<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8767</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T18:09:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8767</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AH6996</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-05-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">98/3592 NABW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=51&amp;g=2000-05-02">Algemene bijstandswet 51</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002170&amp;artikel=18&amp;g=2000-05-02">Beroepswet 18</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005416&amp;artikel=164&amp;g=2000-05-02">Gemeentewet 164</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 2000, 136</rdf:li>
          <rdf:li>JABW 2000, 106</rdf:li>
          <rdf:li>JB 2000/205 met annotatie van R.J.N. Schlössels</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2000/170</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8767">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8767</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:57:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-09-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8767 Centrale Raad van Beroep , 02-05-2000 / 98/3592 NABW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8767:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8767:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>98/3592 NABW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, appellant</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>A, wonende te B, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft op bij een beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld</para>
      <para>tegen een door de Arrondissementsrechtbank te Utrecht onder dagtekening 12 maart 1998</para>
      <para>tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft hierop gereageerd</para>
      <para>bij brief van 8 december 1999.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van 21 maart 2000, waar appellant zich heeft</para>
      <para>doen vertegenwoordigen door C.J. van den Bergh, werkzaam bij de gemeente Utrecht.</para>
      <para>Gedaagde is in persoon verschenen, bijgestaan door mr A.E.L.T. Balkema, toen</para>
      <para>advocaat te Utrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde diende op 13 februari 1996 een aanvraag in om algemene bijstand</para>
      <para>krachtens de Algemene bijstandswet (Abw). In verband met deze aanvraag heeft een</para>
      <para>medewerker van de Dienst Welzijn van de gemeente Utrecht op 9 juli 1996 onder</para>
      <para>meer het volgende gerapporteerd:</para>
      <para>"Vermogen/schuld: Betr. heeft een vermogen boven het vrij te laten</para>
      <para>vermogen. Dit vermogen is ontstaan door een lening van de</para>
      <para>informatiseringsbank. Deze schuld ad fl. 10.408,47 is niet direkt opeisbaar.</para>
      <para>Saldo bank/giro afschriften:</para>
      <para>Giro plusrekening ..., d.d. 29-03-1996, saldo       fl.  944,96</para>
      <para>Giro rek.nr. ..., d.d. 29-03-1996, saldo             fl.  118,41</para>
      <para>ABN/AMRO rek.nr. ...., d.d. 20-03-1996, saldo        fl.  568,25</para>
      <para>Rabo,spaar-vrij-rek.nr. ....,d.d.17-03-96,saldo      fl. 4609,41</para>
      <para>Rabo rendementrek.nr. ....,d.d.11-01-1996, saldo     fl. 9878,40</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Totaal                                               fl.16119,43</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Beoordeling ingangsdatum bijstand:</para>
      <para>Het vrij te laten vermogen voor een alleenstaande is volgens art. 54 NABW</para>
      <para>vastgesteld op fl. 8600,00. Betr. heeft een vermogen boven het vrij te</para>
      <para>laten vermogen van fl. 7519,43.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Volgens het gemeentelijk beleid dient dit vermogen eerst verbruikt te</para>
      <para>worden waarbij betr. anderhalf x de voor haar geldende bijstandsnorm</para>
      <para>incl. VT = 20% toeslag per maand mag besteden. Omgerekend mag zij fl.</para>
      <para>1963,87 p.m. aan levensonderhoud besteden en zij komst (komt) dan pas</para>
      <para>m.i.v. 13-06-1996 in aanmerking voor bijstand.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vervolgens heeft appellant bij besluit van 8 augustus 1996 aan gedaagde met</para>
      <para>ingang van 13 juni 1996 een uitkering krachtens de Abw toegekend naar de norm</para>
      <para>voor een alleenstaande van 21 jaar of ouder, vermeerderd met een toeslag van</para>
      <para>20%. Appellant voegde hieraan toe dat gedaagde, gelet op de hoogte van haar</para>
      <para>vermogen, vóór 13 juni 1996 geen recht op bijstand had.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De door gedaagde tegen dit besluit ingediende bezwaren zijn bij besluit van 8</para>
      <para>november 1996 in zoverre gegrond verklaard, dat de ingangsdatum van de uitkering</para>
      <para>alsnog is gesteld op 24 mei 1996. Hierbij heeft appellant overwogen dat bij het</para>
      <para>nemen van het primaire besluit ten onrechte een onjuiste vermogensgrens als</para>
      <para>bedoeld in artikel 54 van de Abw in aanmerking is genomen.</para>
      <para>Appellant bleef echter van oordeel dat gedaagdes schuld aan de Informatie Beheer</para>
      <para>Groep ter hoogte van f 10.380,89 terecht buiten beschouwing is gelaten aangezien</para>
      <para>niet vaststaat dat gedaagde daadwerkelijk verplicht is deze schuld terug te betalen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door gedaagde tegen het</para>
      <para>besluit van 8 november 1996 ingestelde beroep gegrond verklaard en dit besluit</para>
      <para>vernietigd. De rechtbank oordeelde dat de wetgever met de invoering per 1</para>
      <para>januari 1996 van artikel 51 van de Abw heeft beoogd een wijziging van de</para>
      <para>gevormde jurisprudentie inzake de vermogensvaststelling door te voeren. Daartoe</para>
      <para>heeft de rechtbank overwogen dat, gelet op enkele door medewerkers van het</para>
      <para>Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: SZW) hierover gedane</para>
      <para>mededelingen, SZW kennelijk het standpunt inneemt dat bij de</para>
