<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8757</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-04T20:19:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8757</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-04-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">97/10734 AAW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:75&amp;g=2000-04-25">Algemene wet bestuursrecht 8:75</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:75a&amp;g=2000-04-25">Algemene wet bestuursrecht 8:75a</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2000/161</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8757">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8757</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:57:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2006-01-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8757 Centrale Raad van Beroep , 25-04-2000 / 97/10734 AAW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8757:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Nu de procedure is gewonnen worden er in verband met de "no cure no pay"-overeenkomst die appellant met zijn rechtshulpverlener heeft afgesloten proceskosten gemaakt.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8757:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>97/10734 AAW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A, wonende te B, appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale</para>
      <para>verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de</para>
      <para>Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt</para>
      <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats</para>
      <para>van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is</para>
      <para>het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor de</para>
      <para>Bouwnijverheid. In deze uitspraak wordt onder gedaagde mede</para>
      <para>verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft gedaagde bij brief van 28 mei 1996 verzocht de</para>
      <para>opschorting van de uitkering ingevolge de Algemene</para>
      <para>Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) te beëindigen en de uitkering</para>
      <para>onverwijld te hervatten. Tegen het uitblijven van een reactie op</para>
      <para>dit verzoek is namens appellant bij brief van 27 augustus 1996</para>
      <para>beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nadat gedaagde alsnog aan het verzoek van appellant was</para>
      <para>tegemoetgekomen, is namens appellant bij brief van</para>
      <para>26 november 1996 aan de rechtbank verzocht gedaagde ingevolge het</para>
      <para>bepaalde in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)</para>
      <para>te veroordelen in de proceskosten van appellant.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij uitspraak van 4 december 1996 heeft de rechtbank te</para>
      <para>'s-Hertogenbosch het beroep, onder toepassing van</para>
      <para>artikel 8:54 Awb, niet-ontvankelijk verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Appellant heeft tegen die uitspraak verzet gedaan.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij uitspraak van 29 januari 1997 heeft de rechtbank het verzet</para>
      <para>gegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij uitspraak van 17 oktober 1997 heeft de rechtbank te</para>
      <para>'s-Hertogenbosch het verzoek om een proceskostenveroordeling</para>
      <para>afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant is J.A.J. Vervest op bij beroepschrift</para>
      <para>aangegeven gronden van deze uitspraak in hoger beroep gekomen.</para>
      <para>Tezamen met het beroepschrift is een tweetal nadere stukken</para>
      <para>ingezonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>J.A.J. Vervest voornoemd, heeft namens appellant vragen</para>
      <para>beantwoord.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant zijn nog nadere stukken ingezonden. Ook gedaagde</para>
      <para>heeft nog een nader stuk ingezonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 28</para>
      <para>maart 2000, waar partijen niet zijn verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 1 mei 1996 heeft gedaagde de uitkering ingevolge</para>
      <para>de AAW van appellant met ingang van 1 mei 1996 geschorst. Bij</para>
      <para>brief van 28 mei 1996 is gedaagde namens appellant verzocht de</para>
      <para>opschorting van de AAW-uitkering te beëindigen en de uitkering</para>
      <para>onverwijld te hervatten. Tegen het uitblijven van een reactie</para>
      <para>zijdens gedaagde is namens appellant bij brief van 27 augustus</para>
      <para>1996 beroep ingesteld. Bij schrijven van 26 november 1996 is</para>
      <para>namens appellant aan de rechtbank bericht dat gedaagde tot</para>
      <para>verrekening en uitkering is overgegaan, zodat de grond tot</para>
      <para>procederen is komen te vervallen. Namens appellant is verzocht</para>
      <para>gedaagde ingevolge het bepaalde in artikel 8:75a van de Awb te</para>
      <para>veroordelen in de proceskosten van appellant.</para>
      <para>Bij uitspraak van 4 december 1996 heeft de rechtbank dit beroep</para>
      <para>(kennelijk) niet-ontvankelijk verklaard, omdat het griffierecht</para>
      <para>door appellant niet tijdig was gestort. Bij uitspraak van 29</para>
      <para>januari 1997 is het hiertegen door appellant ingestelde verzet</para>
      <para>gegrond verklaard, waarna het onderzoek is voortgezet in de stand</para>
      <para>waarin het zich bevond.</para>
      <para>Bij de in rubriek I genoemde uitspraak van 17 oktober 1997 heeft</para>
      <para>de rechtbank het verzoek van appellant om gedaagde op grond van</para>
      <para>artikel 8:75a van de Awb te veroordelen in de proceskosten,</para>
      <para>afgewezen. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat zij het</para>
      <para>mogelijk achtte dat de door de gemachtigde in de onderhavige zaak</para>
      <para>verrichte werkzaamheden te beschouwen zijn als beroepsmatig</para>
      <para>verleende bijstand in de zin van artikel 1 van het Besluit</para>
      <para>proceskosten bestuursrecht (Bpb), maar dat naar haar oordeel niet</para>
