<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8802</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T18:09:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8802</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AJ9652</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AL1134</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AL3543</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-05-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">98/4163 NABW, 98/4166 NABW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=5 (oud)&amp;g=2000-05-16">Algemene bijstandswet 5 (oud)</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 2000, 159 met annotatie van R. Stijnen</rdf:li>
          <rdf:li>JABW 2000, 101</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2000/172</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8802">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8802</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:57:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-10-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8802 Centrale Raad van Beroep , 16-05-2000 / 98/4163 NABW, 98/4166 NABW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8802:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8802:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>98/4163 NABW</para>
      <para>98/4166 NABW</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in de gedingen tussen:</para>
    <para />
    <para>A, wonende te B, appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Emmen, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant heeft mr H. Dontje, advocaat te Emmen, op bij het beroepschrift aangevoerde</para>
      <para>gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de Arrondissementsrechtbank te Assen op</para>
      <para>2 april 1998 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 30 november 1999</para>
      <para>heeft gedaagde de Raad desgevraagd nadere informatie verstrekt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad op 4 april 2000,</para>
      <para>waar appellant in persoon is verschenen, en waar gedaagde zich heeft doe</para>
      <para>vertegenwoordigen door mr A.J. Teune, werkzaam bij de gemeente Emmen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <para>In het geding, nummer 98/4163 NABW</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad neemt als vaststaande aan de feiten die ook de rechtbank in rubriek II</para>
      <para>a van de aangevallen uitspraak als vaststaande heeft aangenomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad volstaat met het vermelden van het volgende.</para>
      <para>Appellant ontvangt sedert 1982 een uitkering ingevolge de Rijksgroepsregeling</para>
      <para>werkloze werknemers (RWW). Hij verricht als zelfstandige activiteiten in de</para>
      <para>vorm van het slaan van waterputten. De RWW-uitkering van appellant is bij</para>
      <para>besluit van 10 juli 1996 ingaande 1 juni 1996 omgezet in een uitkering</para>
      <para>ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw), omdat zijn omstandigheden zijn veranderd.</para>
      <para>Appellant heeft in zijn inkomstenformulier over de maand juni 1996 vraag 9a,</para>
      <para>betreffende het in die maand buiten de bijstandsuitkering genoten inkomen,</para>
      <para>onbeantwoord gelaten. Bij brief van 2 juli 1996 is hij daarop gewezen en in de</para>
      <para>gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen.</para>
      <para>Appellant is op 5 juli 1996 naar de sociale dienst gegaan en heeft daar</para>
      <para>aangegeven dat hij het niet met de aangegeven gang van zaken eens was;</para>
      <para>vervolgens heeft hij zijn inkomstenformulier verscheurd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij primair besluit van 20 augustus 1996 heeft gedaagde de bijstandsuitkering</para>
      <para>van appellant beëindigd omdat hij zijn inkomstenformulier niet op de</para>
      <para>afgesproken wijze heeft ingevuld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 9 oktober 1996 is het bezwaar van appellant tegen dit besluit,</para>
      <para>voorzover het betreft de bijstandsverlening over de maand juni 1996, ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het door appellant tegen het besluit van 9 oktober 1996</para>
      <para>ingestelde beroep ongegrond verklaard. Blijkens de aangevallen uitspraak is de</para>
