<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8750</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T04:22:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8750</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AL1128</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-04-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">97/11196 WW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=3:4&amp;g=2000-04-05">Algemene wet bestuursrecht 3:4</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=3:4&amp;g=2000-04-05">Algemene wet bestuursrecht 3:4</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0004045&amp;artikel=27&amp;g=2000-04-05">Werkloosheidswet 27</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0004045&amp;artikel=24&amp;g=2000-04-05">Werkloosheidswet 24</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0004045&amp;artikel=24&amp;g=2000-04-05">Werkloosheidswet 24</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 2000, 151</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2000/134 met annotatie van E.E.V. Lenos </rdf:li>
          <rdf:li>AA20000886 met annotatie van Riphagen J. Jaap</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8750">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8750</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:57:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-10-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8750 Centrale Raad van Beroep , 05-04-2000 / 97/11196 WW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8750:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8750:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>97/11196 WW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A, wonende te B, appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in</para>
      <para>werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale</para>
      <para>verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv)</para>
      <para>in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is</para>
      <para>het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor de</para>
      <para>Bouwnijverheid. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het</para>
      <para>bestuur van deze bedrijfsvereniging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant heeft mr A.A.J. Kouwenhoven, werkzaam bij de Rechtskundige</para>
      <para>Dienst FNV te Rotterdam, op bij het beroepschrift aangevoerde gronden hoger</para>
      <para>beroep ingesteld tegen een door de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam,</para>
      <para>onder dagtekening 6 november 1997, tussen partijen gegeven uitspraak. Bij</para>
      <para>brief van 13 november 1998 heeft mr Kouwenhoven zich als gemachtigde van</para>
      <para>appellant aan de behandeling van diens zaak onttrokken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Desverzocht heeft gedaagde bij</para>
      <para>brief van 26 mei 1999, onder toezending van twee rapporten, nadere informatie verstrekt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 23 februari 2000,</para>
      <para>waar appellant, vanwege de Raad opgeroepen, niet is verschenen en waar</para>
      <para>gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr H.B. Heij, werkzaam bij SFB</para>
      <para>Uitvoeringsorganisatie Sociale Verzekering N.V.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt</para>
      <para>beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende</para>
      <para>bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan appellant is ingaande 1 maart 1996 een WW-uitkering toegekend. Nadien</para>
      <para>heeft hij laatstelijk sedert 1 juli 1996 via het uitzendbureau X werkzaamheden</para>
      <para>als datatypist verricht bij het inlenend bedrijf Q te Y. Per 6 augustus 1996</para>
      <para>heeft appellant bij Q ontslag genomen. Als reden daarvoor heeft hij zowel bij</para>
      <para>Q als bij het uitzendbureau aangegeven dat hij een baan kon krijgen bij een</para>
      <para>makelaarskantoor. Ingaande 6 augustus 1996 heeft appellant opnieuw</para>
      <para>WW-uitkering aangevraagd. Bij besluit van 25 oktober 1996 heeft gedaagde</para>
      <para>appellant - onder meer - in kennis gesteld terzake van de op die datum</para>
      <para>ingetreden werkloosheid uitkering blijvend geheel te weigeren op de grond dat</para>
      <para>appellant verwijtbaar werkloos is geworden. Daarbij stelt gedaagde zich op het</para>
      <para>standpunt dat appellant ontslag heeft genomen zonder dat aan de voortzetting</para>
      <para>van het dienstverband zodanige bezwaren waren verbonden dat deze voortzetting</para>
      <para>redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd. Verwezen is naar het</para>
      <para>bepaalde in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, en tweede lid, aanhef</para>
      <para>en onder b, van de WW.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het thans bestreden besluit van 4 februari 1997 heeft gedaagde appellants</para>
      <para>bezwaar ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen voormeld</para>
      <para>besluit ongegrond verklaard, van oordeel zijnde dat gedaagde zich terecht op</para>
      <para>het standpunt heeft gesteld dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad deelt dat oordeel van de rechtbank.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft in hoger beroep doen aanvoeren dat de verhuizing van Q naar Z</para>
      <para>voor hem bezwaarlijk was, dat het werk geestdodend was en dat hij oogklachten</para>
      <para>had. Deze bezwaren heeft appellant in eerste aanleg reeds aangevoerd en zijn</para>
      <para>naar het oordeel van de Raad op goede gronden door de rechtbank verworpen. De</para>
