<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8760</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-04T20:19:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8760</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-05-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">97/5765 AAW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2000/143</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8760">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8760</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:57:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-10-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8760 Centrale Raad van Beroep , 03-05-2000 / 97/5765 AAW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8760:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8760:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>97/5765 AAW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A, wonende te B, appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in</para>
      <para>werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale</para>
      <para>verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv)</para>
      <para>in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is</para>
      <para>het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor de Hout- en</para>
      <para>Meubelindustrie en Groothandel in Hout. In deze uitspraak wordt onder gedaagde</para>
      <para>mede verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 19 januari 1995 heeft gedaagde de uitkering van appellant op</para>
      <para>grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) met ingang van 11 maart</para>
      <para>1995 ingetrokken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te Utrecht heeft bij uitspraak van 13 juni 1997 het</para>
      <para>door appellant tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld op bij aanvullend</para>
      <para>beroepschrift van 1 oktober 1997 aangevoerde gronden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Gedaagde heeft een verweerschrift (met bijlage) ingediend.</para>
    <para />
    <para>Bij brief van 10 november 1997 heeft gedaagde nog een stuk toegezonden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 13 januari 2000 heeft gedaagde desgevraagd nog inlichtingen</para>
      <para>verstrekt en stukken overgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 18 februari 2000 heeft appellant de beroepsgronden nader aangevuld</para>
      <para>en stukken overgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 5 april 2000, waar</para>
      <para>appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr G.T. de Jong, advocaat te</para>
      <para>Utrecht, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr J. de Maar,</para>
      <para>werkzaam bij Gak Nederland B.V. Voorts is op verzoek van appellant als getuige</para>
      <para>gehoord C, vader van appellant.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant was werkzaam als zelfstandig (woning)stoffeerder. Op 4 januari 1993</para>
      <para>heeft hij zijn werk gestaakt wegens narcolepsie.</para>
      <para>Gelet hierop is hem met ingang van 3 januari 1994 een uitkering op grond van de</para>
      <para>AAW toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het bestreden besluit van 19 januari 1995 is deze uitkering met ingang van</para>
      <para>11 maart 1995 ingetrokken omdat appellant per deze datum minder dan 25%</para>
      <para>arbeidsongeschikt werd geacht in de zin van de AAW.</para>
      <para>Dit besluit is genomen nadat de verzekeringsgeneeskundige G.E.M. Kloeg op 7 juni</para>
      <para>1994 en 18 juli 1994 rapporten ten aanzien van appellant had opgesteld en op 3</para>
      <para>november 1994 een belastbaarheidspatroon had opgesteld. Met inachtneming hiervan</para>
      <para>heeft de arbeidsdeskundige blijkens zijn rapport van 7 november 1994 een vijftal</para>
      <para>functies voor appellant geselecteerd waarvan het mediaanloon in vergelijking met</para>
      <para>het maatmaninkomen op een zodanig niveau lag dat niet meer gesproken kon worden</para>
      <para>van een verlies aan verdiencapaciteit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op verzoek van de rechtbank heeft de neuroloog R.M. Boone een onderzoek</para>
      <para>ingesteld. In zijn terzake uitgebrachte rapport van 6 december 1996 heeft deze</para>
      <para>deskundige als zijn oordeel gegeven dat de appellant voorgehouden functies uit</para>
      <para>medisch oogpunt geen bezwaren ontmoeten. Ook met de beperkingen zoals opgenomen</para>
      <para>in het belastbaarheidspatroon kon hij zich verenigen. Bij schrijven van 11 maart</para>
      <para>1997 heeft deze deskundige zijn standpunt nog toegelicht.</para>
      <para>De rechtbank heeft de deskundige in zijn oordeel gevolgd en het beroep van</para>
      <para>appellant ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad overweegt dat uit het rapport van de deskundige Boone niet anders kan</para>
      <para>blijken dan dat deze zich zorgvuldig op de hoogte heeft gesteld van de situatie</para>
      <para>van appellant. In zijn rapport heeft hij vermeld dat appellant in maart 1995</para>
      <para>twee maal per dag met een onbedwingbare slaap had te kampen die vijf tot</para>
      <para>vijftien minuten duurde, soms ook wel een half uur. Dit wijkt niet wezenlijk af</para>
      <para>van de mededelingen van appellant ter zitting, inhoudende dat hij indertijd twee</para>
      <para>à drie maal per dag een slaapaanval had welke vijf à twintig minuten duurde.</para>
      <para>Voorts maakt de deskundige melding van het feit dat het geneesmiddel ritanserin</para>
      <para>bij appellant een gunstiger resultaat had dan andere geneesmiddelen, maar dat</para>
      <para>dit middel in januari 1996 uit de handel werd genomen. Boone heeft ook</para>
      <para>inlichtingen gevraagd bij de behandelend artsen van appellant.</para>
      <para>Mede gelet op het vorenstaande acht de Raad geen grond aanwezig om te oordelen</para>
      <para>dat de verzekeringsgeneeskundige en de deskundige Boone, die zich achter de</para>
      <para>bevindingen van die arts heeft geplaatst, zich een onjuist beeld hebben gevormd</para>
      <para>omtrent de bij appellant bestaande medische beperkingen.</para>
      <para>Daarbij wijst de Raad er nog op dat de behandelend specialist prof. dr H.A.C.</para>
      <para>Kamphuisen op 1 april 1993 heeft verklaard geen reden te zien voor</para>
      <para>arbeidsongeschiktheid. Overigens is ook niet geheel zonder belang dat op de</para>
      <para>datum in geding het medicijn ritanserin nog verkrijgbaar was en dat niet is</para>
      <para>gebleken dat gedaagde er ten tijde van het nemen van het bestreden besluit van</para>
      <para>diende uit te gaan dat aan deze beschikbaarheid binnen afzienbare tijd een einde zou komen.</para>
      <para>Appellant heeft geen medische gegevens overgelegd die in genoemd oordeel van de</para>
      <para>Raad verandering zouden kunnen brengen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wat betreft de functie van inpakker heeft gedaagde zich nader op het standpunt</para>
      <para>gesteld dat deze functie wegens het daarin vereiste dwingende werktempo voor</para>
      <para>appellant niet geschikt is. Het vervallen van deze functie is echter niet van</para>
      <para>invloed op de arbeids(on)geschiktheid van appellant. De Raad acht, gelet ook op</para>
      <para>het oordeel van de deskundige Boone en op de omstandigheid dat bij de resterende</para>
      <para>functies geen sprake is van een dwingend werktempo, geen reden aanwezig ook de</para>
      <para>overige geduide functies als niet geschikt te beschouwen voor appellant.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gezien de uit het voorgaande blijkende vrij beperkte frequentie en de vrij</para>
      <para>beperkte duur van de slaapaanvallen van appellant en gelet ook op de aard en</para>
      <para>inhoud van de geduide functies, acht de Raad geen plaats aanwezig voor het</para>
      <para>oordeel dat van een werkgever in redelijkheid niet kan worden verlangd appellant</para>
      <para>in de hem voorgehouden functies te werk te stellen, als bedoeld in artikel 2,</para>
      <para>onder e, van het Schattingsbesluit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vorenstaande brengt mee dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in</para>
      <para>aanmerking komt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in</para>
      <para>artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr N.J. Haverkamp als voorzitter en mr T.L. de Vries en</para>
      <para>mr J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten</para>
      <para>als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) N.J. Haverkamp.</para>
    <para />
    <para>(get.) J.J.B. van der Putten.</para>
    <para />
    <para>IS</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>