<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8808</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T18:09:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8808</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AK4299</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-05-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">98/5735 NABW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=7&amp;g=2000-05-23">Algemene bijstandswet 7</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=11&amp;g=2000-05-23">Algemene bijstandswet 11</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=69&amp;g=2000-05-23">Algemene bijstandswet 69</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=69&amp;g=2000-05-23">Algemene bijstandswet 69</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=78&amp;g=2000-05-23">Algemene bijstandswet 78</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=12&amp;g=2000-05-23">Algemene bijstandswet 12</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=81&amp;g=2000-05-23">Algemene bijstandswet 81</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 2000, 176 met annotatie van R. Stijnen</rdf:li>
          <rdf:li>JABW 2000, 120</rdf:li>
          <rdf:li>JB 2000/169 met annotatie van C.L.G.F.H. Albers</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2000/183</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8808">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8808</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:57:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2003-04-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8808 Centrale Raad van Beroep , 23-05-2000 / 98/5735 NABW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8808:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8808:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>98/5735 NABW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A, wonende te B, appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 12 mei 1998 heeft mr G.A. Soebhag, advocaat te Soest, namens</para>
      <para>appellant bezwaar gemaakt bij gedaagde tegen zijn besluit van 2 april 1998,</para>
      <para>waarbij het besluit tot toekenning van bijstand aan appellant wordt ingetrokken</para>
      <para>met ingang van 15 december 1997 en de verleende bijstand over de periode van 15</para>
      <para>december 1997 tot en met 28 februari 1998 tot een bedrag van f 2.448,88 van</para>
      <para>appellant wordt teruggevorderd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft het bezwaarschrift met toepassing van artikel 6:15 van de</para>
      <para>Algemene wet bestuursrecht (Awb) doorgezonden naar de Raad om het als</para>
      <para>beroepschrift in behandeling te nemen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Mr Soebhag voornoemd heeft een aanvullend beroepschrift ingezonden en gedaagde</para>
      <para>heeft daarop een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Mr J.Th. van Rossum, advocaat te Utrecht, heeft als opvolgend gemachtigde van</para>
      <para>appellant vragen beantwoord, van repliek gediend en een nader stuk ingezonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van 11 april 2000, waar appellant in</para>
      <para>persoon is verschenen, bijgestaan door mr A.M. Leenders, advocaat te Utrecht,</para>
      <para>en door de tolk H. Bassit. Gedaagde heeft zich daar niet doen vertegenwoordigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <para>Uit de gedingstukken blijkt, voorzover hier van belang, onder meer het volgende.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant, van Marokkaanse nationaliteit, heeft op 3 januari 1995 bij de</para>
      <para>korpschef van de regiopolitie in de zin van de Vreemdelingenwet een aanvraag om</para>
      <para>verlening van een vergunning tot verblijf ingediend. Bij besluit van 7 oktober</para>
      <para>1996 heeft de korpschef afwijzend op deze aanvraag beslist. Hangende het tegen</para>
      <para>dat besluit ingediende administratief beroep heeft appellant op 27 januari 1997</para>
      <para>gedaagde verzocht hem een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw)</para>
      <para>toe te kennen.</para>
      <para>Bij besluit van 4 februari 1997 heeft de Staatssecretaris van Justitie het</para>
      <para>administratief beroep tegen de afwijzing van de aanvraag om een</para>
      <para>verblijfsvergunning ongegrond verklaard. De rechtbank te 's-Gravenhage heeft</para>
      <para>het tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard bij uitspraak van</para>
      <para>15 oktober 1997. Een afschrift van die uitspraak is op 30 oktober 1997 onder</para>
      <para>meer aan de in rubriek I genoemde mr Soebhag gezonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Inmiddels had gedaagde bij besluit van 9 september 1997 met ingang van 27</para>
