<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8795</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-04T20:18:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8795</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AG8649</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-05-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">98/7984 ZFW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=3:4&amp;g=2000-05-09">Algemene wet bestuursrecht 3:4</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBV0001506&amp;artikel=30&amp;g=2000-05-09">Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie 30</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2000/177</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8795">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8795</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:57:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-10-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8795 Centrale Raad van Beroep , 09-05-2000 / 98/7984 ZFW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8795:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8795:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>98/7984 ZFW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A, wettelijk vertegenwoordigd door zijn vader B, wonende te C, appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>Onderlinge Waarborgmaatschappij Zorgverzekeraar Trias U.A., gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant heeft mr M.E. Wallheimer, advocaat te Amsterdam, op bij</para>
      <para>aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een</para>
      <para>door de Arrondissementsrechtbank te Breda onder dagtekening 4 november 1998</para>
      <para>tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens gedaagde heeft mr J.E. Molenaar, advocaat te 's-Gravenhage, bij schrijven</para>
      <para>van 14 juli 1999 van verweer gediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 28 maart 2000, waar</para>
      <para>voor appellant is verschenen zijn gemachtigde mr N.U.N. van den Heuvel,</para>
      <para>kantoorgenoot van mr Wallheimer, voornoemd, alsmede J. Hanstede, en waar</para>
      <para>gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door haar gemachtigde mr Molenaar,</para>
      <para>voornoemd, alsmede A.H. Blufpand.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor een overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten alsmede de</para>
      <para>van toepassing zijnde regelgeving verwijst de Raad naar hetgeen daaromtrent,</para>
      <para>gelet op de gedingstukken, met juistheid in rubriek 2 van de aangevallen uitspraak is vermeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Kortheidshalve vermeldt de Raad hier dat A., geboren in 1985, aan een ernstige</para>
      <para>vorm van chronische middenoorontsteking lijdt. Uitgebreide medische behandeling</para>
      <para>heeft niet tot vermindering van de klachten geleid. Bij nader onderzoek is</para>
      <para>gebleken dat bij A. sprake is van een functiestoornis van de granulocyten,</para>
      <para>waarmee voormelde ontstekingsklachten samenhangen. Deze klachten zijn</para>
      <para>aanmerkelijk afgenomen door behandeling met het geneesmiddel Neupogen door de</para>
      <para>behandelend kinderarts dr N.G. Hartwig, verbonden aan het Academisch Ziekenhuis</para>
      <para>te Rotterdam. Vanwege appellant is gedaagde verzocht ten laste van de in de</para>
      <para>Ziekenfondswet (ZFW) geregelde wettelijke ziektekostenverzekering Neupogen te</para>
      <para>vergoeden, omdat eerdere bekostiging uit onderzoeksgelden niet meer mogelijk was.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft dit verzoek bij besluit van 10 juli 1997 op grond van de gestelde</para>
      <para>indicatie afgewezen, nu deze niet valt onder de drie indicaties vermeld onder</para>
      <para>punt 14 van de bij de Regeling farmaceutische hulp 1996 behorende bijlage 2.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het bestreden besluit van 19 februari 1998 heeft gedaagde haar weigering</para>
      <para>gehandhaafd, in hoofdzaak verwijzend naar de strikte omschrijving van voormelde</para>
      <para>indicatiecriteria, die haar geen beoordelingsvrijheid geeft.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, na vaststelling dat tussen</para>
      <para>partijen niet in geschil is dat appellant op grond van de toepasselijke</para>
      <para>regelgeving geen aanspraak heeft op verstrekking van Neupogen, de argumenten van</para>
      <para>appellant verworpen op grond waarvan hij meent desalniettemin toch voor</para>
      <para>verstrekking van dit middel in aanmerking te komen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In hoger beroep heeft appellant, goeddeels onder herhaling van in eerdere fases</para>
      <para>van de gedingvoering aangevoerde gronden, betoogd dat de Regeling farmaceutische</para>
      <para>hulp 1996 in strijd is met de in artikel 30 EG-Verdrag gewaarborgde vrijheid van</para>
      <para>invoer gelet op de aan dit artikel door het Hof van Justitie van de Europese</para>
      <para>Gemeenschap bij arrest van 7 februari 1984 (Duphar/Staat der Nederlanden)</para>
      <para>gegeven uitleg. Voorts heeft appellant een beroep gedaan op het</para>
      <para>gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft bij verweerschrift haar standpunt gehandhaafd en geconcludeerd</para>
      <para>tot afwijzing van het hoger beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het verhandelde ter zitting en de van de zijde van appellant terzake</para>
      <para>gedane mededelingen, waaraan de Raad geen reden heeft te twijfelen, behoort het</para>
      <para>middel Neupogen met twee andere middelen tot de groep geneesmiddelen waarvoor de</para>
      <para>indicatiecriteria onder punt 14 van bijlage 2 van de Regeling farmaceutische</para>
      <para>hulp 1996 gelden. Voorts ontleent de Raad aan het verhandelde ter zitting dat al</para>
