<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8796</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-04T20:18:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8796</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-04-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">98/5388 AAW/WAO</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2000/142 met annotatie van Redactie</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8796">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8796</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:57:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-10-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8796 Centrale Raad van Beroep , 19-04-2000 / 98/5388 AAW/WAO</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8796:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8796:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>98/5388 AAW/WAO</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A, wonende te B (Spanje), appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 11 december 1997 heeft gedaagde de uitkeringen van appellant op</para>
      <para>grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de</para>
      <para>arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 1 november 1996 herzien</para>
      <para>en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage heeft bij uitspraak van 15 juni</para>
      <para>1998 het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft tegen deze uitspraak op bij aanvullend beroepschrift van 2</para>
      <para>december 1998 aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Gedaagde heeft een verweerschrift (met bijlage) ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 29 oktober 1999 heeft gedaagde desgevraagd nog vragen beantwoord</para>
      <para>en stukken toegezonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 6 december 1999 (met bijlage) heeft gedaagde op verzoek van de</para>
      <para>Raad nadere inlichtingen verstrekt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 22 maart 2000,</para>
      <para>waar appellant is verschenen bij mr C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat te</para>
      <para>Amsterdam, en gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr J.B. van der</para>
      <para>Horst, werkzaam bij Gak Nederland B.V.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant, geboren in 1954, was sedert 18 april 1978 werkzaam als matroos op</para>
      <para>een binnenvaarttanker.</para>
      <para>Op 3 april 1979 heeft hij zijn werkzaamheden moeten staken wegens een</para>
      <para>hartinfarct. In verband hiermede zijn hem met ingang van 3 april 1980</para>
      <para>uitkeringen op grond van de AAW en de WAO toegekend, berekend naar een mate van</para>
      <para>arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het bestreden besluit zijn deze uitkeringen met ingang van 1 november 1996</para>
      <para>herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.</para>
      <para>Dit besluit is genomen nadat de verzekeringsgeneeskundige J. Biersteker op 22</para>
      <para>mei 1996 een rapport had uitgebracht ten aanzien van de gezondheidstoestand van</para>
      <para>appellant, waarbij rekening is gehouden met desgevraagd van de behandelend</para>
      <para>cardioloog T.B. Tan verkregen inlichtingen. Vervolgens heeft de</para>
      <para>arbeidsdeskundige J.G. Grothe op 7 juni 1996 gerapporteerd. In zijn rapport,</para>
      <para>waarin een aantal aan appellant voorgehouden functies is genoemd, komt hij tot</para>
      <para>de conclusie dat appellant ongeveer 19% arbeidsongeschikt is in de zin van de</para>
      <para>AAW en de WAO. Nadien is gedaagde gebleken dat de arbeidsdeskundige hierbij een</para>
      <para>onjuist maatmanloon heeft gehanteerd. Uitgaande van het - ook naar de mening</para>
      <para>van appellant - correcte maatmanloon moet appellant volgens gedaagde 43%</para>
      <para>arbeidsongeschikt worden geacht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant is het niet eens met zowel de medische als de arbeidskundige</para>
      <para>conclusies waarvan gedaagde is uitgegaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dienaangaande overweegt de Raad allereerst dat appellant geen medische gegevens</para>
      <para>heeft overgelegd die aanleiding zouden kunnen geven om te oordelen dat de</para>
      <para>verzekeringsgeneeskundige de beperkingen van appellant niet juist heeft</para>
      <para>vastgesteld. Weliswaar kreeg appellant op 12 februari 1997 opnieuw</para>
      <para>hartproblemen maar deze hadden een acuut karakter en traden enige maanden na de</para>
      <para>datum in geding op. Niet is gebleken van toegenomen beperkingen van voor 12</para>
