<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8777</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T18:08:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8777</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AJ9626</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AN6504</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-02-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">98/3452 en 98/3453 ABW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=1:3&amp;g=2000-02-29">Algemene wet bestuursrecht 1:3</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=3:45&amp;g=2000-02-29">Algemene wet bestuursrecht 3:45</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=6:7&amp;g=2000-02-29">Algemene wet bestuursrecht 6:7</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=6:11&amp;g=2000-02-29">Algemene wet bestuursrecht 6:11</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AB 2000, 443 met annotatie van H.E. Bröring</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 2000, 101 met annotatie van R. Stijnen</rdf:li>
          <rdf:li>JABW 2000, 67</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8777">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8777</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:57:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2008-12-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8777 Centrale Raad van Beroep , 29-02-2000 / 98/3452 en 98/3453 ABW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8777:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bezwaar tegen uitkeringsspecificatie; ontvankelijkheid.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8777:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>98/3452 ABW</para>
      <para>98/3453 ABW</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in de gedingen tussen:</para>
    <para />
    <para>A, thans wonende te B, appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het College van burgemeester en wethouders van de</para>
      <para>gemeente Leeuwarden, gedaagde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant heeft mr H. Rawee, advocaat te</para>
      <para>Amersfoort, hoger beroep ingesteld tegen een door de</para>
      <para>Arrondissementsrechtbank te Leeuwarden op 4 maart 1998 tussen</para>
      <para>partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>Hierop heeft appellant, die zich niet meer door mr Rawee</para>
      <para>voornoemd liet bijstaan, bij brief van 22 januari 1999</para>
      <para>gereageerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van</para>
      <para>18 januari 2000, waar appellant daartoe ambtshalve opgeroepen</para>
      <para>in persoon is verschenen en waar gedaagde hoewel ambtshalve</para>
      <para>opgeroepen om bij gemachtigde te verschijnen zich niet heeft</para>
      <para>doen vertegenwoordigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 januari 1996 is de Algemene Bijstandswet (ABW)</para>
      <para>ingetrokken en zijn de Algemene bijstandswet en de</para>
      <para>Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet in werking</para>
      <para>getreden.</para>
      <para>De in deze gedingen aan de orde zijnde geschillen worden</para>
      <para>beoordeeld aan de hand van de ABW en de daarop berustende</para>
      <para>bepalingen, zoals die luidden ten tijde hier van belang.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant, die is geboren in 1959, heeft de Iraakse</para>
      <para>nationaliteit. In de loop van 1993 is hij met zijn gezin als</para>
      <para>asielzoeker naar Nederland gekomen. Van 31 januari 1994 af</para>
      <para>ontving hij, met zijn gezin verblijvende in de gemeente X,</para>
      <para>verstrekkingen ingevolge de toen vigerende Regeling Opvang</para>
      <para>Asielzoekers (ROA), waaronder woonruimte en een maandelijkse</para>
      <para>toelage van f 900,--. In oktober 1994 is appellant een</para>
      <para>vergunning tot verblijf verleend. Dit bracht mee dat hij de hem</para>
      <para>toegewezen woning uiterlijk op 15 januari 1995 diende te</para>
      <para>verlaten. Dit is eerst op 12 april 1995 gerealiseerd, met</para>
      <para>ingang van welke datum hem en zijn gezin een huurwoning elders</para>
      <para>in X toegewezen was. Inmiddels was de ROA-toelage ingaande 1</para>
      <para>februari 1995 beëindigd.</para>
      <para>Gedaagde heeft bij besluit van 3 mei 1995 aan appellant</para>
      <para>ingaande 12 april 1995 een uitkering ingevolge de ABW naar de</para>
      <para>norm voor een echtpaar toegekend.</para>
      <para>Volgens een rapportage ABW van juni 1995 was besloten appellant</para>
      <para>per 1 februari 1995, zolang hij nog in zijn ROA-woning verbleef</para>
      <para>maar niet langer dan gedurende drie maanden, in het</para>
