uitgesproken in</para>
      <para>het openbaar op 30 mei 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) K.J.S. Spaas.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) B. Serno.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>IS</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>