<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8840</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T18:09:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8840</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-06-27</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">98/6614 NABW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=10&amp;g=2000-06-27">Algemene bijstandswet 10</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=3:2&amp;g=2000-06-27">Algemene wet bestuursrecht 3:2</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 2000, 198</rdf:li>
          <rdf:li>JABW 2000, 139</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2000/218</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8840">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8840</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:57:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2012-06-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8840 Centrale Raad van Beroep , 27-06-2000 / 98/6614 NABW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8840:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bijzondere bijstand voor jongmeerderjarige, inwonend bij schoonouders.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8840:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>98/6614 NABW</para>
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A, wonende te B, appellante,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Gouda, gedaagde.</para>
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een door de Arrondissementsrechtbank te</para>
      <para>'s-Gravenhage op 27 juli 1998 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt</para>
      <para>verwezen. Mr G.F.C. van den Berg, advocaat te Gouda, heeft namens appellante de gronden</para>
      <para>voor het hoger beroep aan de Raad doen toekomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van 16 mei 2000, waar voor appellante is</para>
      <para>verschenen mr L.C.H. Karstanje, advocaat te Gouda, terwijl voor gedaagde is</para>
      <para>verschenen E.S. Teunissen, werkzaam bij de gemeente Gouda.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <para>Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante, geboren in 1976 en afkomstig uit Turkije, woonde samen met haar</para>
      <para>echtgenoot C. in bij haar schoonouders. C. ontving een uitkering ingevolge de</para>
      <para>Ziektewet tot en met 9 juni 1996. In verband met detentie werd deze uitkering</para>
      <para>beëindigd. Appellante beschikte niet over eigen middelen en het vermogen van</para>
      <para>haar echtgenoot was negatief.</para>
      <para>Op 18 juli 1996 vroeg appellante gedaagde haar ter voorziening in de</para>
      <para>noodzakelijke kosten van het bestaan bijstand te verlenen met ingang van 10 juni</para>
      <para>1996. Op het inlichtingenformulier van dezelfde datum gaf zij op dat haar aan</para>
      <para>haar schoonouders te betalen huurlasten f 250,-- per maand bedroegen en dat zij</para>
      <para>een schuld aan haar zwager D. had van f 1.000,--.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij primair besluit van 8 januari 1997 heeft gedaagde appellante met ingang van</para>
      <para>10 juni 1996 bijstand toegekend naar het bedrag gelijk aan de bijstandsnorm</para>
      <para>welke voor haar als alleenstaande jonger dan 21 jaar zou gelden (f 337,53 per maand).</para>
      <para>Appellante heeft er in bezwaar onder meer op gewezen dat haar zwager namens haar</para>
      <para>naast het al genoemde woonkostenbedrag ad f 250,-- ook f 250,-- eet- en drinkgeld aan haar</para>
      <para>schoonouders betaalt en dat zij het uitgekeerde bedrag gebruikt voor andere kosten, waaronder</para>
      <para>die voor kleding en reiskosten om naar haar man te kunnen gaan.</para>
      <para>Gedaagde heeft bij besluit van 8 april 1997 het ingediende bezwaar ongegrond</para>
      <para>verklaard. Daartoe is het volgende overwogen:</para>
      <para>"- op grond van artikel 29 van de Algemene bijstands</para>
      <para>wet heeft u op grond van uw leeftijd recht op norm de norm</para>
      <para>voor een alleenstaande jonger dan 21 jaar;</para>
      <para>- in uw situatie was er geen noodzaak tot het verlenen van een</para>
      <para>aanvullende toeslag ingevolge artikel 10 van de</para>
      <para>Algemene bijstandswet aangezien niet was gebleken dat de</para>
      <para>noodzakelijke kosten van het bestaan meer zouden bedragen</para>
      <para>dan de voor u geldende norm;</para>
      <para>- u inwonend bent bij de ouders van haar echtgenoot</para>
      <para>en zodoende geacht wordt niet over zelfstandige woonruimte</para>
      <para>te beschikken;</para>
      <para>- ook in het bezwaarschrift worden geen omstandigheden vermeld</para>
      <para>die toepassing van genoemd artikel 10 zouden rechtvaardigen;</para>
      <para>- ook met de kosten welke worden gemaakt ten behoeve</para>
      <para>van uw echtgenoot (verblijft in detentie) kan geen rekening</para>