      <para>voorschotsysteem van de ROA op te nemen om achteraf de periode</para>
      <para>om te zetten in een van het normbedrag voor een echtpaar</para>
      <para>afwijkende ABW-uitkering; geadviseerd werd aan appellant over</para>
      <para>de periode van 1 februari 1995 tot 12 april 1995 bijstand te</para>
      <para>verstrekken ad f 4.263,07, met dit bedrag te verrekenen een</para>
      <para>bedrag van f 4.140,72 aan ROA-toelagen en een bijdrage in de</para>
      <para>woonkosten en voorts het restant aan appellant betaalbaar te</para>
      <para>stellen; aan het slot van de rapportage is aangetekend dat aan</para>
      <para>appellant geen beschikking moet worden gezonden.</para>
      <para>Vervolgens is aan appellant een uitkeringsspecificatie van 7</para>
      <para>juni 1995 verstrekt, waarin voormeld advies is verwerkt;</para>
      <para>voorliggende rechtsmiddelen werden niet vermeld.</para>
      <para>Bij brief van 6 oktober 1995 heeft appellant tegen die</para>
      <para>specificatie bezwaar gemaakt en verzocht hem alsnog te betalen</para>
      <para>hetgeen hem over de periode van 1 februari 1995 tot 12 april</para>
      <para>1995 op grond van de ABW toekomt.</para>
      <para>Bij besluit van 2 april 1996 heeft gedaagde, voorzover hier van</para>
      <para>belang, dat bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat - zo</para>
      <para>blijkt uit het advies van de Commissie van advies voor de</para>
      <para>bezwaar- en beroepschriften van 11 maart 1996 - een voor</para>
      <para>bezwaar vatbaar besluit in primo niet aanwezig is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Intussen had appellant op 25 maart 1996 bij gedaagde een</para>
      <para>aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor (kort gezegd)</para>
      <para>verhuis- en herinrichtingskosten ter zake van de verhuizing van</para>
      <para>hem en zijn gezin naar Q in augustus 1995. Deze aanvraag heeft</para>
      <para>gedaagde afgewezen bij besluit van 2 april 1996, zoals - na</para>
      <para>gemaakt bezwaar - gehandhaafd bij besluit van 26 juni 1996 op</para>
      <para>de grond dat voor de verhuizing naar Q geen noodzaak bestond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant heeft mr Rawee tegen de na bezwaar</para>
      <para>genomen besluiten van 2 april 1996 en 26 juni 1996 beroep</para>
      <para>ingesteld. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank</para>
      <para>inzake het beroep tegen het eerstgenoemde besluit overwogen</para>
      <para>dat, naar haar oordeel, de uitkeringsspecificatie van 7 juni</para>
      <para>1995 een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet</para>
      <para>bestuursrecht (Awb) is en voorts geoordeeld dat het bezwaar bij</para>
      <para>de brief van 6 oktober 1995 te laat is ingesteld en om die</para>
      <para>reden niet-ontvankelijk verklaard had moeten worden. Dit heeft</para>
      <para>de rechtbank ertoe geleid het beroep van appellant tegen het</para>
      <para>besluit van 2 april 1996 gegrond te verklaren, dit besluit te</para>
      <para>vernietigen en te bepalen dat de rechtsgevolgen van dit</para>
      <para>vernietigde besluit in stand blijven. De rechtbank heeft het</para>
      <para>beroep van appellant tegen het besluit van 26 juni 1996</para>
      <para>ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt als volgt.</para>
    <para />
    <para>In het geding, nummer 98/3452 ABW</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In dit geding heeft appellant zich gekeerd tegen de</para>
      <para>aangevallen uitspraak, in zoverre de rechtbank tot het oordeel</para>
      <para>is gekomen dat appellant niet-ontvankelijk is in zijn bezwaar</para>
      <para>tegen de als besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb</para>
      <para>aangemerkte uitkeringsspecificatie van 7 juni 1995 omdat dit</para>
      <para>bezwaar te laat is ingesteld, en de rechtsgevolgen van het</para>
      <para>vernietigde bestreden besluit van 2 april 1996 in stand heeft</para>
      <para>gelaten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad is in de eerste plaats van opvatting dat de rechtbank</para>
      <para>terecht heeft geoordeeld dat de uitkeringsspecificatie van</para>
      <para>7 juni 1995 een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb</para>
      <para>is. Hiertoe neemt de Raad in aanmerking dat die specificatie</para>
      <para>ertoe strekt dat aan appellant over de periode van 1 februari</para>
      <para>1995 tot 12 april 1995 ambtshalve een uitkering ingevolge de</para>
      <para>ABW wordt toegekend, naar een norm die in diens nadeel afwijkt</para>
      <para>van de ter zake geldende voorschriften van (hoofdstuk II van)</para>
