<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8821</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T13:03:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8821</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AG8662</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AN6425</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-05-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">97/9531 ABW en 98/7656 ABW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=3&amp;g=2000-05-02">Algemene bijstandswet 3</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=3&amp;g=2000-05-02">Algemene bijstandswet 3</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=3&amp;g=2000-05-02">Algemene bijstandswet 3</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0009280&amp;artikel=3&amp;g=2000-05-02">Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998 3</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0009280&amp;artikel=4&amp;g=2000-05-02">Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998 4</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AB 2000, 345</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 2000, 137</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2000/193 met annotatie van A.E.L.T. Balkema</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8821">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8821</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:57:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-10-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8821 Centrale Raad van Beroep , 02-05-2000 / 97/9531 ABW en 98/7656 ABW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8821:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8821:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>97/9531 ABW</para>
      <para>98/7656 ABW</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in de gedingen tussen:</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1. A, wonende te B, appellant,</para>
      <para>2. C, wonende te B, appellante</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Breukelen, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft op bij een aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger</para>
      <para>beroep ingesteld tegen een door de Arrondissementsrechtbank te Utrecht onder</para>
      <para>dagtekening 1 oktober 1997 tussen partijen gewezen uitspraak, nummer 96/1863</para>
      <para>ABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als gemachtigde van appellante heeft D. Molin op bij een aanvullend</para>
      <para>beroepschrift aangegeven gronden namens haar eveneens hoger beroep ingesteld</para>
      <para>tegen evengenoemde uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Gedaagde heeft verweerschriften ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 21 maart 2000, waar van de</para>
      <para>zijde van appellanten niemand is verschenen, terwijl gedaagde zich heeft doen</para>
      <para>vertegenwoordigen door G. Gijtenbeek, werkzaam bij de gemeente Breukelen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <para>In het geding, nummer 98/7656 ABW:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de in rubriek I vermelde uitspraak heeft de rechtbank appellant niet-ontvankelijk verklaard</para>
      <para>in het door hem ingestelde beroep op grond van de volgende overwegingen:</para>
      <para>"Ingevolge artikel 8:1 van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit</para>
      <para>beroep instellen bij de rechtbank.</para>
      <para>In artikel 6:13 van de Awb is bepaald dat geen beroep kan worden</para>
      <para>ingesteld tegen een op bezwaar genomen besluit door een belanghebbende</para>
      <para>aan wie redelijkerwijs kan worden verweten geen bezwaar te hebben gemaakt</para>
      <para>tegen het oorspronkelijke besluit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het bepaalde in artikel 1:2, lid 1, van de Awb wordt onder</para>
      <para>belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit</para>
      <para>is betrokken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat eiser A geen zelfstandig bezwaar heeft</para>
      <para>gemaakt tegen het oorspronkelijke besluit van 2 februari 1996 doch dit</para>
      <para>heeft gedaan namens C, in dit geding eiseres, als haar gemachtigde. De</para>
      <para>rechtbank is niet gebleken van omstandigheden op basis waarvan eiser A</para>