      <para>is komen vast te staan dat appellant voor de behandeling van het</para>
      <para>beroep bij de rechtbank kosten voor rechtsbijstand heeft moeten</para>
      <para>maken. Volgens de rechtbank zou er bij de door appellant gestelde</para>
      <para>'no cure no pay'-overeenkomst weliswaar sprake zijn van kosten</para>
      <para>in de zin van artikel 8:75 van de Awb, maar een (afschrift van</para>
      <para>een) dergelijke overeenkomst is niet in het geding gebracht en</para>
      <para>een dergelijke overeenkomst is van de zijde van appellant ook</para>
      <para>niet anderszins aannemelijk gemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of de</para>
      <para>afwijzing door de rechtbank van het verzoek van appellant om</para>
      <para>vergoeding van proceskosten ingevolge het bepaalde in artikel</para>
      <para>8:75 van de Awb, in rechte stand kan houden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de Raad is dat niet het geval. De Raad stelt</para>
      <para>voorop dat partijen er niet over van mening verschillen dat in</para>
      <para>het onderhavige geval is voldaan aan de voorwaarden voor de</para>
      <para>toepassing van artikel 8:75a van de Awb. Voorzover partijen nog</para>
      <para>van mening verschillen over het antwoord op de vraag of er in dit</para>
      <para>geval sprake is van door een derde beroepsmatig verleende</para>
      <para>rechtsbijstand in de zin van artikel 1 onder a van het Bpb,</para>
      <para>oordeelt de Raad dat de gedingstukken geen andere conclusie</para>
      <para>toelaten dan dat de gemachtigde van appellant voldoet aan de in</para>
      <para>de rechtspraak van de Raad neergelegde eisen te stellen aan een</para>
      <para>beroepsmatige verlener van rechtsbijstand.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In dit geding is met name in geschil of appellant voor het</para>
      <para>inschakelen van zijn gemachtigde kosten heeft moeten maken. Ten</para>
      <para>aanzien van een 'no cure no pay'-overeenkomst merkt de Raad op</para>
      <para>dat het bestaan van een dergelijke overeenkomst meebrengt dat,</para>
      <para>indien de procedure wordt gewonnen, er proceskosten zullen worden</para>
      <para>gemaakt (voor het inschakelen van de rechtshulpverlener). In dat</para>
      <para>geval is derhalve voldaan aan het 'kosten'-vereiste neergelegd</para>
      <para>in artikel 8:75 van de Awb. Laatstgenoemd artikel is eveneens van</para>
      <para>toepassing bij de kostenveroordeling op grond van artikel 8:75a</para>
      <para>van de Awb, zodat het hier overwogene ook in het onderhavige</para>
      <para>geval geldt.</para>
      <para>Nu appellant in hoger beroep genoemde overeenkomst alsnog heeft</para>
      <para>overgelegd, alsmede een kwitantie terzake van een betaald</para>
      <para>voorschot van f 500,-, staat voor de Raad het bestaan van</para>
      <para>genoemde overeenkomst voldoende vast. Dat brengt met zich mee dat</para>
      <para>er in dit geval aanleiding is het verzoek van appellant om een</para>
      <para>proceskostenveroordeling toe te wijzen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens gedaagde is nog betoogd dat, zo er naar het oordeel van</para>
      <para>de Raad aanleiding zou bestaan voor een veroordeling in de</para>
      <para>proceskosten, de onderhavige zaak dient te worden aangemerkt als</para>
      <para>licht, hetgeen volgens het Bpb leidt tot een halvering van de</para>
      <para>waarde per toegekend punt. De Raad kan gedaagde hierin niet</para>
      <para>volgen. De Raad is niet gebleken van gronden, en ook gedaagde</para>
      <para>heeft deze niet aangevoerd, om de in het geding voor de rechtbank</para>
      <para>aan de orde zijnde schorsing van de AAW-uitkering als 'licht' in</para>
      <para>de zin van punt C.1 Wegingsfactoren van de Bijlage bij het Bpb</para>
      <para>aan te merken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het voorgaande leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak voor</para>
      <para>vernietiging in aanmerking komt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad begroot de kosten hier in geding op f 1.775,- voor</para>
      <para>verleende rechtsbijstand. Andere op grond van artikel 8:75 van</para>
      <para>de Awb te vergoeden kosten zijn in deze procedure niet gevorderd</para>
      <para>en daarvan is de Raad ook niet gebleken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht verder termen aanwezig om gedaagde met toepassing</para>
      <para>van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van</para>
      <para>appellant in hoger beroep. De Raad begroot deze kosten op</para>
      <para>f 1.065,- voor verleende rechtsbijstand. Van andere op grond van</para>
      <para>dat artikel te vergoeden kosten is de Raad niet gebleken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde</para>
      <para>in de artikelen 24 en 25, eerste lid van de Beroepswet, stelt de</para>
      <para>Raad ten slotte vast dat het door appellant zowel in eerste</para>
      <para>aanleg als in hoger beroep gestorte griffierecht door gedaagde</para>
      <para>dient te worden vergoed.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>Wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling in eerste</para>
      <para>aanleg alsnog toe en bepaalt de hoogte van deze kosten op</para>
      <para>f 1.775,- voor verleende rechtsbijstand;</para>
      <para>Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in hoger</para>
      <para>beroep tot een bedrag groot ? 1.065,-;</para>
      <para>Verstaat dat gedaagde aan appellant het gestorte recht van</para>
      <para>f 210,- vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr K.J.S Spaas als voorzitter en</para>
      <para>mr M.M. van der Kade en mr H.J. Simon als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van mr B. Serno als griffier en uitgesproken in</para>
      <para>het openbaar op 25 april 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) K.J.S. Spaas.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) B. Serno.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>IS</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>