      <para>het Bijstandsbesluit landelijke normering (BLN), onder</para>
      <para>verrekening van de als voorschot op voet van de ROA verleende</para>
      <para>verstrekkingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad stelt vast dat appellant bij zijn brief van</para>
      <para>6 oktober 1995 tegen het in die uitkeringsspecificatie vervatte</para>
      <para>besluit bezwaar heeft gemaakt, dit zowel wat betreft de</para>
      <para>vermelde normafwijking als de verrekening.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vaststaat dat appellant zijn bezwaarschrift van 6 oktober 1995</para>
      <para>te laat, na afloop van de termijn als bedoeld in artikel 6:7</para>
      <para>van de Awb, heeft ingediend.</para>
      <para>Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na</para>
      <para>afloop van die termijn ingediend bezwaarschrift</para>
      <para>niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien</para>
      <para>redelijkwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in</para>
      <para>verzuim is geweest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat</para>
      <para>gedaagde in strijd met het bepaalde in artikel 3:45 van de Awb</para>
      <para>geen melding heeft gemaakt van de mogelijkheid tegen het in de</para>
      <para>uitkeringsspecificatie vervatte besluit bezwaar te maken, op</para>
      <para>zichzelf niet leidt tot het oordeel dat de onderhavige</para>
      <para>termijnoverschrijding verschoonbaar is.</para>
      <para>Appellant heeft schriftelijk in de brief van 22 januari 1999 en</para>
      <para>mondeling ter zitting verklaard dat hij in juni 1995, een week</para>
      <para>na de ontvangst van de uitkeringsspecificatie, contact heeft</para>
      <para>opgenomen met een hem bekende medewerkster van sociale zaken</para>
      <para>teneinde over de specificatie opheldering te verkrijgen; hem</para>
      <para>werd gezegd dat de specificatie niets met de ABW te maken had.</para>
      <para>Eenzelfde antwoord kreeg appellant toen hij in augustus 1995 de</para>
      <para>specificatie opnieuw bij die medewerkster heeft aangekaart. Na</para>
      <para>in augustus 1995 te zijn verhuisd heeft hij zich tot het</para>
      <para>vluchtelingenwerk in Q gewend, waar vervolgens het</para>
      <para>bezwaarschrift van 6 oktober 1995 werd opgesteld, aldus</para>
      <para>appellant.</para>
      <para>Deze verklaringen van appellant zijn van de kant van</para>
      <para>gedaagde onweersproken gebleven en de Raad ziet geen reden aan</para>
      <para>de juistheid ervan te twijfelen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van die verklaringen stelt de Raad vast dat</para>
      <para>appellant tot tweemaal toe vanwege gedaagde onjuist omtrent de</para>
      <para>strekking van de meerbedoelde specificatie is ingelicht en</para>
      <para>zodoende, ten onrechte, van het indienen van bezwaar is</para>
      <para>afgehouden.</para>
      <para>Deze vaststelling levert naar het oordeel van de Raad voldoende</para>
      <para>grond op voor de slotsom dat appellant bij het te laat indienen</para>
      <para>van zijn bezwaarschrift van 6 oktober 1995 niet in verzuim is</para>
      <para>geweest.</para>
      <para>Derhalve heeft de rechtbank ten onrechte het standpunt</para>
      <para>ingenomen dat het bezwaarschrift van appellant wegens</para>
      <para>niet-verschoonbare termijnoverschrijding niet-ontvankelijk</para>
      <para>diende te worden verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aangezien de Raad van andere gronden die tot</para>
      <para>niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift dienen te</para>
      <para>leiden, niet is gebleken, moet de conclusie zijn dat gedaagde</para>
      <para>bedoeld bezwaarschrift, gericht tegen de uitkeringsspecificatie</para>
      <para>van 6 juni 1995, ten onrechte niet-ontvankelijk heeft</para>
      <para>verklaard.</para>
      <para>Bij dit licht is het dan ook niet juist dat de rechtbank de</para>
      <para>rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit van 2</para>
      <para>april 1996 in stand heeft gelaten.</para>
      <para>De Raad zal de aangevallen uitspraak, voorzover</para>
      <para>aangevochten, vernietigen.</para>
      <para>Gedaagde zal worden opgedragen om met inachtneming van deze</para>
      <para>uitspraak opnieuw op het bezwaarschrift van appellant van 6</para>
      <para>oktober 1995, gericht tegen de uitkeringsspecificatie van 7</para>
      <para>juni 1995, te beslissen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht in dit geding ten slotte termen aanwezig om op</para>
      <para>grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de</para>
      <para>proceskosten van appellant in beroep respectievelijk in hoger</para>