      <para>redelijkerwijs niet kan worden verweten geen zelfstandig bezwaar te</para>
      <para>hebben gemaakt. Reeds op die grond moet eiser A, gelet op het bepaalde in</para>
      <para>artikel 6:13 van de Awb niet ontvankelijk worden geacht in zijn beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts acht de rechtbank eiser A geen belanghebbende in de zin van</para>
      <para>artikel 1:2 van de Awb. Het besluit van verweerder tot beëindiging van</para>
      <para>het recht op bijstand van eiseres raakt eiser A niet rechtstreeks in zijn</para>
      <para>belang. Daarvan zou eerst sprake zijn indien eiser A op de wijze als</para>
      <para>voorzien in de Algemene Bijstandswet aanspraak zou hebben gemaakt om als</para>
      <para>subject van bijstandsverlening te worden beschouwd in het kader van een</para>
      <para>gezinsbijstandsuitkering. De rechtbank is echter niet gebleken dat</para>
      <para>daarvan sprake is geweest voorafgaande aan het in dit geding aan de orde</para>
      <para>zijnde besluit. Voorts blijkt uit de gedingstukken dat eiser A ten tijde</para>
      <para>in geding een uitkering ingevolge de arbeidsongeschiktheidswetgeving</para>
      <para>ontving en dat het al dan niet bestaan van een gezamenlijke huishouding</para>
      <para>alleen van betekenis was voor het recht op periodieke bijstand van</para>
      <para>eiseres. Een louter subjectief gevoel van sterke betrokkenheid bij een</para>
      <para>bestuursbesluit, hoe begrijpelijk ook in de onderhavige situatie, is niet</para>
      <para>voldoende om te kunnen spreken van een rechtstreeks betrokken belang.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hetgeen appellant in hoger beroep tegen deze beslissing van de rechtbank heeft</para>
      <para>aangevoerd, heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen met</para>
      <para>betrekking tot de ontvankelijkheid van het inleidend beroep van appellant.</para>
      <para>De omstandigheid dat appellant niet betrokken was bij de aan appellante</para>
      <para>verleende bijstand en derhalve niet kon worden aangemerkt als subject van de</para>
      <para>hier in geding zijnde bijstandsverlening, verzet zich ertegen om appellant te</para>
      <para>beschouwen als een persoon met een bij het beëindigingsbesluit rechtstreeks</para>
      <para>betrokken belang.</para>
      <para>Die vaststelling is al voldoende om te oordelen dat de rechtbank appellant</para>
      <para>terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in het door hem ingestelde beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De aangevallen uitspraak komt dan ook in zoverre voor bevestiging in aanmerking.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in</para>
      <para>artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>In het geding, nummer 97/9531 ABW</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de aangevallen uitspraak - waarin appellante als eiseres is aangeduid, en</para>
      <para>gedaagde als verweerder - ontleent de Raad de volgende, als vaststaand aan te</para>
      <para>nemen feiten en omstandigheden:</para>
      <para>"Met ingang van 17 september 1992 is aan eiseres, na beëindiging van de</para>
      <para>bijstandsuitkering per 1 september 1992 bij besluit van 6 oktober 1992</para>
      <para>vanwege het voeren van een gezamenlijke huishouding met A, door</para>
      <para>verweerder recht op bijstand verleend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In bezwaar en administratief beroep zijn de bezwaren van eiseres tegen de</para>
      <para>beslissing van 6 oktober 1992 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 14</para>
      <para>november 1994 is door de Centrale Raad van Beroep het beroep tegen de</para>
      <para>beslissing van het College van gedeputeerde staten van de provincie</para>
      <para>Utrecht van 9 maart 1994, betreffende verweerders besluit van 6 oktober</para>
      <para>1992, eveneens ongegrond geacht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 5 januari is door eiseres schriftelijk verklaard dat A met ingang van</para>
      <para>8 januari 1996 zijn hoofdverblijf zou hebben in haar woning.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 2 februari 1996 is eiseres medegedeeld dat met ingang van</para>
      <para>8 januari 1996 haar uitkering ingevolge de Algemene Bijstandswet werd beëindigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens eiseres is op 7 februari 1996, aangevuld bij brief van 19 februari</para>
