<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8770</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T16:46:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8770</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-05-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">99/3636 AWBZ</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002614&amp;artikel=6&amp;g=2000-05-22">Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten 6</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0008253&amp;artikel=16e&amp;g=2000-05-22">Bijdragebesluit zorg 16e</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 2000, 174</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2000/178</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8770">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8770</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:57:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-10-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8770 Centrale Raad van Beroep , 22-05-2000 / 99/3636 AWBZ</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8770:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8770:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>99/3636 AWBZ</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>In het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A, wonende te B, appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>Onderlinge Waarborgmaatschappij Zorgverzekeraars Trias U.A., gevestigd te Gorinchem, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij facturen van 9 februari 1998 is namens gedaagde aan appellant kennis gegeven</para>
      <para>van het besluit om de maximaal verschuldigde eigen bijdrage als bedoeld in</para>
      <para>artikel 6, derde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) voor</para>
      <para>verleende thuiszorg vast te stellen op f 175,-- per week.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Bij het bestreden besluit van 19 juni 1998 is het bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage heeft bij de aangevallen uitspraak</para>
      <para>van 3 juni 1999 het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard. Naar die</para>
      <para>uitspraak wordt hierbij verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant is mr J.H. Bosveld, sociaal raadsvrouw bij de Algemene</para>
      <para>Nederlandse Gehandicapten Organisatie, op bij aanvullend beroepschrift (met</para>
      <para>bijlagen) aangegeven gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft een verweerschrift en bij brief van 6 januari 2000 desgevraagd</para>
      <para>stukken ingezonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant is bij faxbericht van 30 maart 2000 een nadere toelichting op</para>
      <para>het beroep gegeven. Voorts zijn daarbij nadere stukken ingezonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 10 april 2000, waar voor</para>
      <para>appellant zijn verschenen mr Bosveld voornoemd en C, zijn echtgenote, en waar</para>
      <para>gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr A.M. Blufpand, juridisch</para>
      <para>medewerkster bij Van Wylick en Huntjens bedrijfsjuristen te Lepelstraat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende - tussen partijen niet</para>
      <para>in geschil zijnde - feiten en omstandigheden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant is gehandicapt en als gevolg daarvan zodanig hulpbehoevend dat zijn</para>
      <para>uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op</para>
      <para>de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 15 augustus 1992 zijn</para>
      <para>verhoogd tot 85% van de grondslag. Deze verhoging is toegekend omdat appellant</para>
      <para>volgens het bestuur van de bevoegde bedrijfsvereniging geregelde oppassing en</para>
      <para>verzorging behoeft.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant ontvangt thuishulp via thuiszorginstelling X. De daarvoor</para>
      <para>verschuldigde bijdrage is bij het in rubriek I genoemde, thans bestreden besluit</para>
      <para>van 19 juni 1998 vastgesteld op ten hoogste f 175,-- per week. Gedaagde is</para>
      <para>daarbij uitgegaan van het peiljaar 1995 en een belastbaar inkomen van appellant</para>
      <para>in dat jaar van f 48.929,-- en van zijn echtgenote van f 14.631,--.</para>
      <para>Gelet hierop is gedaagde van oordeel dat appellant voor de vaststelling van de</para>
      <para>eigen bijdrage moet worden ingedeeld in de bijdrageplichtige categorie van f</para>
      <para>61.000,-- tot f 93.000,--.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad dient in dit geding de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit in</para>
      <para>rechte stand houdt. De Raad beantwoordt die vraag, evenals de rechtbank, en</para>
      <para>onder verwijzing naar de overwegingen van de aangevallen uitspraak, bevestigend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat de verhoging van de</para>
      <para>AAW/WAO-uitkering naar 85% van de grondslag buiten beschouwing dient te worden</para>
      <para>gelaten bij de vaststelling van het bijdrageplichtige inkomen aangezien deze</para>
      <para>verhoging bedoeld is als een tegemoetkoming voor allerlei niet of moeilijk</para>
      <para>kwantificeerbare kosten die samenhangen met de hulpbehoevendheid. Wanneer deze</para>
      <para>verhoging leidt tot een hogere eigen bijdrage voor de thuiszorg leidt dit niet</para>
      <para>tot de beoogde toename van het besteedbare inkomen. De gemachtigde van appellant</para>
      <para>heeft naar voren gebracht dat de verhoging van de AAW/WAO-uitkering ertoe leidt</para>
      <para>dat het belastbaar inkomen van appellant meer dan evenredig wordt verhoogd,</para>
      <para>hetgeen naar haar oordeel onder meer wordt veroorzaakt door de omstandigheid dat</para>
      <para>de mogelijkheid om buitengewone lasten via belastingteruggave (gedeeltelijk)</para>
      <para>vergoed te krijgen verminderd is, omdat daarbij uitgegaan moet worden van een</para>
      <para>hoger onzuiver inkomen. Daarnaast is appellant door de verhoging niet langer</para>
      <para>verplicht verzekerd voor ziektekosten en heeft hij een duurdere particuliere</para>