      <para>beroep. Deze kosten worden begroot op f 1.420,-- respectieve-</para>
      <para>lijk f 710,--, in totaal f 2.130,--, voor verleende</para>
      <para>rechtsbijstand.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>In het geding, nummer 98/3453 ABW</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In dit geding is ten gronde aan de orde het bestreden besluit</para>
      <para>van 26 juni 1996, betreffende de aanvraag van appellant om</para>
      <para>bijzondere bijstand in de verhuis- en herinrichtingskosten in</para>
      <para>verband met zijn verhuizing van X naar Q.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 18a van het BLN wordt bijstand ter</para>
      <para>voorziening in de bijzondere kosten van het bestaan verleend</para>
      <para>indien individuele omstandigheden leiden tot noodzakelijke</para>
      <para>kosten van het bestaan die naar het oordeel van burgemeester en</para>
      <para>wethouders niet kunnen worden voldaan uit de in hoofdstuk II,</para>
      <para>paragraaf 1, en hoofdstuk III, paragraaf 1, bedoelde uitkering</para>
      <para>en de aanwezige draagkracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad is op grond van de stukken niet tot het oordeel gekomen</para>
      <para>dat in het geval van appellant van dergelijke individuele</para>
      <para>omstandigheden sprake is geweest.</para>
      <para>Hiertoe geldt in de eerste plaats de reden van de verhuizing</para>
      <para>van appellant, te weten dat hij meende in (de omgeving van) Q</para>
      <para>eerder aan het werk te kunnen komen dan in X. Deze mening is</para>
      <para>echter in het geheel niet onderbouwd.</para>
      <para>Voorts is van belang dat de psychiater H.J. Zwartenkot,</para>
      <para>verbonden aan het RIAGG Friesland, in een rapport van</para>
      <para>21 februari 1995 heeft opgetekend dat er bij appellant</para>
      <para>"natuurlijk geen keiharde medische indicatie bestaat" voor</para>
      <para>diens verhuizing naar Q.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad is dan ook - evenals de rechtbank - van oordeel dat</para>
      <para>gedaagde terecht en op goede gronden de aanvraag van appellant</para>
      <para>om bijzondere bijstand ter zake van verhuis- en</para>
      <para>herinrichtingskosten heeft afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak nog</para>
      <para>overwegingen gewijd aan de vraag of appellant jegens de</para>
      <para>gemeente Leeuwarden aanspraak kan maken op schadevergoeding,</para>
      <para>waartoe een verzoek van appellant zou strekken.</para>
      <para>De Raad stelt echter vast dat van een dergelijk verzoek van</para>
      <para>appellant geen sprake is en laat verder daar wat er van de</para>
      <para>bewuste overwegingen van de rechtbank is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met inachtneming hiervan komt de aangevallen uitspraak,</para>
      <para>voorzover zij in dit geding voorligt, voor bevestiging in</para>
      <para>aanmerking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In dit geding acht de Raad geen termen aanwezig om toepassing</para>
      <para>te geven aan artikel 8:75 van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad beslist als volgt.</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>In het geding, nummer 98/3452 ABW</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten;</para>
      <para>Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit neemt op het</para>
      <para>bezwaarschrift van appellant van 6 oktober 1995, gericht tegen</para>
      <para>het in de uitkeringsspecificatie van 7 juni 1995 vervatte</para>
      <para>besluit, met inachtneming van deze, 's Raads, uitspraak;</para>
      <para>Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant, in</para>
      <para>eerste aanleg tot een bedrag groot f 1.420,--, en in</para>
      <para>hoger beroep tot een bedrag groot f 710,--, te betalen door de</para>
      <para>gemeente Leeuwarden;</para>
      <para>Bepaalt dat de gemeente Leeuwarden aan appellant het</para>
      <para>gestorte recht van f 160,-- vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>In het geding, nummer 98/3453 ABW</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
      <para>Aldus gegeven door mr J.G. Treffers als voorzitter en</para>
      <para>mr G.A.J. van den Hurk en mr J.M.A. van der</para>
      <para>Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van</para>
      <para>I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg als griffier, en uitgesproken in</para>
      <para>het openbaar op 29 februari 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) J.G. Treffers.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>HL</para>
      <para>2102</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>