      <para>1996, tegen dit besluit bezwaar gemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij uitspraak van 11 april 1996 is het namens eiseres gedane verzoek van</para>
      <para>6 maart 1996 om een voorlopige voorziening door deze rechtbank afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het bezwaarschrift is behandeld ter zitting van 6 mei 1996 van de</para>
      <para>commissie bezwaar- en beroepschriften van de gemeente Breukelen, alwaar</para>
      <para>eiseres in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord naar aanleiding</para>
      <para>van haar bezwaren. Na ontvangst van het advies van voornoemde commissie</para>
      <para>heeft verweerder het bestreden besluit genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Blijkens de gedingstukken heeft verweerder bij het bestreden besluit</para>
      <para>toepassing gegeven aan artikel 3, aanhef en derde lid, onder a, van de</para>
      <para>Algemene Bijstandswet. Verweerder heeft daarbij overwogen dat eiseres</para>
      <para>eerder een duurzame huishouding met A heeft gevoerd.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit van 28</para>
      <para>mei 1996 ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe vastgesteld dat appellanten op</para>
      <para>het relevante beoordelingstijdstip 8 januari 1996 hun hoofdverblijf hadden in</para>
      <para>dezelfde woning en voorts in aanmerking genomen dat bij 's Raads uitspraak van</para>
      <para>14 november 1994 in rechte is vastgesteld dat appellante op 1 september 1992 een</para>
      <para>gezamenlijke huishouding voerde met appellant.</para>
      <para>Op basis van deze beide gegevens heeft zij geconcludeerd dat gedaagde op juiste</para>
      <para>wijze toepassing heeft gegeven aan artikel 3, derde lid aanhef en onder a, van</para>
      <para>de Algemene bijstandswet (Abw, tekst tot 1 januari 1998) en daarbij aangegeven</para>
      <para>dat de wetgever geen beperking (in tijd) heeft aangegeven voor de toepassing van</para>
      <para>evengenoemde bepaling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gemachtigde van appellante heeft in hoger beroep de toepasselijkheid van die</para>
      <para>bepaling betwist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad stelt zich achter de overwegingen in de aangevallen uitspraak die de</para>
      <para>rechtbank tot de conclusie hebben geleid dat in deze de bepalingen van de Abw</para>
      <para>van toepassing zijn zoals deze van 1 januari 1996 tot 1 januari 1998 luidden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aangaande de toepassing van artikel 3, derde lid aanhef en onder a, van de Abw</para>
      <para>per 8 januari 1996 overweegt de Raad het volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 3, derde lid aanhef en onder a, van de Abw wordt een</para>
      <para>gezamenlijke huishouding als bedoeld in het tweede lid van dit artikel in ieder</para>
      <para>geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in</para>
      <para>dezelfde woning en zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de</para>
      <para>verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt.</para>
      <para>In de onderdelen b tot en met d zijn andere situaties beschreven waarin een</para>
      <para>gezamenlijke huishouding eveneens aanwezig wordt geacht indien de</para>
      <para>belanghebbenden hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben.</para>
      <para>Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever met artikel 3, derde lid aanhef</para>
      <para>en onder a tot en met d, van de Abw heeft bedoeld situaties aan te geven waarin</para>
      <para>gemeenten zonder nader onderzoek kunnen concluderen dat de betrokkenen een</para>
      <para>gezamenlijke huishouding voeren.</para>
      <para>Het vijfde lid van artikel 3 geeft aan dat bij algemene maatregel van bestuur de</para>
      <para>reikwijdte in de tijd moet worden vastgesteld voorzover het gaat om registraties</para>
      <para>van gezamenlijke huishoudingen die naar aard en strekking overeenkomen met de</para>
      <para>gezamenlijke huishouding, bedoeld in het tweede lid van dat artikel. Dit is in</para>
      <para>de wetsgeschiedenis als volgt toegelicht: "Er dient immers te worden gewaarborgd</para>
      <para>dat er redelijkerwijs geen twijfel over kan bestaan dat de betrokkenen - gezien</para>
      <para>de aard van de desbetreffende registratie en gezien het tijdstip daarvan -</para>