      <para>vermogensvaststelling rekening dient te worden gehouden met studieschulden</para>
      <para>ingevolge de Wet op de Studiefinanciering (WSF).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant bestrijdt dit oordeel en stelt zich op het standpunt dat ook onder de</para>
      <para>werking van de Abw schulden slechts in aanmerking kunnen worden genomen indien</para>
      <para>een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling bestaat. Daarvan is naar het</para>
      <para>oordeel van appellant bij een studieschuld als de onderhavige geen sprake</para>
      <para>aangezien - kort samengevat - deze schuld wordt kwijtgescholden als de</para>
      <para>draagkracht 15 jaar lang ontoereikend is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gemachtigde van gedaagde heeft in het verweerschrift in de eerste plaats</para>
      <para>aangevoerd dat het hoger beroep van appellant, gelet op artikel 164, vierde lid,</para>
      <para>van de Gemeentewet, geacht moet worden te zijn ingetrokken, omdat de</para>
      <para>gemeenteraad van Utrecht dit niet heeft bekrachtigd. De Raad deelt dit standpunt</para>
      <para>niet en overweegt daartoe het volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet kunnen - voorzover van</para>
      <para>belang - een belanghebbende en het bestuursorgaan bij de Raad hoger beroep</para>
      <para>instellen tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in afdeling 8.2.6 van</para>
      <para>de Algemene wet bestuursrecht (Awb) inzake een besluit, genomen op grond van een</para>
      <para>wettelijk voorschrift dat is opgenomen in de bijlage die bij deze wet behoort.</para>
      <para>In de bijlage bij de Beroepswet wordt onder C 25 onder meer de Abw genoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de tekst en de parlementaire geschiedenis van deze wet blijkt dat de</para>
      <para>wetgever het primaat van de uitvoering van de Abw heeft willen leggen bij</para>
      <para>burgemeester en wethouders van de gemeente als bedoeld in artikel 63 van de Abw.</para>
      <para>Gelet hierop en op artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet is de Raad dan ook</para>
      <para>van oordeel dat de omstandigheid dat de gemeenteraad van Utrecht het hoger</para>
      <para>beroep niet in zijn eerstvolgende vergadering na het instellen daarvan heeft</para>
      <para>bekrachtigd, niet in de weg staat aan de ontvankelijkheid van dit hoger beroep.</para>
      <para>Ook overigens ziet de Raad geen beletselen om appellant in zijn hoger beroep te ontvangen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot hetgeen partijen ten gronde verdeeld houdt, overweegt de Raad</para>
      <para>het volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 51, eerste lid aanhef en onder a, van de Abw wordt onder</para>
      <para>vermogen verstaan de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het</para>
      <para>gezin bij de aanvang van de bijstandsverlening beschikt of redelijkerwijs kan</para>
      <para>beschikken, verminderd met de op dat tijdstip aanwezige schulden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In zijn uitspraak van 7 maart 2000, nummer 98/3752 NABW, heeft de Raad reeds tot</para>
      <para>uitdrukking gebracht dat er mede gezien de parlementaire geschiedenis van</para>
      <para>artikel 51 van de Abw geen aanleiding bestaat om de op grond van de oude ABW</para>
      <para>ontwikkelde jurisprudentie, in zoverre het gaat om het in aanmerking nemen van</para>
      <para>schulden bij de vaststelling van de omvang van een vermogen bij de aanvang van</para>
      <para>de bijstandsverlening, niet tot richtsnoer te nemen bij de toepassing van deze bepaling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit houdt in dat voor de toepassing van dat voorschrift met schulden eerst dan</para>
      <para>rekening kan worden gehouden, indien het bestaan daarvan in voldoende mate</para>
      <para>aannemelijk is geworden en voorts is komen vast te staan dat aan die schuld</para>
      <para>daadwerkelijk een verplichting tot terugbetaling is verbonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het kader van de WSF is de verplichting tot aflossing door de debiteur</para>
      <para>gedurende de zogeheten aflosfase mede afhankelijk van diens draagkracht uit</para>
      <para>inkomen, waarbij nihilstelling mogelijk is, en de schuld in elk geval tenietgaat</para>
      <para>bij het einde van de aflosfase.</para>
      <para>Of aan de studieschuld van gedaagde daadwerkelijk een verplichting tot</para>
      <para>terugbetaling is verbonden, stond derhalve ten tijde in geding nog onvoldoende vast.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de Raad, anders dan de rechtbank, dan</para>
      <para>ook van oordeel dat appellant bij de vaststelling van het vermogen van gedaagde</para>
      <para>terecht de studieschuld van betrokkene buiten beschouwing heeft gelaten.</para>
      <para>De Raad merkt in dit verband nog op, dat de omstandigheid dat enkele medewerkers</para>
      <para>van SZW als hun mening kenbaar hebben gemaakt dat studieschulden mogen worden</para>
      <para>gesaldeerd met het vermogen, aan het vorenstaande niet afdoet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen komt de aangevallen uitspraak voor</para>
      <para>vernietiging in aanmerking.</para>
      <para>Hierin ligt tevens besloten dat het beroep van gedaagde tegen het bestreden</para>
      <para>besluit van 8 november 1996 alsnog ongegrond moet worden verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het</para>
      <para>bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>Verklaart het beroep van gedaagde tegen het besluit van appellant van 8 november</para>
      <para>1996 alsnog ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr J.G. Treffers als voorzitter en mr G.A.J. van den Hurk en</para>
      <para>mr drs N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van mr P.C. de</para>
      <para>Wit als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) J.G. Treffers.</para>
    <para />
    <para>(get.) P.C. de Wit.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>HL</para>
      <para>105</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>