      <para>Raad verwijst naar de desbetreffende overwegingen van de aangevallen</para>
      <para>uitspraak. Voorts heeft appellant herhaald dat hij ten tijde van de</para>
      <para>ontslagname uitzicht had op ander werk. Ook op dit punt onderschrijft de Raad</para>
      <para>de overwegingen van de aangevallen uitspraak, die erop neerkomen dat ervan</para>
      <para>moet worden uitgegaan dat een concreet vooruitzicht op ander werk niet</para>
      <para>bestond. Betoogd is verder dat er bij Q voor appellant nog maar voor een week</para>
      <para>werk zou zijn geweest en dat de rechtbank ten onrechte dat aspect buiten</para>
      <para>beschouwing heeft gelaten. De Raad acht het echter, mede op grond van de nader</para>
      <para>ontvangen informatie, aannemelijk dat appellant bij deze inlener in ander</para>
      <para>passend werk nog zeker een aantal maanden had kunnen werken, indien hij was</para>
      <para>'meeverhuisd' naar Z. Zo er sprake is geweest van een periode dat deze inlener</para>
      <para>voor appellant geen werk zou hebben gehad, dan was deze kort, terwijl er geen</para>
      <para>reden is te veronderstellen dat het uitzendbureau X appellant in die</para>
      <para>tussentijd niet zou hebben bemiddeld, indien hij geen ontslag had genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de Raad kunnen de bezwaren van appellant niet als zodanig</para>
      <para>zwaarwegend worden aangemerkt dat voortzetting van het dienstverband, desnoods</para>
      <para>tijdelijk in afwachting van ander werk, redelijkerwijs niet van hem kon worden</para>
      <para>gevergd. De Raad wijst er in dat verband nog op dat, voor zover de</para>
      <para>gedingstukken vragen openlaten omtrent appellants beweegredenen, die</para>
      <para>onbeantwoord zijn gebleven door appellants keuze om aan de oproeping van de</para>
      <para>Raad om ter zitting te verschijnen geen gevolg te geven. Met toepassing van</para>
      <para>artikel 8:31 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verbindt de Raad aan het</para>
      <para>niet voldoen aan de verplichting om te verschijnen het gevolg dat wordt</para>
      <para>beslist op basis van de voorhanden zijnde gegevens.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat gedaagde terecht heeft</para>
      <para>aangenomen dat appellant de, in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van</para>
      <para>de WW neergelegde, verplichting om te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos</para>
      <para>wordt, heeft overtreden. Gelet op artikel 27, eerste lid, van de WW is</para>
      <para>gedaagde in dat geval in beginsel gehouden de uitkering blijvend geheel te weigeren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Van omstandigheden die nopen tot het oordeel dat het niet nakomen van</para>
      <para>voormelde verplichting appellant niet in overwegende mate kan worden verweten,</para>
      <para>is de Raad niet gebleken. In dit verband wijst de Raad er nog op dat</para>
      <para>appellant, naar uit de gedingstukken genoegzaam blijkt, ontslag nam op een</para>
      <para>moment dat hij al wist dat de baan bij het makelaarskantoor niet doorging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant is tenslotte betoogd dat de rechtbank ten onrechte niet is</para>
      <para>ingegaan op het ter zitting gedane beroep op het evenredigheidsbeginsel, zoals</para>
      <para>neergelegd in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met gedaagde stelt de Raad vast dat artikel 27, eerste lid, van de WW dwingend</para>
      <para>voorschrijft dat bij overtreding van de hier aan de orde zijnde verplichting</para>
      <para>de uitkering blijvend geheel wordt geweigerd en dat slechts indien de</para>
      <para>overtreding de betrokkene niet in overwegende mate valt te verwijten, de</para>
      <para>maatregel wordt gemitigeerd tot een gedeeltelijke weigering van de uitkering</para>
      <para>in de vorm van een korting van 35% gedurende 26 weken. Uit de geschiedenis van</para>
      <para>de totstandkoming van de wijziging van de onderhavige artikelen bij de Wet</para>
      <para>boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid (Stbl. 1996,</para>
      <para>248) blijkt dat de wetgever met de keuze van de verplichte maatregel in beide</para>
      <para>vormen heeft beoogd reeds een volledige afweging te maken met betrekking tot</para>
      <para>de evenredigheid van die maatregel, zodat sprake is van een wettelijk</para>
      <para>voorschrift als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, van de Awb dat zich verzet</para>
      <para>tegen toetsing door bestuur en rechter aan het evenredigheidsbeginsel als</para>
      <para>neergelegd in het tweede lid van dat artikel, die verder gaat dan de in het</para>
      <para>eerste lid van artikel 27 van de WW opgenomen mitigeringsmogelijkheid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hetgeen appellant verder nog naar voren heeft aangevoerd, heeft de Raad niet</para>
      <para>tot een ander oordeel gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van het hiervoor overwogene komt de aangevallen uitspraak voor</para>
      <para>bevestiging in aanmerking. De Raad acht geen termen aanwezig voor een</para>
      <para>proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Beslist wordt als hierna is aangegeven.</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr Th.C. van Sloten en</para>
      <para>mr Th.M. Schelfhout als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier,</para>
      <para>en uitgesproken in het openbaar op 5 april 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) M.A. Hoogeveen.</para>
    <para />
    <para>(get.) P. Boer.</para>
    <para />
    <para>BvW/11/4</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>