      <para>inderdaad een gezamenlijke huishouding voeren.". (Kamerstukken II 1993/1994,</para>
      <para>22545, nr. 18, p. 38)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De bedoelde algemene maatregel van bestuur is neergelegd in het Besluit</para>
      <para>aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding (KB van 12 april 1995, Stb.</para>
      <para>1995, 202), verder: het Besluit.</para>
      <para>Artikel 3 van het Besluit luidt - voorzover hier van belang - als volgt:</para>
      <para>"Voor de toepassing van artikel 3 van de Abw wordt een registratie als bedoeld</para>
      <para>in artikel 2 in aanmerking genomen indien deze:</para>
      <para>a. bij de aanvang van bijstand bestaat;</para>
      <para>b. in een periode van twee jaar voorafgaand aan de aanvraag van bijstand op enig</para>
      <para>moment heeft bestaan;</para>
      <para>c. in een periode van twee jaar voorafgaand aan de bekendmaking van een besluit</para>
      <para>als bedoeld in artikel 5, derde lid, van de Invoeringswet herinrichting Algemene</para>
      <para>Bijstandswet op enig moment heeft bestaan;</para>
      <para>dan wel</para>
      <para>d. gedurende de verlening van bijstand plaatsvindt.".</para>
      <para>In de Nota van Toelichting bij het Besluit is onder meer neergelegd:</para>
      <para>"In dit besluit wordt ook de reikwijdte van de betreffende registers in de tijd</para>
      <para>aangegeven. Het kabinet heeft gekozen voor een termijn van twee jaren. ... Door</para>
      <para>de termijn op twee jaar te stellen, wordt voorkomen dat ook minder actuele</para>
      <para>registraties zouden doorwerken. Voorts zou een langere termijn mogelijk de</para>
      <para>uitvoering te zeer belasten.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad stelt vast dat de in het Besluit aan onderdeel d gegeven uitwerking tot</para>
      <para>gevolg heeft, dat ten aanzien van niet met elkaar gehuwd geweest zijnde personen</para>
      <para>die een gezamenlijk hoofdverblijf hebben en die voor de toepassing van de</para>
      <para>ABW/Abw eerder de rechtsgevolgen hebben ondervonden van het voeren van een</para>
      <para>(duurzame) gezamenlijke huishouding anders wordt gehandeld dan ten aanzien van</para>
      <para>niet met elkaar gehuwd geweest zijnde personen die dezelfde rechtsgevolgen reeds</para>
      <para>hebben ervaren voor de toepassing van een van de in artikel 2 van het Besluit</para>
      <para>genoemde andere wetten met materieel eenzelfde partnerbegrip.</para>
      <para>Voor de eerste groep vermeldt onderdeel a van artikel 3, derde lid, slechts de</para>
      <para>niet nader omlijnde term "eerder" en is niet voorzien in een temporele beperking. Dat</para>
      <para>zou bij een ruime uitleg van dat artikelonderdeel voor hen betekenen dat een gezamenlijke</para>
      <para>huishouding die in een (veel) verder verleden is vastgesteld alsnog zou kunnen worden</para>
      <para>aangegrepen om wederzijdse verzorging zonder nader onderzoek aanwezig te achten</para>
      <para>wanneer zij weer in één woning gehuisvest zijn.</para>
      <para>Voor de tweede groep is dat anders, omdat de wetgever ervoor heeft gekozen om</para>
      <para>minder actuele registraties niet te laten doorwerken. Voor die groep geldt dat</para>
      <para>niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat ook aan de eis van wederzijdse</para>
      <para>verzorging is voldaan wanneer de aanwezigheid van een gezamenlijke huishouding</para>
      <para>is vastgesteld voorafgaande aan het ingevolge artikel 3 van het Besluit in</para>
      <para>aanmerking te nemen tijdvak/tijdstip.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad is van oordeel dat de door hem geconstateerde rechtsongelijkheid voor</para>
      <para>personen als appellanten kan worden opgeheven door bij de toepassing van artikel</para>
      <para>3, derde lid aanhef en onder a, van de Abw de daarin voorkomende term "eerder"</para>
      <para>te preciseren en daarvoor aansluiting te zoeken bij de uitwerking zoals deze</para>
      <para>voor de toepassing van onderdeel d van dat artikelonderdeel geldt.</para>
      <para>Hierbij tekent de Raad - in dit geding ten overvloede - aan dat de wijzigingen</para>
      <para>die per 1 januari 1998 in artikel 3 van de Abw en met het inmiddels gegeven</para>
      <para>Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998 tot stand zijn</para>