      <para>rechtbank van oordeel dat de bepalingen van de Abw van toepassing zijn, en dat</para>
      <para>bij de beoordeling van het bestreden besluit moet worden uitgegaan van de</para>
      <para>artikelen 65 en 66 van de Abw. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat</para>
      <para>gedaagde in redelijkheid tot beëindiging van de bijstandsverlening per</para>
      <para>1 juni 1996 heeft kunnen overgaan, aangezien door het uitblijven van de voor de</para>
      <para>beoordeling van de hoogte c.q. voortzetting van de uitkering relevante</para>
      <para>informatie het recht op aanvullende bijstand niet kon worden vastgesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt het volgende.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad deelt het standpunt van de rechtbank dat als gevolg van het, in verband</para>
      <para>met een wijziging in de omstandigheden van appellant genomen besluit van 10</para>
      <para>juli 1996, waarbij zijn uitkering ingevolge de Algemene Bijstandswet (ABW) is</para>
      <para>omgezet in een uitkering ingevolge de Abw, op appellant per 1 juni 1996 de Abw</para>
      <para>van toepassing was. De Raad oordeelt dat het bestreden besluit, dat gebaseerd</para>
      <para>is op de bepalingen van de ABW, op een onjuiste wettelijke grondslag berust en</para>
      <para>daarom wegens strijd met de wet moet worden vernietigd. In het voorgaande ligt</para>
      <para>besloten dat de aangevallen uitspraak in zoverre eveneens voor vernietiging in</para>
      <para>aanmerking komt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad ziet niettemin aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen</para>
      <para>besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet</para>
      <para>bestuursrecht (Awb) in stand te laten. Daartoe heeft de Raad het volgende overwogen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft, door op zijn inkomstenformulier over de maand juni 1996 de,</para>
      <para>voor de beoordeling van het recht op (voortzetting van de) bijstandsverlening</para>
      <para>van belang zijnde vraag, of hij naast de bijstandsuitkering inkomsten heeft</para>
      <para>ontvangen, niet in te vullen en door van de bij brief van 2 juli 1996 geboden</para>
      <para>gelegenheid om dit verzuim te herstellen geen gebruik te maken, de ingevolge</para>
      <para>artikel 65, eerst lid, van de Abw op hem rustende informatieplicht geschonden.</para>
      <para>Als gevolg hiervan kon het recht op uitkering over de maand juni 1996 niet worden vastgesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het bepaalde in artikel 7, eerste lid, van de Abw in verbinding met</para>
      <para>artikel 65, eerste lid, van de Abw bestond dan ook voldoende grond voor</para>
      <para>gedaagde om de bijstandsuitkering van appellant ingaande 1 juni 1996 te beëindigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht, gelet op het hiervoor gegeven oordeel over de motivering van het</para>
      <para>bestreden besluit, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde</para>
      <para>in artikel 8:75 van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>In het geding, nummer 98/4166 NABW</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant als eiser en gedaagde als</para>
      <para>verweerder is aangeduid, ontleent de Raad de volgende, als vaststaand aan te</para>
      <para>nemen feiten en omstandigheden:</para>
      <para>"Door de sociale recherche is een onderzoek ingesteld naar de activiteiten</para>
      <para>van eiser als zelfstandige. In een rapport d.d. 4 juni 1997 zijn de</para>
      <para>bevindingen vastgelegd op basis van onder meer observaties over de maand</para>
      <para>mei 1997. Vermeld is tevens dat via Uitzendbureau Start een zekere heer C</para>
      <para>voor eiser werkte op basis van 60 uur per vier weken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het rapport is geadviseerd de uitkering ingaande 1 juni 1997 te</para>
      <para>beëindigen omdat sprake is van activiteiten van zelfstandige die niet</para>
      <para>meer marginaal zijn te noemen.</para>
      <para>Bij besluit d.d. 19 juni 1997 heeft verweerder eiser, met overneming van</para>
      <para>voornoemd advies, medegedeeld de uitkering per 1 juni 1997 te beëindigen</para>
      <para>omdat de werkzaamheden als zelfstandige niet meer marginaal zijn.</para>
      <para>Eiser heeft tegen dat besluit een bezwaarschrift doen indienen.</para>
