<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8765</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T18:09:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8765</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-04-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">98/5948 NABW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=17&amp;g=2000-04-25">Algemene bijstandswet 17</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=39&amp;g=2000-04-25">Algemene bijstandswet 39</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=7:12&amp;g=2000-04-25">Algemene wet bestuursrecht 7:12</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:75&amp;g=2000-04-25">Algemene wet bestuursrecht 8:75</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 2000, 135</rdf:li>
          <rdf:li>JABW 2000, 108</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2000/168</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8765">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8765</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:57:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-01-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8765 Centrale Raad van Beroep , 25-04-2000 / 98/5948 NABW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8765:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8765:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>98/5948 NABW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A, wonende te B, appellante,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Raalte, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant heeft mr M.J.P. Heijmans, advocaat te Utrecht, op bij het</para>
      <para>beroepschrift (met bijlagen) aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een</para>
      <para>door de Arrondissementsrechtbank te Zwolle onder dagtekening 29 juli 1998</para>
      <para>gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met een brief van 22 oktober 1999 heeft mr Heijmans voornoemd ter aanvulling van</para>
      <para>het beroepschrift nog stukken ingezonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 23 december 1999 (met bijlagen) heeft mr Heijmans op verzoek</para>
      <para>vanwege de Raad bepaalde inlichtingen verstrekt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft bij brief van 11 februari 2000 enkele stukken betreffende de</para>
      <para>ontwikkeling van de bijstandsverlening aan appellante aan de Raad doen toekomen.</para>
      <para>Op 3 maart 2000 heeft mr Heijmans een nader stuk in geding gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting op 14 maart 2000, waar appellante is</para>
      <para>verschenen bij haar gemachtigde mr Heijmans en waar gedaagde zich heeft doen</para>
      <para>vertegenwoordigen door mr W.H. Bergmeester, werkzaam bij de gemeente Raalte. Aan</para>
      <para>de kant van appellante was voorts aanwezig A.G. Kieftenbeld, wonende te Gouda,</para>
      <para>mentor van appellante, en is als deskundige meegebracht dr mr K. Blankman,</para>
      <para>verbonden aan de Vrije Universiteit te Amsterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad ontleent aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting de volgende</para>
      <para>feiten en omstandigheden die hij als vaststaande aanneemt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter te Deventer heeft bij beschikking van 29 mei 1996, gezien het</para>
      <para>op die datum ingediende verzoekschrift van appellante, over haar het mentorschap</para>
      <para>als bedoeld in artikel 1:450 van het Burgerlijk Wetboek (BW) ingesteld en voorts</para>
      <para>met inachtneming van artikel 1:452 van het BW A.G. Kieftenbeld voornoemd benoemd</para>
      <para>tot mentor. Kieftenbeld is als zogenoemd professioneel mentor werkzaam.</para>
      <para>Appellante heeft op 31 oktober 1996 bij gedaagde een aanvraag ingediend om</para>
      <para>toekenning van bijzondere bijstand ter zake van de kosten van het over haar</para>
      <para>ingestelde mentorschap; hierbij zijn tijdsinvesterings- en reiskosten alsook</para>
      <para>andersoortige kosten van Kieftenbeld ingebracht tot het bedrag van f 3.330,-- over</para>
      <para>de periode van 28 april 1996 tot 1 augustus 1996 en van f 6.015,-- over de</para>
      <para>periode van 1 augustus 1996 tot 1 augustus 1997.</para>
      <para>Gedaagde heeft bij een besluit van 9 juni 1997 de aanvraag van appellante</para>
      <para>afgewezen op gronden, ontleend aan artikel 17, eerste lid, van de Algemene</para>
      <para>bijstandswet (Abw); overwogen is dat er voor appellante met betrekking tot het</para>
      <para>mentorschap naar aard en doel een toereikende en passende voorliggende</para>