      <para>ziektekostenverzekering moeten afsluiten. Van de verhoging blijft door</para>
      <para>bovenstaande mechanismen slechts een beperkt deel over voor het door appellants</para>
      <para>gemachtigde gestelde eigenlijke doel van de verhoging van de AAW/WAO-uitkering.</para>
      <para>Van dit deel blijft naar haar oordeel echter niets meer over, wanneer, zoals in</para>
      <para>het geval van appellant, de eigen bijdrage thuiszorg in de berekening wordt</para>
      <para>betrokken. Zou de verhoging van de AAW/WAO-uitkering immers niet worden</para>
      <para>betrokken bij de vaststelling van het bijdrageplichtige inkomen dan zou een</para>
      <para>eigen bijdrage van ten hoogste f 58,-- in plaats van f 175,-- per week</para>
      <para>verschuldigd zijn. Aangevoerd is dat dit niet redelijk is en dat niet kan worden</para>
      <para>volgehouden dat deze effecten door de wetgever zijn onderkend en geaccepteerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft aangevoerd dat de eigen bijdrage wordt vastgesteld overeenkomstig</para>
      <para>het Bijdragebesluit Zorg. Blijkens dit besluit dient voor de vaststelling van de</para>
      <para>eigen bijdrage te worden uitgegaan van het belastbaar inkomen als bedoeld in de</para>
      <para>Wet op de Inkomstenbelasting 1964. De in artikel 16e, vierde en vijfde lid, van</para>
      <para>het Bijdragebesluit Zorg bedoelde uitzonderingssituaties doen zich in het geval</para>
      <para>van appellant volgens gedaagde niet voor.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tussen partijen is niet in geschil dat met betrekking tot de in casu</para>
      <para>verschuldigde eigen bijdrage uitgegaan moet worden van het peiljaar 1995. Voorts</para>
      <para>is niet in geschil dat het gezamenlijke belastbaar inkomen van appellant en zijn</para>
      <para>echtgenote in dat jaar meer dan f 61.000,-- bedroeg. Het geschil betreft</para>
      <para>uitsluitend de vraag of gedaagde bij de vaststelling van het inkomen dat de</para>
      <para>hoogte van de eigen bijdrage als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de AWBZ</para>
      <para>bepaalt, mocht uitgaan van het belastbaar inkomen, bedoeld in de Wet op de</para>
      <para>inkomstenbelasting 1964, of dat hij daarop het inkomen genoten ten titel van</para>
      <para>verhoging als bedoeld in artikel 13 van de AAW en artikel 22 van de WAO in</para>
      <para>mindering diende te brengen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad ziet in hetgeen namens appellant is aangevoerd geen aanleiding om aan</para>
      <para>hetgeen imperatief bepaald is in artikel 16e, eerste en tweede lid, van het op</para>
      <para>de AWBZ steunende Bijdragebesluit Zorg voorbij te gaan. Dit artikel schrijft het</para>
      <para>uitvoeringsorgaan voor om het bijdrageplichtig inkomen, behoudens hier niet ter</para>
      <para>zake doende uitzonderingen, vast te stellen overeenkomstig het belastbaar</para>
      <para>inkomen als bedoeld in de Wet op inkomstenbelasting 1964.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad is van oordeel dat niet kan worden gezegd dat het Bijdragebesluit Zorg</para>
      <para>in zoverre de toepassing daarvan inkomenseffecten kan hebben als namens</para>
      <para>appellante aangevoerd, als zodanig strijdig moet worden gevonden met enige regel</para>
      <para>van geschreven of ongeschreven recht. De Raad wijst er in dit verband op dat de</para>
      <para>regering er blijkens de toelichting op artikel 16e van het Bijdragebesluit Zorg</para>
      <para>welbewust voor gekozen heeft de maatstaf van het belastbaar inkomen in te voeren</para>
      <para>en dat de onderlinge afstemming van diverse inkomensafhankelijke regelingen naar</para>
      <para>haar oordeel nog nader dient te worden onderzocht. Hiervan uitgaande kan niet</para>
      <para>worden gezegd dat de regering een regeling heeft vastgesteld die zij, in</para>
      <para>aanmerking genomen de belangen die behoorden te worden meegewogen, in</para>
      <para>redelijkheid niet heeft kunnen vaststellen. De Raad voegt hier nog aan toe dat</para>
      <para>het nadeel dat appellant stelt te ondervinden tengevolge van het hanteren van</para>
      <para>het begrip belastbaar inkomen, niet zozeer worden veroorzaakt door het hanteren</para>
      <para>van dit begrip als zodanig, als wel door de omstandigheid dat het inkomen van</para>
      <para>appellant de gestelde inkomensgrens in relatief geringe mate overschrijdt. Het</para>
      <para>vaststellen van inkomensgrenzen kan de regelgever in een geval als het</para>
      <para>onderhavige, waarin niet blijkt van strijd met enige regel van geschreven of</para>
      <para>ongeschreven recht, echter niet worden ontzegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad is voorts van oordeel dat zich in het onderhavige geval niet de</para>
      <para>bijzondere situatie voordoet waarin de toe-passing van een dwingendrechtelijk</para>
      <para>wettelijk voorschrift zozeer in strijd komt met een algemeen beginsel van</para>
      <para>behoorlijk bestuur of algemeen rechtsbeginsel dat die toepassing om die reden</para>
      <para>niet kan worden toegelaten. De enkele omstandigheid dat het Bijdragebesluit Zorg</para>
      <para>ten aanzien van appellant inkomenseffecten heeft als namens appellant geschetst</para>
      <para>acht de Raad onvoldoende om toepassing van artikel 16e van het Bijdragebesluit</para>
      <para>Zorg ongeoorloofd te achten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand houdt en</para>
      <para>dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de</para>
      <para>Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Beslist wordt als volgt.</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr M.I. ?t Hooft als voorzitter en mr D.J. van der Vos en</para>
      <para>mr R.M. van Male als leden, in tegenwoordigheid van mr S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning</para>
      <para>als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) M.I. 't Hooft.</para>
    <para />
    <para>(get.) S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>JdB</para>
      <para>1105</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>