      <para>worden gehouden, aangezien de uitkering alleen voor de</para>
      <para>kosten van uw levensonderhoud wordt verstrekt;</para>
      <para>- uw echtgenoot is gedetineerd en heeft op grond</para>
      <para>hiervan ingevolge artikel 9, lid 1, sub a van de Algemene</para>
      <para>bijstandswet geen recht op uitkering".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In beroep heeft appellante doen aanvoeren dat haar noodzakelijke kosten van het</para>
      <para>bestaan hoger zijn dan de voor haar geldende bijstandsnorm. Ter onderbouwing</para>
      <para>daarvan zijn verklaringen overgelegd van haar zwager en van haar schoonvader,</para>
      <para>waaruit naar voren komt dat de zwager vanaf 10 juni 1996 tot de 21e verjaardag</para>
      <para>van appellante f 500,-- per maand wegens woonkosten en eet- en drinkgeld voor</para>
      <para>haar heeft betaald aan haar schoonvader. Voorts is erop gewezen dat volgens het</para>
      <para>Handboek Sociale Zaken van de gemeente Gouda de noodzaak voor zelfstandige</para>
      <para>huisvesting in elk geval aanwezig wordt geacht indien de ouders van een</para>
      <para>belanghebbende in het buitenland wonen en dat zij geen beroep kan doen op haar</para>
      <para>in Turkije wonende ouders die een inkomen hebben van ongeveer f 250,-- per maand.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het tegen het besluit van 8 april 1997 ingestelde beroep</para>
      <para>ongegrond verklaard. Naar haar oordeel heeft appellante de verschuldigdheid van</para>
      <para>de bedragen aan haar schoonouders niet ondubbelzinnig aangetoond en evenmin</para>
      <para>controleerbaar aangetoond dat zij die kosten daadwerkelijk heeft betaald. Aldus</para>
      <para>is de rechtbank niet tot het oordeel kunnen komen dat de noodzakelijke kosten</para>
      <para>van het bestaan van appellante meer bedroegen dan het voor haar geldende normbedrag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In hoger beroep is namens appellante onder meer aangevoerd dat geen onderzoek is</para>
      <para>gedaan naar de uitgaven van appellante behalve de f 250,-- aan huur. Voorts is erop gewezen</para>
      <para>dat volgens het Handboek Sociale Zaken van de gemeente Gouda (onderdeel 5.200, versie</para>
      <para>17 december 1996) alle jongeren die voldoen aan de criteria om in aanmerking te komen</para>
      <para>voor toepassing van artikel 10 van de Algemene bijstandswet (Abw) hetzelfde - vaste - bedrag</para>
      <para>bovenop de Abw-jongerennorm ontvangen, zonder rekening te houden met de leeftijd (18, 19 of</para>
      <para>20 jaar) of de hoogte van de individuele woonlasten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt het volgende.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 10 van de Abw luidt als volgt:</para>
      <para>"Een persoon van 18, 19 of 20 jaar heeft slechts recht op bijzondere</para>
      <para>bijstand voor zover zijn noodzakelijke kosten van het bestaan uitgaan</para>
      <para>boven de toepasselijke bijstandsnorm en hij voor deze kosten geen beroep</para>
      <para>kan doen op zijn ouders, omdat:</para>
      <para>a. de middelen van de ouders daartoe niet toereikend zijn; of</para>
      <para>b. hij redelijkerwijs zijn onderhoudsrecht jegens zijn ouders niet te gelde kan maken.".</para>
      <para>Aan de Nadere Memorie van Antwoord (Kamerstukken II, 1993-1994, nr. 18, blz. 90)</para>
      <para>ontleent de Raad het volgende:</para>
      <para>"In dit nieuwe artikel wordt het recht op aanvullende bijstand voor de</para>
      <para>18- tot 21-jarige geregeld. Deze aanvullende bijstand wordt als</para>
      <para>bijzondere bijstand verleend. Zoals uit de redactie van dit artikel</para>
      <para>blijkt, is dat ook het geval als een of beide partners jonger dan 21 jaar</para>
      <para>is of als alleenstaande de zorg heeft voor een of meer kinderen.</para>
      <para>Uit de samenhang van dit artikel met de bepalingen ten aanzien van de</para>
      <para>bijzondere bijstand volgt dat voor de beantwoording van de vraag of</para>
      <para>aanvullende bijstand dient te worden verstrekt, de gemeente eerst een</para>
      <para>oordeel dient te vormen over de hoogte van de noodzakelijke</para>
      <para>bestaanskosten. Daarbij kan de gemeente onder andere in aanmerking nemen</para>
      <para>of voor de betrokkene zelfstandige huisvesting noodzakelijk is.</para>
      <para>In overeenstemming met de afstemming van de voor hen geldende landelijke</para>
      <para>normbedragen op het niveau van de kinderbijslag, wordt deze aanvullende</para>
      <para>bijstand slechts verleend voor zover de betrokkene voor die noodzakelijke</para>
      <para>bestaanskosten geen beroep op de ouders kan doen.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Mede gezien deze toelichting stelt de Raad allereerst vast dat bij de</para>
      <para>beoordeling van een aanvraag om bijstand voor de noodzakelijke bestaanskosten</para>
