<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8799</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T18:09:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8799</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AJ9661</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AL1142</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AL3544</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-05-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">97/12208 ABW, 98/3239 NABW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=113&amp;g=2000-05-23">Algemene bijstandswet 113</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 2000, 175</rdf:li>
          <rdf:li>JABW 2000, 118</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2000/173</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8799">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8799</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:57:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-10-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8799 Centrale Raad van Beroep , 23-05-2000 / 97/12208 ABW, 98/3239 NABW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8799:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8799:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>97/12208 ABW</para>
      <para>98/3239 NABW</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in de gedingen tussen:</para>
    <para />
    <para>A, thans wonende in B, appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant heeft, mr R. Verkijk, advocaat te Maastricht, op bij</para>
      <para>aanvullende beroepschriften aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de</para>
      <para>door de Arrondissementsrechtbank te Maastricht op 4 november 1997 (I) en 2</para>
      <para>maart 1998 (II) tussen partijen gewezen uitspraken, waarnaar hierbij wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Gedaagde heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft nadere stukken ingediend, waarin hij zijn standpunt nogmaals</para>
      <para>heeft uiteengezet en toegelicht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 11 april 2000, waar</para>
      <para>appellant niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten</para>
      <para>vertegenwoordigen door mr C.A.M. Bruijnincx, werkzaam bij de gemeente Sittard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <para>A. 97/12208 ABW.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 januari 1996 is de Algemene Bijstandswet (ABW) ingetrokken en</para>
      <para>zijn de Algemene bijstandswet en de Invoeringswet herinrichting Algemene</para>
      <para>Bijstandswet in werking getreden.</para>
      <para>Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van</para>
      <para>de ABW en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier</para>
      <para>van belang.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant, geboren in 1960, ontving sinds 18 mei 1988 een uitkering ingevolge</para>
      <para>de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (RWW).</para>
      <para>Omdat appellant in onvoldoende mate trachtte arbeid in dienstbetrekking te</para>
      <para>verkrijgen en in dit gedrag volhardde, heeft gedaagde appellant bij besluit van</para>
      <para>31 maart 1993 gewaarschuwd voor de consequenties van dit gedrag en vervolgens</para>
      <para>zijn uitkering bij besluit van 12 januari 1994 met ingang van 1 februari 1994</para>
      <para>verlaagd met 10% gedurende twee maanden.</para>
      <para>Vervolgens is appellants uitkering met ingang van 1 december 1994 onder</para>
      <para>toepassing van het bepaalde in artikel 14, vijfde lid, van de RWW voor de duur</para>
      <para>van vier maanden verlaagd met 10%. Bij 's Raads uitspraak van 30 september 1997</para>
      <para>is - onder meer - de beslissing van de rechtbank om appellants beroep terzake</para>
      <para>van die laatste maatregel ongegrond te verklaren, bevestigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 29 juni 1995 heeft gedaagde appellants uitkering met ingang van</para>
      <para>1 juli 1995 verlaagd met 20% gedurende vier maanden. Daarbij is tevens</para>
      <para>meegedeeld dat indien bij het volgende heronderzoek in november 1995 sprake is</para>
      <para>van volharding in het verwijtbaar gedrag, dit zal leiden tot uitsluiting van uitkering.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij hercontrole op 28 november 1995 heeft gedaagde geconstateerd (gelet ook op</para>
      <para>van het arbeidsbureau op 16 augustus 1995 verkregen informatie) dat appellant</para>
      <para>nog steeds geen sollicitatie-activiteiten heeft ondernomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 12 december 1995 heeft gedaagde aan appellant meegedeeld dat</para>
      <para>hij met ingang van 1 januari 1996 voor de duur van drie maanden wordt</para>
      <para>uitgesloten van het recht op RWW-uitkering.</para>
      <para>Bij het thans bestreden besluit van 5 juli 1996 (besluit I) is het besluit van</para>
      <para>12 december 1995 in zoverre herzien dat appellants uitkering met ingang van 1</para>
      <para>januari 1996 voor de duur van acht maanden met 20% wordt gekort.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft bij uitspraak I het beroep van appellant tegen besluit I</para>
      <para>ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In hoger beroep is door en namens appellant (zoals ook in de tweede zaak) onder</para>
      <para>meer aangevoerd dat appellant wel naar vermogen heeft gezocht naar passende</para>