      <para>gebracht niet tot een andere benadering nopen. Bij de toepassing van artikel 3,</para>
      <para>vierde lid, aanhef en onder a, van de Abw (tekst vanaf 1 januari 1998) ten</para>
      <para>aanzien van niet met elkaar gehuwde geweest zijnde personen kan de daarin</para>
      <para>voorkomende term "eerder" worden gepreciseerd door aansluiting te zoeken bij de</para>
      <para>tijdsbepalingen zoals deze in artikel 4 van het Besluit aanwijzing registraties</para>
      <para>gezamenlijke huishouding 1998 voor de toepassing van de Abw en andere in dat</para>
      <para>artikel genoemde wetten is gegeven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In casu moet in de lijn van artikel 3 onder c van het Besluit worden vastgesteld</para>
      <para>dat de door gedaagde aangegrepen situatie waarin appellanten eerder voor de</para>
      <para>verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt, verregaand buiten de</para>
      <para>periode van twee jaar voorafgaand aan de bekendmaking van het besluit van 2</para>
      <para>februari 1996 gelegen is.</para>
      <para>Daarom was gedaagde naar het oordeel van de Raad niet gerechtigd met toepassing</para>
      <para>van artikel 3, derde lid aanhef en onder a, van de Abw het bestaan van een</para>
      <para>gezamenlijke huishouding in het geval van appellanten zonder meer aanwezig te achten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad voegt aan het vorenstaande toe dat een beoordeling van het geschil op</para>
      <para>basis van het tweede lid van artikel 3 van de Abw tot de conclusie moet leiden</para>
      <para>dat het hebben van hoofdverblijf van appellanten in dezelfde woning op 8 januari</para>
      <para>1996 buiten kijf is, maar dat overigens geen feiten zijn gesteld of gebleken die</para>
      <para>het aannemelijk doen zijn dat er ten tijde als hier van belang óók van</para>
      <para>wederzijdse verzorging sprake was.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het voorgaande ligt besloten dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan</para>
      <para>blijven voorzover daarbij het beroep van appellante ongegrond is verklaard.</para>
      <para>Doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen zal de Raad het inleidend beroep</para>
      <para>alsnog gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met</para>
      <para>artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Gedaagde zal een nieuw besluit op het</para>
      <para>bezwaar van appellante hebben te nemen met inachtneming van deze uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan hetgeen namens appellante in hoger beroep overigens naar voren is gebracht,</para>
      <para>onder andere onder verwijzing naar de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag</para>
      <para>tot bescherming van de rechten van de mens en artikel 26 van het Internationaal</para>
      <para>Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, komt de Raad, gezien het</para>
      <para>vorenstaande, nu niet toe.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het</para>
      <para>bepaalde in artikel 8:75 van de Awb, nu hem van voor vergoeding in aanmerking</para>
      <para>komende proceskosten niet is gebleken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>in het geding, nummer 98/7656 ABW:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak;</para>
    <para />
    <para>in het geding nummer 97/9531 ABW:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>Verklaart het inleidend beroep van appellante alsnog gegrond en vernietigt het</para>
      <para>bestreden besluit;</para>
      <para>Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit neemt op het bezwaar van appellante met</para>
      <para>inachtneming van deze uitspraak;</para>
      <para>Gelast de gemeente Breukelen aan appellante het gestorte recht van f 50,-- in</para>
      <para>beroep en f 160,-- in hoger beroep (totaal f 210,--) te vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door mr J.G. Treffers als voorzitter en mr G.A.J. van den Hurk en</para>
      <para>mr J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van mr P.C. de</para>
      <para>Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) J.G. Treffers.</para>
    <para />
    <para>(get.) P.C. de Wit.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>HL</para>
      <para>105</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>