      <para>van een jongmeerderjarige op het bijstandsverlenend orgaan de plicht rust om</para>
      <para>zich een zo goed mogelijk beeld te vormen over de hoogte van de noodzakelijke</para>
      <para>bestaanskosten van de aanvrager en dat dit orgaan daarbij onder andere in</para>
      <para>aanmerking kan nemen of voor de aanvrager zelfstandige huisvesting wel of niet</para>
      <para>noodzakelijk is. Een gericht onderzoek naar alle van belang van zijnde</para>
      <para>omstandigheden van de aanvrager is dan ook nodig. Het zonder meer stellen van de</para>
      <para>noodzakelijke bestaanskosten van op zelfstandige huisvesting aangewezen</para>
      <para>jongmeerderjarigen op een vast bedrag, dus zonder rekening te houden met de</para>
      <para>individuele situatie, kan de Raad derhalve niet als juist aanvaarden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van de gedingstukken constateert de Raad vervolgens dat een onderzoek</para>
      <para>als vermeld ten aanzien van appellante achterwege is gebleven. Uit de stukken</para>
      <para>blijkt niet dat bij de voorbereiding van het besluit in primo aan artikel 10 van</para>
      <para>de Abw aandacht is besteed.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit gebrek kan naar het oordeel van de Raad niet geheeld worden geacht met het</para>
      <para>bestreden besluit.</para>
      <para>Aan de mededelingen van appellante en haar familieleden in bezwaar omtrent</para>
      <para>kosten van huisvesting, eten, drinken en kleding en daarenboven nog de</para>
      <para>reiskosten die appellante maakt om haar in gevangenschap verblijvende echtgenoot</para>
      <para>te kunnen bezoeken is gedaagde zonder meer voorbijgegegaan, met als gevolg dat</para>
      <para>omtrent de gestelde kleding- en reiskosten geen enkel concreet gegeven</para>
      <para>beschikbaar is. Gelet op de wel voorhanden zijnde gegevens acht de Raad het niet</para>
      <para>onaannemelijk dat in dit geval van een situatie van kost en inwoning om niet</para>
      <para>geen sprake is geweest en dat voormelde, als noodzakelijk te beschouwen, kosten</para>
      <para>daadwerkelijk ten behoeve van appellante zijn betaald door haar zwager en/of</para>
      <para>schoonouders die ten opzichte van haar niet onderhoudsplichtig zijn of,</para>
      <para>voorzover de verleende bijstandsuitkering reikte, door haarzelf. Gelet op de</para>
      <para>thans beschikbare gegevens acht de Raad het ook niet op voorhand onaannemelijk</para>
      <para>dat het totaal van de noodzakelijke bestaanskosten van appellante op maandbasis</para>
      <para>meer hebben bedragen dan het ten tijde van de aanvraag in verband met de</para>
      <para>detentie van de echtgenoot in aanmerking te nemen normbedrag van f 337,53.</para>
      <para>Anders dan de rechtbank ziet de Raad ten slotte geen grond om in het kader van</para>
      <para>de toepassing van artikel 10 van de Abw te verlangen dat primaire, voor een</para>
      <para>ieder noodzakelijke bestaanskosten als eten en drinken ondubbelzinnig door</para>
      <para>middel van schriftelijke bewijzen worden aangetoond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van het vorenstaande komt de Raad tot de slotsom dat het bestreden</para>
      <para>besluit wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Algemene wet</para>
      <para>bestuursrecht (Awb) niet in stand kan blijven.</para>
      <para>Gedaagde zal een nieuw besluit hebben te nemen met inachtneming van deze uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht ten slotte termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb</para>
      <para>gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante voor verleende rechtsbijstand.</para>
      <para>Deze kosten worden begroot op f 710,-- in beroep en op f 1.420,-- in hoger beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>Verklaart het inleidend beroep alsnog gegrond en vernietigt het bestreden besluit;</para>
      <para>Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit neemt op het bezwaar van appellante met</para>
      <para>inachtneming van deze uitspraak;</para>
      <para>Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van gedaagde in beroep ad f 710,-- en in</para>
      <para>hoger beroep ad f 1.420,--, te betalen door de gemeente Gouda aan de griffier</para>
      <para>van de Raad;</para>
      <para>Gelast de gemeente Gouda aan appellante het gestorte recht van f 55,-- in beroep</para>
      <para>en f 160,-- in hoger beroep (totaal f 215,--) te vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door mr J.G. Treffers als voorzitter en mr G.A.J. van den Hurk en</para>
      <para>mr drs N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van</para>
      <para>I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) J.G. Treffers.</para>
    <para />
    <para>(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.</para>
    <para />
    <para>HL1906</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>