      <para>januari 1997 de gevraagde Abw-uitkering aan appellant toegekend. Bij dat</para>
      <para>besluit is appellant op zijn verplichting gewezen om direct alles te melden wat</para>
      <para>van invloed kan zijn op zijn uitkering.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 20 februari 1998 ontving gedaagde telefonisch bericht van de regiopolitie</para>
      <para>Utrecht dat appellant vanaf 15 december 1997 illegaal en verwijderbaar was.</para>
      <para>Gedaagde heeft daarop bij besluit van 20 februari 1998 appellants recht op</para>
      <para>uitkering opgeschort en een nader onderzoek ingesteld.</para>
      <para>Vervolgens heeft de korpschef van de regiopolitie Utrecht een verklaring als</para>
      <para>bedoeld in artikel 45a van het Voorschrift Vreemdelingen gedateerd 20 februari</para>
      <para>1998 aan gedaagde doen toekomen. In deze verklaring staat ten aanzien van</para>
      <para>appellant vermeld: "op betrokkene is niet het bepaalde in art. 12 Abw van</para>
      <para>toepassing. Betrokkene verblijft per 15 december 1997 niet (langer) met</para>
      <para>instemming van de Nederlandse overheid in Nederland." en "Voorlopige</para>
      <para>voorziening afgewezen. Sedert 15.12.97 verwijderbaar.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het bestreden besluit van 2 april 1998 heeft gedaagde het besluit tot</para>
      <para>toekenning van bijstand aan appellant ingetrokken met ingang van 15 december</para>
      <para>1997 en de verleende bijstand over de periode van 15 december 1997 tot en met</para>
      <para>28 februari 1998 tot een bedrag van f 2.448,88 van hem teruggevorderd met</para>
      <para>verwijzing naar de artikelen 7, tweede lid, (oud), 12 (oud), 78, eerste lid, en</para>
      <para>81, tweede lid, van de Abw.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In geding is de vraag of dit besluit in rechte stand kan houden. De Raad</para>
      <para>overweegt ter beantwoording van die vraag het volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>A. De intrekking van het toekenningsbesluit per 15 december 1997</para>
      <para>Artikel 69, derde lid, van de Abw luidt als volgt:</para>
      <para>"Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of</para>
      <para>intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand en terzake van weigering</para>
      <para>van bijstand, herzien burgemeester en wethouders een dergelijk besluit of</para>
      <para>trekken zij dat in:</para>
      <para>a. indien een gedraging als bedoeld in artikel 14, eerste lid, of het niet</para>
      <para>behoorlijk nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid,</para>
      <para>heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand;</para>
      <para>b. indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.".</para>
      <para>Het vijfde lid van artikel 69 luidt:</para>
      <para>"Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kunnen burgemeester en</para>
      <para>wethouders besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.".</para>
      <para>In de Memorie van Toelichting is onder meer neergelegd:</para>
      <para>"De nieuwe beslissing behoort in het algemeen zijn werking te krijgen met</para>
      <para>ingang van het tijdstip waarop de wijziging in de omstandigheden plaatsvindt,</para>
      <para>ongeacht of dit tijdtip in het heden, het verleden of de toekomst ligt." (...)</para>
      <para>"Uitgangspunt van dit artikel is dat in alle gevallen correctie van fouten moet</para>
      <para>plaatsvinden. Deze verplichting dient het uitvoeringsorgaan met inachtneming</para>
      <para>van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur uit te oefenen. Deze</para>
      <para>beginselen kunnen ertoe leiden dat een herziening geheel of gedeeltelijk</para>
      <para>achterwege moet blijven. Teneinde ook in de wet tot uitdrukking te laten komen</para>
      <para>dat aan de verplichting niet een absoluut karakter kan worden toegekend in die</para>
      <para>zin dat nimmer ruimte voor welke afwijking dan ook zou bestaan, is een</para>
      <para>uitzonderingsbepaling geformuleerd. Voor de redactie daarvan is aansluiting</para>
      <para>gezocht bij artikel 55, derde lid, ABW (= artikel 84 &amp;lt;lees: 78&amp;gt;, lid 3, Abw),</para>
      <para>dat een soortgelijke uitzondering op de terugvorderingsplicht bevat.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De primair te beantwoorden vraag of over de in geding zijnde periode ten</para>
      <para>onrechte bijstand aan appellant is verleend, beantwoordt de Raad bevestigend.</para>
      <para>Als vaststaand kan worden aangenomen dat appellant ten tijde als hier van</para>
      <para>belang geen vreemdeling was als bedoeld in artikel 7, tweede lid, (oud) van de</para>
      <para>Abw en dat het bepaalde in artikel 12 (oud) van de Abw vanaf 15 december 1997</para>