      <para>Aangevoerd is dat zijn inkomsten nog steeds zodanig zijn dat hij onder</para>
      <para>het bijstandsniveau zit en voorts is aangevoerd dat de werkzaamheden als</para>
      <para>zelfstandige als gering zijn aan te merken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het besluit op bezwaar d.d. 28 augustus 1997 is het bezwaar ongegrond</para>
      <para>verklaard. Overwogen is dat eiser op zijn inkomstenformulier over mei</para>
      <para>1997 heeft vermeld dat hij die maand 50 uur heeft gewerkt. Daarnaast is</para>
      <para>bij hem op basis van detachering voor de duur van een half jaar een</para>
      <para>werknemer in dienst voor gemiddeld 15 uur per week.</para>
      <para>Verweerder heeft aangegeven dat een beginnend zelfstandige in beginsel</para>
      <para>bijstand dient te worden verleend op grond van het Besluit</para>
      <para>bijstandsverlening zelfstandigen (BbZ) omdat de bijstand er niet toe</para>
      <para>strekt dat niet levensvatbare bedrijven in stand worden gehouden. Nu</para>
      <para>eiser meer dan 19 uur als zelfstandige heeft gewerkt, namelijk eiser</para>
      <para>volgens eigen opgave 11,5 en de werknemer 15 uur per week, kan niet meer</para>
      <para>van marginale werkzaamheden worden gesproken. Zou het Bbz wel zijn</para>
      <para>toegepast dan zou eiser slechts gedurende 18 maanden bijstand kunnen zijn</para>
      <para>verleend indien er sprake is van een levensvatbaar bedrijf. Nu hij</para>
      <para>kennelijk nog steeds geen levensvatbaar bedrijf exploiteert kan geen</para>
      <para>bijstand meer worden verleend op grond van de Abw.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het door appellant tegen het besluit van 28 augustus 1997</para>
      <para>ingestelde beroep ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad stelt in de eerste plaats vast dat noch in het bestreden besluit, noch</para>
      <para>in het primaire besluit van 19 juni 1997 is aangegeven op welke rechtsgrond het</para>
      <para>besluit berust om de bijstandsuitkering van appellant te beëindigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde neemt blijkens het bestreden besluit het standpunt in dat appellant</para>
      <para>geen recht meer heeft op uitkering ingevolge de Abw, omdat hij meer dan 19 uur</para>
      <para>per week activiteiten als zelfstandige heeft verricht, zodat niet meer</para>
      <para>gesproken kan worden van marginale activiteiten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad is, daarmee in zoverre terugkomend van hetgeen hij eerder heeft</para>
      <para>overwogen in zijn uitspraak van 6 april 1999, onder meer gepubliceerd in JABW</para>
      <para>1999/93, van oordeel dat bij de beantwoording van de vraag of een</para>
      <para>belanghebbende tot de kring van rechthebbenden van de Abw behoort dan wel als</para>
      <para>zelfstandige moet worden aangemerkt, aan wie uitsluitend bijstand met</para>
      <para>toepassing van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz) kan worden</para>
      <para>verleend, niet langer als uitgangspunt kan gelden de in het kader van de</para>
      <para>Algemene Bijstandswet en de daarop berustende RWW gevormde jurisprudentie met</para>
      <para>betrekking tot het verrichten van werkzaamheden met een meer dan bescheiden</para>
      <para>omvang als zelfstandige.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het begrip zelfstandige is in artikel 5, eerste lid aanhef en onder b, oud, van</para>
      <para>de Abw als volgt omschreven:</para>
      <para>"In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder zelfstandige</para>
      <para>verstaan: de belanghebbende van 18 tot 65 jaar, die voor de voorziening in het</para>
      <para>bestaan is aangewezen op arbeid in het eigen bedrijf of zelfstandig beroep hier</para>
      <para>te lande en die:</para>
      <para>1. voldoet aan de wettelijke vereisten voor de uitoefening daarvan;</para>
      <para>2. voldoet aan het urencriterium voor toepassing van de zelfstandigenaftrek</para>
      <para>bedoeld in artikel 44m, eerste of vierde lid, van de Wet op de Inkomstenbelasting 1964; en</para>
      <para>3. alleen of samen met degenen met wie hij het bedrijf of zelfstandig beroep</para>
      <para>uitoefent de volledige zeggenschap in dat bedrijf of zelfstandig beroep heeft</para>