      <para>februari 1997, ook niet uit de door appellant overgelegde verklaringen van twee</para>
      <para>Spaanse artsen uit 1997. Verder valt niet in te zien dat de verzekeringsgeneeskundige</para>
      <para>geen betekenis heeft kunnen hechten aan de objectieve bevindingen, vermeld in het</para>
      <para>schrijven van de cardioloog Tan, voornoemd. Gelet op een en ander dienen de door de</para>
      <para>verzekeringsgeneeskundige vastgestelde beperkingen voor juist te worden gehouden.</para>
      <para>Onder deze omstandigheden is voorts geen grond aanwezig voor het nog instellen</para>
      <para>van een medisch onderzoek vanwege de Raad, waarom door appellant is verzocht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot de appellant voorgehouden functies merkt de Raad op dat voor</para>
      <para>de functie van monteur loopwerken weliswaar LBO-niveau (geen LBO-diploma) is</para>
      <para>vereist en appellant in Spanje alleen lager onderwijs heeft gevolgd doch dat</para>
      <para>appellant van 1968 tot 1979 heeft gewerkt en alle voorkomende (gewone)</para>
      <para>werkzaamheden op een binnenvaarttanker heeft verricht. Gelet hierop en nu ten</para>
      <para>aanzien van evengenoemde functie geen specifieke eisen zijn gesteld ten aanzien</para>
      <para>van de beheersing van de Nederlandse taal, acht de Raad deze functie berekend</para>
      <para>voor appellants bekwaamheden.</para>
      <para>Aangenomen moet voorts worden dat bij deze functie geen sprake is van een</para>
      <para>overschrijding van de belastbaarheid van appellant. De mogelijkheden tot tillen</para>
      <para>zijn bij appellant volgens het belastbaarheidspatroon weliswaar beperkt tot</para>
      <para>15 keer per uur 10 kilogram terwijl in de onderhavige verwoording</para>
      <para>functiebelasting is vermeld "Tillen 150 keer per uur 5 kg.", doch uit de</para>
      <para>functieomschrijving en de door gedaagde ter zitting nog gegeven toelichting</para>
      <para>blijkt dat in deze functie te monteren onderdelen moeten worden getild die ten</para>
      <para>hoogste 5 kilogram wegen; aannemelijk is geworden dat het daarbij in niet</para>
      <para>onbelangrijke mate gaat om onderdelen die (veel) minder wegen dan 5 kilogram.</para>
      <para>Ook de functie van inpakker is voor appellant geschikt te achten nu uit de</para>
      <para>desbetreffende verwoording functiebelasting blijkt dat 50 keer per uur tot 3</para>
      <para>kilogram moet worden getild.</para>
      <para>Tegen de functie van monteur koffiezetters kan evenmin bezwaar bestaan.</para>
      <para>Appellant heeft er weliswaar terecht op gewezen dat in deze functie een</para>
      <para>dwingend werktempo bestaat doch blijkens het belastbaarheidspatroon zijn bij</para>
      <para>appellant geen psychische beperkingen aan de orde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tenslotte overweegt de Raad nog dat de betrokken functies bij schrijven van 18</para>
      <para>juni 1996 aan appellant zijn voorgehouden zodat een uitlooptermijn van meer dan</para>
      <para>vier maanden in acht is genomen. Bij schrijven van 6 december 1999 heeft</para>
      <para>gedaagde desgevraagd doen weten deze termijn redelijk te achten omdat er voor</para>
      <para>appellant als onderdaan van een lidstaat der Europese Gemeenschappen geen</para>
      <para>(verblijfsrechtelijke) belemmering is om in Nederland arbeid te verkrijgen.</para>
      <para>De Raad wijst er op dat appellant als buiten Nederland woonachtige gezien deze</para>
      <para>door gedaagde vermelde omstandigheid aan de circulaire van de Federatie van</para>
      <para>Bedrijfsverenigingen nr. M.94.09 van 2 maart 1994, aangenomen al dat gedaagde</para>
      <para>het daarin vermelde indertijd als beleid hanteerde, geen aanspraak kon ontlenen</para>
      <para>op een uitlooptermijn van zes maanden. Mede gelet hierop acht de Raad appellant</para>
      <para>met een uitlooptermijn van ruim vier maanden niet tekort gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vorenstaande overwegingen leiden de Raad tot het oordeel dat de aangevallen</para>
      <para>uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in</para>
      <para>artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr N.J. Haverkamp als voorzitter en mr T.L. de Vries en</para>
      <para>mr J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van mr M.F. van Moorst als</para>
      <para>griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 april 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>                    (get.) N.J. Haverkamp.</para>
    <para />
    <para>                    (get.) M.F. van Moorst.</para>
    <para />
    <para>IS</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>