      <para>arbeid, maar dat hij in deze maatschappij geen betaalde arbeid vindt die hij</para>
      <para>naar zijn geweten kan verrichten. Hij heeft in dat kader een beroep gedaan op</para>
      <para>de artikelen 9 en 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten</para>
      <para>van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt het volgende.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 9, eerste lid aanhef en onder b, van de RWW bepaalt dat aan de bijstand</para>
      <para>als voorwaarde welke strekt tot inschakeling in de arbeid, in elk geval</para>
      <para>verbonden wordt, dat de werkloze werknemer naar vermogen tracht arbeid in</para>
      <para>dienstbetrekking te verkrijgen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de RWW besluiten burgemeester en</para>
      <para>wethouders tot tijdelijke verlaging van de bijstand in de algemeen</para>
      <para>noodzakelijke kosten van het bestaan, indien gedragingen van de werknemer in</para>
      <para>strijd met de in artikel 9 van de RWW gestelde voorwaarden daartoe aanleiding geven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellants uitkering is, zoals uit het hiervoor vermelde blijkt, reeds twee</para>
      <para>maal verlaagd omdat hij naar het oordeel van gedaagde niet naar vermogen tracht</para>
      <para>arbeid in dienstbetrekking te krijgen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de gedingstukken blijkt dat appellant in zijn gedragingen is blijven</para>
      <para>volharden in die zin dat hij weigert te solliciteren naar arbeid in dienstbetrekking,</para>
      <para>omdat hij van mening is dat er geen hem passende - betaalde - arbeid valt aan te wijzen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het vorenstaande stelt de Raad vast dat appellant bij herhaling de</para>
      <para>voorwaarde van artikel 9, tweede lid aanhef en onder b, van de RWW heeft</para>
      <para>geschonden. Dit houdt in dat gedaagde op grond van het bepaalde in de artikelen</para>
      <para>14, tweede lid, en 14b, derde lid, van de RWW in beginsel gerechtigd is</para>
      <para>appellant tijdelijk voor de duur van drie maanden van verlening van bijstand</para>
      <para>uit te sluiten. Gedaagdes besluit om met toepassing van artikel 14, vijfde lid,</para>
      <para>van de RWW, de maatregel te matigen tot een verlaging van 20% gedurende acht</para>
      <para>maanden kan de rechterlijke toetsing doorstaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant is in hoger beroep echter gesteld dat het bestreden besluit</para>
      <para>niet in stand kan blijven wegens strijd met de bepalingen van het EVRM, "in het</para>
      <para>bijzonder de artikelen 9 en 10, waarin respectievelijk (kort samengevat) de</para>
      <para>vrijheid van geweten en de vrijheid van meningsuiting zijn vastgelegd".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant stelt zich niet alleen op het standpunt dat betaalde arbeid geen</para>
      <para>meerwaarde zal opleveren voor zijn levensvreugde, maar ook dat het verrichten</para>
      <para>van betaalde arbeid in deze maatschappij slechts leidt tot een onaanvaardbare</para>
      <para>aantasting van het milieu en voorts een bedreiging vormt voor de Derde Wereld.</para>
      <para>In twee uitvoerige "Pleidooien voor het leven" heeft hij deze maatschappij-visie uiteengezet.</para>
      <para>Omdat, zo wordt namens appellant in het kader van artikel 9 van het EVRM</para>
      <para>gesteld, "de uiting van zijn geweten en de daaruit voortvloeiende consequenties</para>
      <para>voor zijn handelen, hem verweten wordt en tot een sanctie leidt, gaat het hier</para>
      <para>inderdaad om 'to manifest...in practice', het tot uitdrukking brengen van zijn</para>
      <para>geweten, dat wordt bestraft".  Artikel 10 van het EVRM wordt door appellant van</para>
      <para>toepassing geacht omdat hij "door mededelingen te doen over wat zijn geweten</para>
      <para>hem ingeeft, gebruik maakt van zijn vrijheid van meningsuiting".</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt terzake het volgende.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 9 van het EVRM bepaalt dat een ieder het recht heeft op vrijheid van</para>
      <para>gedachte, geweten en godsdienst; dit recht omvat tevens de vrijheid om van</para>
      <para>godsdienst of overtuiging te veranderen, alsmede de vrijheid hetzij alleen,</para>
      <para>hetzij met anderen, zowel in het openbaar als privé zijn godsdienst te belijden</para>
      <para>of overtuiging tot uitdrukking te brengen in erediensten, in onderricht, in</para>
      <para>praktische toepassing ervan en in het onderhouden van geboden en voorschriften.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zoals door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens als door de Europese</para>
      <para>Commissie herhaaldelijk is overwogen is niet iedere individuele opvatting of</para>
      <para>voorkeur een geloof of overtuiging ('religion or belief') in de zin van artikel</para>
      <para>9 van het EVRM en geeft de in dit artikel geformuleerde vrijheid een individu</para>
      <para>niet het recht om op grond van zijn subjectieve opvattingen af te wijken van</para>
      <para>voor een ieder geldende algemene wettelijke voorschriften.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts valt niet iedere gedraging, ook al is deze gemotiveerd door geloof of</para>
      <para>overtuiging, onder de term 'to manifest...in practice' als bedoeld in artikel</para>
      <para>9: er moet sprake zijn van een gedraging waardoor de betrokkene naar objectieve</para>