      <para>voorziening bestaat (onder andere) in de vorm van het algemeen maatschappellijk werk.</para>
      <para>Het bezwaar dat appellante tegen voormeld besluit liet indienen, heeft gedaagde</para>
      <para>bij besluit van 16 oktober 1997 ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep dat Kieftenbeld</para>
      <para>namens appellante heeft ingesteld tegen het besluit van 16 oktober 1997,</para>
      <para>ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank - kort samengevat - geoordeeld</para>
      <para>dat, indien ervan wordt uitgegaan dat appellante behoefte heeft aan</para>
      <para>ondersteuning zoals door een mentor kan worden gegeven, artikel 17, eerste lid,</para>
      <para>van de Abw aan honorering van de aanvraag van appellante in de weg staat zoals</para>
      <para>gedaagde heeft beslist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Met dat oordeel kan appellante zich in hoger beroep niet verenigen.</para>
    <para />
    <para>De Raad overweegt als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Abw bestaat geen recht op bijstand voor</para>
      <para>zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien</para>
      <para>haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In artikel 1:450, eerste lid, van het BW is bepaald dat, indien een meerderjarige als</para>
      <para>gevolg van zijn geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is</para>
      <para>of bemoeilijkt wordt zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk</para>
      <para>waar te nemen, de kantonrechter, die daartoe bevoegd is volgens het vierde lid van dat</para>
      <para>artikel, te zijnen behoeve een mentorschap kan instellen.</para>
      <para>Artikel 1:452, eerste lid, van het BW houdt in dat de rechter die het mentorschap instelt,</para>
      <para>daarbij of zo spoedig mogelijk daarna een mentor benoemt. Verder is in dit artikellid</para>
      <para>voorgeschreven dat de rechter zich vergewist van de bereidheid en zich een oordeel vormt</para>
      <para>over de geschiktheid van de tot mentor te benoemen persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad stelt vast dat de ter zake bevoegde kantonrechter bij de al genoemde</para>
      <para>beschikking van 29 mei 1996 op grond van artikel 1:450, eerste lid, van het BW</para>
      <para>ten behoeve van appellante een mentorschap heeft ingesteld en tevens op grond</para>
      <para>van artikel 1:452, eerste lid, van het BW Kieftenbeld tot mentor heeft benoemd.</para>
      <para>Deze beschikking heeft formele rechtskracht verkregen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad is van oordeel dat gedaagde onder deze omstandigheden in het kader van</para>
      <para>de toepassing van de Abw ten aanzien van appellante aan de zojuist genoemde</para>
      <para>rechterlijke beschikking gebonden is. Het stond gedaagde dan ook niet vrij te</para>
      <para>treden in de afwegingen die de rechter in het kader van de toepassing van de</para>
      <para>artikelen 1:450, eerste lid, en 1:452, eerste lid, van het BW heeft dan wel</para>
      <para>geacht moet worden te hebben gemaakt. Evenmin was gedaagde gerechtigd ter</para>
      <para>beoordeling van de aanvraag van appellante het standpunt in te nemen dat het</para>
      <para>instellen van het mentorschap ten behoeve van appellante niet nodig was en dat</para>
      <para>uit oogpunt van toepassing van de Abw in plaats van Kieftenbeld even goed een</para>
      <para>andere persoon als mentor ten behoeve van appellante kan optreden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad kan bij het licht van het voorgaande en lettende op de specifieke</para>
      <para>regeling van het mentorschap ten behoeve van meerderjarigen in het BW, niet</para>
      <para>inzien dat er voor appellante, die ten tijde in dit geding van belang in de</para>
      <para>omstandigheden als bedoeld in artikel 1:450, eerste lid, van het BW verkeert,</para>
      <para>enige andere, naar aard en doel, toereikende en passende voorziening bestaat die</para>
      <para>strekt tot het behoorlijk waarnemen van haar belangen van</para>
      <para>niet-vermogensrechtelijke aard dan juist het ten behoeve van haar ingestelde</para>
      <para>mentorschap met Kieftenbeld als haar mentor. Anders dan gedaagde en de rechtbank</para>
      <para>acht de Raad een voorliggende voorziening in de zin van artikel 17, eerste lid,</para>
      <para>van de Abw in casu dan ook niet aanwezig.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit brengt de Raad tot de conclusie dat het bestreden besluit een deugdelijke</para>
      <para>motivering mist en daarom strijdt met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene</para>