      <para>evenmin op hem van toepassing was. Gesteld noch gebleken is dat in het geval</para>
      <para>van appellant sprake was van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 11</para>
      <para>van de Abw, op grond waarvan de bijstandsverlening over die periode niettemin</para>
      <para>gerechtvaardigd was geweest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vervolgens staat ter beantwoording van de Raad de vraag of er in het geval van</para>
      <para>appellant sprake is van dringende redenen in de zin van het vijfde lid van</para>
      <para>artikel 69 van de Abw. In de gedingstukken en in hetgeen door en namens</para>
      <para>appellant ter zitting is aangevoerd heeft de Raad geen aanknopingspunten</para>
      <para>gevonden om deze vraag bevestigend te beantwoorden.</para>
      <para>Anders dan namens appellant is bepleit is in het voorliggende geval van strijd met het</para>
      <para>rechtszekerheidsbeginsel geen sprake. De Raad overweegt daartoe nog het volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is geen sprake in gevallen waarin</para>
      <para>het ongewijzigd voortzetten van de uitkering mede het gevolg is geweest van</para>
      <para>onjuiste of onvolledige informatieverschaffing door de betrokkene, terwijl het</para>
      <para>bestuursorgaan een andere (minder gunstige) beslissing zou hebben genomen als</para>
      <para>het destijds wel de juiste feiten had gekend.</para>
      <para>In dit geval doet deze situatie zich voor.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het verweerschrift heeft gedaagde aangegeven dat op 20 februari 1998 de</para>
      <para>verklaring van de korpschef is ontvangen en dat hem eerst op die datum</para>
      <para>duidelijk is geworden dat er zich in de verblijfsstatus van appellant</para>
      <para>wijzigingen hadden voorgedaan, waarvan appellant hem niet op de hoogte had</para>
      <para>gesteld. Hieraan heeft gedaagde toegevoegd:</para>
      <para>"Appellant moet op een eerder tijdstip hebben geweten dat hij was</para>
      <para>uitgeprocedeerd en dat hij niet langer rechtmatig in Nederland verbleef. Het</para>
      <para>had in de rede gelegen sozawe hiervan op de hoogte te stellen. Hiertoe is hij</para>
      <para>namelijk op grond van artikel 65 Abw verplicht. Het nalatig handelen van de</para>
      <para>vreemdelingendienst richting sozawe ontslaat appellant niet van de verplichting</para>
      <para>sozawe zelf te informeren.".</para>
      <para>De gemachtigde van appellant heeft desgevraagd geen duidelijkheid kunnen</para>
      <para>verschaffen omtrent het exacte tijdstip waarop appellant kennis heeft genomen</para>
      <para>van de hierboven vermelde uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van</para>
      <para>15 oktober 1997. Gelet op de beschikbare gegevens gaat de Raad er van uit dat</para>
      <para>appellant in elk geval in de maand november 1997 van die uitspraak kennis heeft</para>
      <para>kunnen nemen en dat hij eerder dan gedaagde ervan op de hoogte moet zijn</para>
      <para>geweest dat hij inmiddels de status van een uitgeprocedeerde vreemdeling zonder</para>
      <para>verblijfstitel had die uit Nederland kon worden verwijderd. Naar het oordeel</para>
      <para>van de Raad had appellant redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat deze</para>
      <para>wijziging van invloed kon zijn op het recht op bijstand. De Raad wijst in dit</para>
      <para>verband nog op zijn in een eerder geding tussen partijen gewezen uitspraak van</para>
      <para>23 september 1997, nummer ABW 96/10422. Het niet eerder opvragen van een nieuwe</para>
      <para>verklaring als bedoeld in artikel 45a van het Voorschrift Vreemdelingen en het</para>
      <para>ongewijzigd voortzetten van de bijstandsverlening gedurende de hier van belang</para>
      <para>zijnde periode is mede het gevolg geweest van het niet onverwijld uit eigen</para>
      <para>beweging melden van bedoelde wijziging door appellant.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het vorenstaande komt de Raad tot de slotsom dat</para>
      <para>gedaagde op grond van artikel 69, derde lid, van de Abw</para>
      <para>gehouden was om de beslissing tot toekenning van bijstandsuitkering in te</para>
      <para>trekken met ingang van de datum waarop bedoelde wijziging heeft plaatsgevonden,</para>
      <para>dat is 15 december 1997.</para>
      <para>Het bestreden intrekkingsbesluit dient dan ook in stand te worden gelaten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>B. Het terugvorderingsbesluit</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 81 van de Abw luidt, voorzover hier van belang, als volgt.</para>
      <para>"1. Bijstand die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 14, of 69,</para>
      <para>derde of vierde lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, wordt</para>
