<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8776</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-04T20:18:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8776</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-04-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">97/4896 AAW/WAO</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002524&amp;artikel=18&amp;g=2000-04-21">Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2000/120</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8776">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8776</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:57:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2003-05-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8776 Centrale Raad van Beroep , 21-04-2000 / 97/4896 AAW/WAO</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8776:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8776:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>97/4896 AAW/WAO</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A, wonende te B, appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale</para>
      <para> verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de</para>
      <para> Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt</para>
      <para> het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is</para>
      <para> het Lisv in de plaats getreden van de Nieuwe Algemene</para>
      <para> Bedrijfsvereniging. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens</para>
      <para> verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 12 december 1994 heeft gedaagde de aan appellant krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekende</para>
      <para> uitkeringen, die werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 29 januari</para>
      <para> 1995 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage heeft bij uitspraak</para>
      <para> van 28 mei 1997 het tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift d.d.</para>
      <para> 10 september 1997 aangevoerde gronden tegen die uitspraak hoger</para>
      <para>beroep doen instellen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Gedaagde heeft een verweerschrift d.d. 1 oktober 1997 ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van</para>
      <para> de Raad, gehouden op 28 januari 2000, waar partijen, beide met voorafgaand bericht, niet zijn verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad neemt als vaststaand aan de feiten en omstandigheden die</para>
      <para> als zodanig zijn vermeld in de aangevallen uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In dit geding is de vraag aan de orde of het bestreden besluit in rechte stand kan houden, waarbij het geschil zich beperkt tot</para>
      <para>de vraag of dat besluit, wat het arbeidskundig aspect betreft, kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde</para>
      <para>onderbouwing, nu daarbij de resterende verdiencapaciteit van</para>
      <para> appellant is gesteld op het mediane loon van een drietal aan</para>
      <para>appellant voorgehouden functies welke in ploegendienst worden</para>
      <para> vervuld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak in dit verband het volgende overwogen, waarbij onder eiser dient te worden verstaan appellant:</para>
      <para>"Met betrekking tot eisers grief dat de arbeidsdeskundige</para>
      <para> functies met weekend-, avond-/nachtwerkploegendiensten heeft</para>
      <para>geduid, overweegt de rechtbank voorts dat de verzekeringsgeneeskundige op dit punt geen beperkingen heeft</para>
      <para> aangenomen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij op grond van de voor hem geldende lichamelijke beperkingen niet in staat</para>
      <para> zou zijn tot het werken in ploegendienst.</para>
      <para>De rechtbank sluit zich aan bij de opvatting van de arbeidsdeskundige, desgevraagd neergelegd in zijn schriftelijke</para>
      <para> toelichting gedateerd 4 augustus 1995, waarin hij het duiden van</para>
      <para> een functie met ploegendienst in eisers geval reëel acht. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat eiser ook in</para>
      <para> zijn maatgevende arbeid een van het normale afwijkend</para>
      <para>arbeidspatroon had; in blokken van vijf weken werkte eiser daarin zelfs 84 uur per week en derhalve ook op tijden, waarop tijdens reguliere betrekkingen van 38 uur per week niet pleegt te worden</para>
      <para> gewerkt."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan het namens appellant ingediende aanvullend beroepschrift ontleent de Raad het volgende:</para>
      <para>"Appellant was vóór het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid werkzaam als 1e stuurman/kapitein. Het werken in de diensten die appellant draaide in zijn maatmanarbeid kan niet gelijk worden</para>
      <para>gesteld met een "reguliere" ploegendienst. Appellant was in zijn</para>
      <para> maatmanarbeid regelmatig, volgens vaste werktijden, werkzaam.</para>
      <para>Appellant werkte 12 uur achtereen, waarna een rustperiode volgde</para>
      <para> van 12 uur. Dit patroon geschiedde 7 dagen of langer achtereen, en over een periode van gemiddeld 5 weken. Na ommekomst van deze</para>
      <para> 5 weken was appellant gedurende 5 weken thuis, gedurende welke periode appellant een WW-uitkering ontving. Gelet op dit vaste</para>