      <para>en de financiële risico's daarvan draagt".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 44m, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 luidde ten</para>
      <para>tijde hier van belang als volgt:</para>
      <para>"Ten aanzien van de belastingplichtige die winst uit onderneming geniet en</para>
      <para>bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 18 jaar, doch nog</para>
      <para>niet die van 65 jaar heeft bereikt, wordt een zelfstandigenaftrek</para>
      <para>toegepast indien gedurende het kalenderjaar de voor werkzaamheden</para>
      <para>beschikbare tijd voor ten minste 1225 uren in beslag wordt genomen door</para>
      <para>het voor eigen rekening feitelijk drijven van een onderneming.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de toelichting op het Bbz is onder meer gemarkeerd dat een persoon die</para>
      <para>wegens het niet voldoen aan het in artikel 5 van de wet vermelde urencriterium</para>
      <para>niet tot de kring van rechthebbende zelfstandigen behoort, op arbeid in</para>
      <para>dienstbetrekking aangewezen is.</para>
      <para>Bij het licht hiervan is de Raad van oordeel dat een belanghebbende die niet</para>
      <para>als een zelfstandige als omschreven in de Abw kan worden aangemerkt, tot de</para>
      <para>kring van rechthebbenden van de Abw behoort.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Toegespitst op het onderhavige geval stelt de Raad vast dat appellant gezien</para>
      <para>het aantal door hem in zijn - seizoensgebonden - bedrijfje gewerkte uren niet</para>
      <para>voldeed aan het in artikel 5, eerste lid aanhef en onder b, ten 2, van de Abw</para>
      <para>vermelde urencriterium. Bij dit oordeel is in aanmerking genomen dat de door C</para>
      <para>voor appellant gewerkt uren voor de toepassing van de Wet op de</para>
      <para>inkomstenbelasting 1964 niet meetellen voor de vraag of aan het urencriterium</para>
      <para>is voldaan. Er is dan ook geen grond om appellant niet (langer) tot de</para>
      <para>personenkring van de Abw te rekenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het voorgaande leidt de Raad tot het oordeel dat het besluit van gedaagde, nu</para>
      <para>daarin een wettelijke basis voor beëindiging van de bijstandsuitkering</para>
      <para>ontbreekt en voor het standpunt dat aan de beëindiging ten grondslag ligt ook</para>
      <para>geen wettelijke grondslag in de Abw en de daarop berustende regels is te</para>
      <para>vinden, wegens strijd met de wet moet worden vernietigd. Hieruit volgt dat de</para>
      <para>aangevallen uitspraak ook op dit onderdeel voor vernietiging in aanmerking komt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde zal met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op het bezwaarschrift</para>
      <para>van appellant moeten beslissen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht termen aanwezig om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van</para>
      <para>appellant. Deze kosten worden begroot op f 1.420,-- wegens in beroep en op f</para>
      <para>710,-- wegens in hoger beroep verleende rechtsbijstand.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>Verklaart de inleidende beroepen alsnog gegrond en vernietigt de bestreden</para>
      <para>besluiten van 9 oktober 1996 en 28 augustus 1997;</para>
      <para>Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 9 oktober 1996 in stand blijven;</para>
      <para>Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit zal nemen op het bezwaarschrift van</para>
      <para>appellant tegen het besluit van 19 juni 1997;</para>
      <para>Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot f</para>
      <para>2.130,--, te betalen door de gemeente Emmen;</para>
      <para>Gelast de gemeente Emmen aan appellant het gestorte griffierecht van f 105,-- in</para>
      <para>beroep en f 160,-- in hoger beroep (in totaal f 265,--) te vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door mr J.G. Treffers als voorzitter en</para>
      <para>mr J.M.A. van  der Kolk-Severijns en mr drs N.J. van Vulpen-Grootjans als</para>
      <para>leden, in tegenwoordigheid van mr P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in</para>
      <para>het openbaar op 16 mei 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) J.G. Treffers.</para>
    <para />
    <para>(get.) P.C. de Wit.</para>
    <para />
    <para>HL805</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>