      <para>van de belanghebbende teruggevorderd.</para>
      <para>2. Hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald wordt teruggevorderd voorzover</para>
      <para>de belanghebbende dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het terugvorderingsbesluit van gedaagde is gebaseerd op het tweede lid van</para>
      <para>artikel 81. In het verweerschrift heeft gedaagde hiervan afstand genomen en het</para>
      <para>eerste lid van artikel 81 als de juiste terugvorderingsgrond aangewezen.</para>
      <para>In het onder A overwogene ligt besloten dat als gevolg van toepassing van</para>
      <para>artikel 69, derde lid, van de Abw ten onrechte bijstand aan appellant is</para>
      <para>verleend over de periode van 15 december 1997 tot en met 28 februari 1998. Op</para>
      <para>grond hiervan is naar het oordeel van de Raad terecht in het verweerschrift het</para>
      <para>eerste lid van artikel 81 alsnog van toepassing geacht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dat betekent dat gedaagde gehouden is om de over genoemde periode verstrekte</para>
      <para>bijstand van appellant terug te vorderen, tenzij er sprake is van dringende</para>
      <para>redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw om geheel of</para>
      <para>gedeeltelijk daarvan af te zien.</para>
      <para>Aan de Memorie van Toelichting op laatstgenoemde bepaling ontleent de Raad het</para>
      <para>volgende.</para>
      <para>"De vraag wat dringende redenen in de zin van deze wet zijn om van</para>
      <para>terugvordering af te zien, kan moeilijk in zijn algemeenheid worden beantwoord.</para>
      <para>De redactie van het derde lid laat ruimte voor het meewegen van zowel</para>
      <para>financiële als niet-financiële omstandigheden. Nadrukkelijk geldt dat steeds</para>
      <para>van geval tot geval aan de hand van alle omstandigheden de situatie van de</para>
      <para>betrokkene moet worden beoordeeld. Dit artikellid strekt er dus niet toe om een</para>
      <para>algemene of categoriale mogelijkheid te bieden om van terugvordering af te zien.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad stelt aan de hand van de gedingstukken vast dat in casu geen op de</para>
      <para>individuele omstandigheden van appellant toegesneden beoordeling van de vraag</para>
      <para>of al dan niet geheel of gedeeltelijk van terugvordering moet worden afgezien,</para>
      <para>heeft plaatsgevonden.</para>
      <para>Van de zijde van appellant is ter zitting gesteld dat hij in een uitzichtloze situatie verkeert.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vorenstaande brengt mee dat het terugvorderingsbesluit wegens strijd met</para>
      <para>het bepaalde in artikel 3:46 van de Awb niet in stand kan worden gelaten.</para>
      <para>Gedaagde zal na nader onderzoek alsnog een gemotiveerd besluit hebben te nemen</para>
      <para>over de vraag of er in de omstandigheden van appellant aanleiding is om met</para>
      <para>toepassing van het derde lid van artikel 78 van de Abw geheel of gedeeltelijk</para>
      <para>van terugvordering af te zien. Voor het geval dat die vraag ontkennend wordt</para>
      <para>beantwoord kan tevens de wijze van tenuitvoerlegging opnieuw worden bezien. De</para>
      <para>Raad verwijst in dit verband nog naar zijn uitspraak van  21 september 1999,</para>
      <para>nummer 99/457 WW en 99/501 WW, gepubliceerd in RSV 2000/86.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht ten slotte termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb</para>
      <para>gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden</para>
      <para>begroot op f 1.775,-- wegens verleende rechtsbijstand.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit, voorzover</para>
      <para>daarbij van appellant een bedrag groot f 2.448,88 wordt teruggevorderd;</para>
      <para>Bepaalt dat gedaagde met betrekking tot de terugvordering van evengenoemd</para>
      <para>bedrag een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;</para>
      <para>Verklaart het beroep voor het overige ongegrond;</para>
      <para>Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot f</para>
      <para>1.775,--, te betalen door de gemeente Utrecht aan de griffier van de Raad;</para>
      <para>Gelast de gemeente Utrecht aan appellant het gestorte recht van f 55,-- te vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door mr G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr J.M.A. van der</para>
      <para>Kolk-Severijns en mr C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van mr P.C.</para>
      <para>de Wit als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) G.A.J. van den Hurk.</para>
    <para />
    <para>(get.) P.C. de Wit.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>HL</para>
      <para>1505</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>