      <para> patroon acht appellant het niet reëél dat functies, waarbij ook avond-, nacht- en weekenddiensten voorkomen, hem kunnen worden</para>
      <para> geduid.</para>
      <para>Appellant heeft eveneens benadrukt dat het "standby" staan in zijn maatmanarbeid alleen van belang was in</para>
      <para> geval van calamiteiten (zinken, brand). Ook dit vormt dan ook geen argument naar het oordeel van appellant om functies te</para>
      <para> duiden met avond-, nacht- en weekenddiensten.</para>
      <para>Juist is dat appellant in zijn maatgevende arbeid een van het</para>
      <para> normale arbeidspatroon afwijkend arbeidspatroon had en ook werkte op tijden, waarop tijdens normale reguliere betrekkingen niet</para>
      <para> pleegt te worden gewerkt. Appellant is echter van mening dat deze</para>
      <para> onregelmatigheid in zijn maatmanfunctie niet zonder meer op één</para>
      <para> lijn kan worden gesteld met functies, waarbij in ploegendienst gewerkt moet worden. Zoals hierboven als gesteld kenden de</para>
      <para> diensten, waarin appellant in zijn maatmanfunctie werkzaam was, een vast patroon. Gedurende de gehele periode dat appellant</para>
      <para> werkzaam was, had hij op vaste tijden dienst. In een "normale" ploegendienst is dit niet zo. Een ploegendienst kent dag-,</para>
      <para> avond- en nachtdiensten, die elkaar opvolgen en per week verschillen.</para>
      <para>Ook het feit dat het maatmanloon van appellant geen</para>
      <para> onregelmatigheidstoeslag kent, is naar het oordeel van appellant</para>
      <para>een ondersteuning voor zijn standpunt dat zijn maatmanarbeid niet</para>
      <para> gelijk gesteld kan worden met functies waarbij in ploegendienst gewerkt moet worden."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft zich in zijn verweerschrift achter het oordeel van</para>
      <para> de rechtbank gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 2, aanhef en onder f van het Schattingsbesluit bepaalt dat bij de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid</para>
      <para>functies met toeslagen voor afwijkende arbeidstijden buiten beschouwing blijven, tenzij deze toeslagen wel zijn meegenomen</para>
      <para> bij de vaststelling van het maatmaninkomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de voorhanden zijnde gegevens blijkt dat de functies, aan de</para>
      <para> hand waarvan gedaagde de voor appellant geldende resterende verdiencapaciteit heeft vastgesteld, een toeslag kennen voor het</para>
      <para> werken in ploegendienst, alsmede dat het maatmaninkomen van appellant, berekend aan de hand van de door hem in de</para>
      <para> referteperiode verdiende</para>
      <para> all-in gage per dag, geen afzonderlijke toeslag voor afwijkende arbeidstijden kent.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op de specifieke, eigen aard van appellants maatmanarbeid,</para>
      <para> welke meebrengt dat appellant gedurende een periode van gemiddeld vijf weken in loondienst werkzaam is gedurende 84 uur per week</para>
      <para> in een patroon van 12 uur op en 12 uur af, (minimaal) zeven dagen achtereen, waarna een periode van vijf weken volgt waarin hij</para>
      <para> niet in loondienst werkzaam is en een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet geniet, is de Raad van oordeel dat in het kader</para>
      <para> van de in geding zijnde arbeidsongeschiktheidsbeoordeling aan</para>
      <para> appellant functies konden worden voorgehouden die in ploegendienst worden vervuld en waarvan het met die functies te verdienen loon een ploegentoeslag kent. De Raad is van oordeel</para>
      <para> dat, als in een geval als het onderhavige, waarin door appellant een op de eigen aard van zijn maatmanarbeid afgestemde all-in</para>
      <para> gage per dag wordt verdiend, waarin -gelet op de hoogte ervan- een vergoeding moet worden geacht te zijn begrepen voor</para>
      <para> het verrichten van arbeid in niet-reguliere vorm en omvang, zou worden geoordeeld dat de aan appellant voorgehouden functies niet aan de onderhavige schatting ten grondslag mogen worden gelegd,</para>
      <para> dat tot een kennelijk onredelijk resultaat leidt, althans tot een resultaat dat in strijd is met hetgeen de regelgever met artikel</para>
      <para> 2 van het Schattingsbesluit heeft beoogd te bereiken, te weten de vaststelling van een reële, op de omstandigheden van</para>
      <para> betrokkene afgestemde resterende verdiencapaciteit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Op grond van bovenstaande overwegingen is de Raad van oordeel dat het hoger beroep geen doel treft, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het hiervoor overwogene acht de Raad geen termen</para>
      <para> aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr J. Janssen als voorzitter en</para>
      <para>mr H. Bolt en mr J.W. Schuttel als leden, in tegenwoordigheid van</para>
      <para>mr M. Schiphorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op</para>
      <para>21 april 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) J. Janssen.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) M. Schiphorst.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>AB</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>