      <para>deze middelen in Nederland worden ingevoerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad ziet het beroep van appellant op evenvermelde uitspraak van het Hof van</para>
      <para>Justitie reeds op deze grond falen dat geenszins is kunnen blijken dat de</para>
      <para>uitsluiting van de groep geneesmiddelen waartoe Neupogen behoort, voor andere</para>
      <para>dan de onder punt 14 van bijlage 2 van de Regeling farmaceutische hulp 1996</para>
      <para>genoemde indicaties, berust op de omstandigheid dat deze geneesmiddelen in</para>
      <para>Nederland worden ingevoerd, in welk geval volgens het arrest (vide</para>
      <para>rechtsoverweging 21) sprake zou zijn van discriminatie naar oorsprong.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel ziet de Raad eveneens falen.</para>
      <para>Niet betwist is dat gedaagde in geen enkel geval buiten de in bijlage 2 genoemde</para>
      <para>indicaties de aanspraak op Neupogen ten laste van de wettelijke</para>
      <para>ziektekostenverzekering heeft gebracht. In zoverre is er geen sprake van dat</para>
      <para>gedaagde de bij haar aangesloten ziekenfondsverzekerden ongelijk behandeld.</para>
      <para>Nog daargelaten of gedaagde op grond van dit beginsel gehouden zou zijn tot</para>
      <para>verstrekking van Neupogen ten laste van de wettelijke ziektekostenverzekering</para>
      <para>over te gaan, als andere zorgverzekeraars (met voorbijgaan aan de wettelijke</para>
      <para>regeling) dat wel zouden doen, moet de Raad vaststellen dat de daaromtrent van</para>
      <para>de zijde van appellant in de stukken en ter zitting verstrekte gegevens</para>
      <para>wisselend van aard zijn en overigens te onbepaald om aannemelijk te achten dat</para>
      <para>bij een of meer andere zorgverzekeraars in Nederland ten tijde hier in geding</para>
      <para>sprake was van een met voorbij gaan aan het bepaalde in de Regeling</para>
      <para>farmaceutische hulp 1996 gevoerde uitvoeringspraktijk, waarin tot verstrekking</para>
      <para>van het middel Neupogen bij kinderen met uitbehandelde chronische</para>
      <para>middenoorontsteking is overgegaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep dat appellant met verwijzing naar 's Raads uitspraak van 18 juli 1995</para>
      <para>(RZA 1996 nr. 50) heeft gedaan op het in artikel 3:4 van de Algemene wet</para>
      <para>bestuursrecht besloten liggende evenredigheidsbeginsel ziet de Raad evenmin slagen.</para>
      <para>De verwijzing naar evenvermelde uitspraak kan appellant niet baten, nu, anders</para>
      <para>dan in het aldaar berechte geval, in casu geen sprake is van een ten laste van</para>
      <para>de wettelijke ziektekostenverzekering aangevangen behandeling waarvan was</para>
      <para>toegezegd dat die zou worden voortgezet zolang dit uit medisch oogpunt was</para>
      <para>aangewezen en waarbij stopzetting een onverantwoorde therapiebreuk tot gevolg</para>
      <para>zou (kunnen) hebben.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts overweegt de Raad dienaangaande dat in het onderhavige geval, naar de</para>
      <para>Raad aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting van de Raad ontleent,</para>
      <para>sprake is van een onderzoek naar nieuwe toepassingen van het geneesmiddel</para>
      <para>Neupogen in het kader waarvan D voor behandeling daarmee in aanmerking is</para>
      <para>gebracht. De enkele omstandigheid dat het onderzoeksbudget van het academisch</para>
      <para>ziekenhuis ontoereikend was om de behandeling voort te zetten, kan er niet toe</para>
      <para>leiden dat afbreuk wordt gedaan aan de in de Regeling farmaceutische hulp 1996</para>
      <para>gegeven systematiek waarbij behandeling met Neupogen slechts in zeer strikt</para>
      <para>omschreven gevallen mogelijk is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten slotte overweegt de Raad terzake dat aan de onder de gedingstukken zich</para>
      <para>bevindende medische gegevens geen aanknopingspunten vallen te ontlenen voor de</para>
      <para>veronderstelling dat bij A. sprake was van een situatie dat stopzetting van de</para>
      <para>behandeling met Neupogen zou leiden tot een levensbedreigende situatie, dan wel</para>
      <para>van een medisch ernstig bedreigende situatie, met mogelijk onherstelbare</para>
      <para>gevolgen, voor een of meer vitale organen van appellant, op grond waarvan</para>
      <para>strikte toepassing van het bepaalde onder punt 14 van bijlage 2 bij de Regeling</para>
      <para>farmaceutische hulp 1996 in die mate in strijd zou komen met het</para>
      <para>evenredigheidsbeginsel dat deze toepassing geen rechtsplicht meer kan zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hiervoor overwogene impliceert geenszins dat de Raad de heilzame werking van</para>
      <para>Neupogen in het geval van A. zou willen ontkennen of onderschatten. Of dit</para>
      <para>middel buiten de in bijlage 2 genoemde gevallen voor verstrekking ten laste van</para>
      <para>de wettelijke ziektekostenverzekering in aanmerking komt, is primair een</para>
      <para>verantwoordelijkheid van de regelgever. De Raad kan slechts vaststellen dat</para>
      <para>opneming in de regelgeving tot nu toe achterwege is gebleven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging</para>
      <para>in aanmerking komt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in</para>
      <para>artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr D.J. van der Vos als voorzitter en mr Ch. van Voorst en</para>
      <para>mr R.M. van Male als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, en</para>
      <para>uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) D.J. van der Vos.</para>
    <para />
    <para>(get.) R.E. Lysen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>JdB</para>
      <para>0105</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>