      <para>wet bestuursrecht (Awb). Met inachtneming hiervan dient dat besluit te worden</para>
      <para>vernietigd. Ook de aangevallen uitspraak kan geen standhouden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad ziet vervolgens aanleiding om na te gaan of met toepassing van het</para>
      <para>bepaalde in artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het te</para>
      <para>vernietigen bestreden besluit al dan niet in stand kunnen blijven.</para>
      <para>Hiertoe laat de Raad het volgende gelden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van artikel 39, eerste lid, van de Abw - voor zover hier van belang -</para>
      <para>heeft de alleenstaande recht op bijzondere bijstand voorzover deze niet beschikt</para>
      <para>over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden</para>
      <para>voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het</para>
      <para>oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de</para>
      <para>bijstandsnorm en de aanwezige draagkracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad is van opvatting dat kosten die voor appellante naar aard en strekking</para>
      <para>onlosmakelijk verbonden zijn aan het ten behoeve van haar ingestelde</para>
      <para>mentorschap, waaronder begrepen de kosten die de mentor bij de vervulling van</para>
      <para>zijn taak noodzakelijkerwijze maakt en in rekening brengt, althans in beginsel</para>
      <para>noodzakelijke kosten van het bestaan van appellante in de zojuist bedoelde zin</para>
      <para>zijn die als zodanig tot het verlenen van bijzondere bijstand aanleiding kunnen</para>
      <para>geven. Hierbij stipt de Raad aan dat gedaagde bij het beoordelen of in casu</para>
      <para>aanspraak op bijzondere bijstand bestaat, een eigen verantwoordelijkheid heeft.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zoals reeds is vermeld heeft de aanvraag van appellante betrekking op kosten die</para>
      <para>Kieftenbeld heeft gedeclareerd over de periode van 28 april 1996 tot 1 augustus 1997.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 1:452, zevende lid, van het BW vangt de taak van de mentor aan</para>
      <para>daags nadat de beschikking, houdende de benoeming, is verstrekt of verzonden,</para>
      <para>tenzij de beschikking een later tijdstip vermeldt.</para>
      <para>Volgens artikel 1:460, eerste lid, van het BW mag de mentor de bij de vervulling</para>
      <para>van zijn taak noodzakelijk gemaakte kosten aan de betrokkene in rekening brengen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aangezien de Raad ervan uit gaat dat de beschikking van 29 mei 1996 ook op deze</para>
      <para>datum is verstrekt en zij niet een later tijdstip van de benoeming vermeldt, leidt hij uit</para>
      <para>de zojuist genoemde wettelijke voorschriften in onderling verband af dat Kieftenbeld</para>
      <para>geen kosten uit hoofde van mentorschap ten laste van appellante kan declareren die</para>
      <para>gevallen zijn in de periode van 28 april 1996 tot en met 29 mei 1996. Over deze periode</para>
      <para>zijn dan ook geen kosten aanwezig waarvoor appellante jegens gedaagde met vrucht</para>
      <para>een beroep kan doen op artikel 39, eerste lid, van de Abw.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de parlementaire geschiedenis van artikel 1:460 van het BW leidt de Raad af</para>
      <para>dat het hiervoren genoemde eerste lid betrekking heeft op alle bij de vervulling</para>
      <para>van de mentortaak noodzakelijk gemaakte kosten behoudens kosten in de vorm van</para>
      <para>beloning. Immers, ter zake van die kosten is in het tweede lid van artikel 1:460</para>
      <para>bepaald dat de rechter aan de mentor ten laste van de betrokkene een beloning</para>
      <para>kan toekennen indien hij zulks redelijk acht, de financiële draagkracht van</para>
      <para>betrokkene in aanmerking genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit laatste is van belang aangezien, naar het oordeel van de Raad, de bij de</para>
      <para>aanvraag ingebrachte kosten van tijdsinvestering het karakter hebben van</para>
      <para>beloning in de zin van artikel 1:460, tweede lid, van het BW.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad nu moet - evenals de rechtbank - vaststellen dat ten tijde in dit geding</para>
      <para>van belang een rechterlijke beslissing als bedoeld in artikel 1:460, tweede lid,</para>
      <para>van het BW ten aanzien van Kieftenbeld en appellante ontbreekt.</para>
      <para>Blijkens de gedingstukken heeft Kieftenbeld zich eerst op 4 juni 1998 tot de</para>