      <para>maatstaven een directe uitdrukking geeft aan zijn godsdienst of overtuiging in</para>
      <para>de zin van dat artikel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar 's Raads oordeel is in het onderhavige geval geen sprake van een 'religion</para>
      <para>of belief' in de zin van artikel 9 van het EVRM. Appellant heeft, zo blijkt uit</para>
      <para>zijn uitvoerige schriftelijke uiteenzettingen, waarvan met name zijn</para>
      <para>'Pleidooien voor het leven I en II', een door morele overtuiging ingegeven</para>
      <para>maatschappijvisie, die naar het oordeel van de Raad geen verwantschap heeft met</para>
      <para>'religion or belief' als bedoeld in artikel 9 van het EVRM. Appellant weigert</para>
      <para>op grond van zijn opvattingen omtrent de maatschappij te voldoen aan de in de</para>
      <para>RWW gestelde - aan het verkrijgen van een bijstandsuitkering verbonden -</para>
      <para>algemene en neutrale voorwaarde om naar vermogen te solliciteren naar arbeid in</para>
      <para>dienstbetrekking, maar doet voor het voorzien in zijn levensonderhoud wel een</para>
      <para>beroep op de financiële middelen van die maatschappij.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht het bestreden besluit evenmin strijdig met het bepaalde in artikel</para>
      <para>10 van het EVRM.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge dit artikel heeft een ieder recht op vrijheid van meningsuiting, op</para>
      <para>de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of</para>
      <para>denkbeelden te ontvangen of te verstrekken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant wordt door de voorwaarde om naar vermogen te trachten arbeid in</para>
      <para>dienstbetrekking te krijgen niet belemmerd in zijn vrijheid van meningsuiting.</para>
      <para>Het bestreden besluit maakt hierop evenmin een inbreuk, nu dit een sanctie op</para>
      <para>appellants gedragingen, te weten het zich niet daadwerkelijk beschikbaar</para>
      <para>stellen voor de arbeidsmarkt, betreft en appellant niet belemmert in de zin van</para>
      <para>genoemd artikel 10.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het vorenoverwogene is de Raad van oordeel dat appellants</para>
      <para>maatschappijvisie en de wijze waarop hij die visie uitdraagt niet vallen onder</para>
      <para>de werking van artikel 9 van het EVRM en evenmin worden beschermd door artikel</para>
      <para>10 van het EVRM.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu het bestreden besluit evenmin voor vernietiging wegens strijd met de</para>
      <para>artikelen 9 en 10 van het EVRM in aanmerking komt, dient de aangevallen</para>
      <para>uitspraak van 4 november 1997 te worden bevestigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>B: 98/3239 NABW.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar aanleiding van het ter beoordeling van appellants recht op uitkering</para>
      <para>ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) ingestelde hercontrole-onderzoek in</para>
      <para>maart 1997 heeft gedaagde bij besluit van 28 maart 1997 appellant per 1 april</para>
      <para>1997 voor de duur van drie maanden uitgesloten van het recht op uitkering,</para>
      <para>omdat appellant nog steeds in onvoldoende mate heeft getracht arbeid in</para>
      <para>dienstbetrekking te verkrijgen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het bestreden besluit van 24 juni 1997 heeft gedaagde met herroeping van</para>
      <para>het primaire besluit van 28 maart 1997 appellant ingaande 1 april 1997 voor de</para>
      <para>duur van drie maanden bijstand geweigerd op grond van artikel 14, eerste,</para>
      <para>tweede en vierde lid, van de Abw.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De rechtbank heeft het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant, nu hij bij voortduring</para>
      <para>weigert te solliciteren naar arbeid in dienstbetrekking, ook ten tijde hier in</para>
      <para>geding zeer ernstig tekort is geschoten en niet heeft voldaan aan de op hem</para>
      <para>ingevolge artikel 113 van de Abw (voorheen artikel 9 RWW) rustende verplichtingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad is met de rechtbank en met verwijzing naar de overwegingen in de</para>
      <para>aangevallen uitspraak (II) van oordeel dat gedaagdes besluit II de rechterlijke</para>
      <para>toets kan doorstaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tenslotte overweegt de Raad, onder verwijzing naar hetgeen onder A terzake is</para>
      <para>overwogen, dat ook dit bestreden besluit (II) niet voor vernietiging wegens</para>
      <para>strijd met het bepaalde in de artikelen 9 en 10 van het EVRM in aanmerking komt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Het vorenoverwogene leidt tot bevestiging van de aangevallen uitspraak van 2 maart 1998.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht in geen van beide gedingen termen aanwezig om toepassing te geven</para>
      <para>aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraken.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door mr J.G. Treffers als voorzitter en mr Ch. de Vrey en mr drs</para>
      <para>N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg</para>
      <para>als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) J.G. Treffers.</para>
    <para />
    <para>(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>HL</para>
      <para>2205</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>