      <para>kantonrechter te Gouda gericht teneinde een machtiging, strekkende tot het</para>
      <para>declareren van onder andere tijdsinvesteringskosten over de periode van</para>
      <para>28 april 1996 tot 1 januari 1998, te verkrijgen en heeft de kantonrechter deze</para>
      <para>machtiging verleend bij beschikking van 18 juni 1998. Met deze beschikking kan</para>
      <para>echter in deze procedure, waarin ten gronde gedaagdes besluit van 16 oktober</para>
      <para>1997 aan de orde is, geen rekening worden gehouden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit brengt mee dat de onderhavige kosten van tijdsinvestering niet aan</para>
      <para>appellante in rekening mochten worden gebracht. Deze kosten leveren derhalve óók</para>
      <para>voorzover zij door Kieftenbeld in de periode van 30 mei 1996 tot 1 augustus 1997</para>
      <para>zijn gemaakt in casu voor appellante geen noodzakelijke kosten van het bestaan</para>
      <para>op die op grond van artikel 39, eerste lid, van de Abw voor het verlenen van</para>
      <para>bijzondere bijstand vatbaar zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Anders is dit naar het inzicht van de Raad ter zake van de appellante in</para>
      <para>rekening gebrachte reiskosten en forfaitaire kosten, voorzover toe te rekenen</para>
      <para>aan het tijdvak van 30 mei 1996 tot 1 augustus 1997. Appellante zal dan ook</para>
      <para>aanspraak kunnen maken op bijzondere bijstand ter zake van de hierbedoelde</para>
      <para>kosten, althans voorzover de bepalingen bij en krachtens de Abw zich daartegen</para>
      <para>overigens niet verzetten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat er geen aanleiding bestaat de</para>
      <para>rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit geheel of gedeeltelijk</para>
      <para>in stand te laten. Gedaagde zal dan ook opdracht gegeven worden opnieuw op het</para>
      <para>bezwaarschrift van appellante, gericht tegen het besluit van 9 juni 1997, te</para>
      <para>beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Het ligt</para>
      <para>in dat kader op de weg van gedaagde bij het licht van 's Raads uitspraak mede</para>
      <para>acht te slaan op de al genoemde beschikking van de kantonrechter te Gouda van 18 juni 1998.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad ziet, ten slotte, termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de</para>
      <para>Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante. Hierbij tekent de</para>
      <para>Raad aan dat ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit</para>
      <para>proceskosten bestuursrecht een veroordeling in de kosten als bedoeld in genoemd</para>
      <para>artikel 8:75 uitsluitend betrekking kan hebben op kosten van door een derde</para>
      <para>beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Een dergelijke vorm van rechtsbijstand is</para>
      <para>appellante in hoger beroep verleend. De hieraan verbonden kosten begroot de Raad</para>
      <para>op f 1.775,--, waarbij de schriftelijke inlichtingen die mr Heijmans op 23</para>
      <para>december 1999 heeft verstrekt mede in aanmerking zijn genomen. De rechtsbijstand</para>
      <para>die Kieftenbeld in beroep aan appelante heeft verleend kan niet in deze</para>
      <para>kostenveroordeling worden betrokken, aangezien de Raad niet kan aanvaarden dat</para>
      <para>Kieftenbeld beroepsmatig rechtsbijstand verleent.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad beslist als volgt.</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>Verklaart het inleidende beroep alsnog gegrond;</para>
      <para>Vernietigt het bestreden besluit;</para>
      <para>Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van</para>
      <para>deze uitspraak;</para>
      <para>Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een</para>
      <para>bedrag groot f 1.775,--, te betalen door de gemeente Raalte;</para>
      <para>Gelast de gemeente Raalte aan appellante het gestorte recht van f 55,-- in</para>
      <para>beroep en f 160,-- in hoger beroep (totaal f 215,--) te vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr J.G. Treffers als voorzitter en mr drs N.J. van Vulpen-Grootjans en</para>
      <para>prof. mr F.A.M. Stroink als leden, in tegenwoordigheid van I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg</para>
      <para>als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 april 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) J.G. Trefffers.</para>
    <para />
    <para>(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>HL</para>
      <para>2104</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>