<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8749</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T17:16:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8749</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-04-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">98/1676 WW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0004045&amp;artikel=27&amp;g=2000-04-19">Werkloosheidswet 27</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0004045&amp;artikel=27&amp;g=2000-04-19">Werkloosheidswet 27</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0004045&amp;artikel=24&amp;g=2000-04-19">Werkloosheidswet 24</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0004045&amp;artikel=24&amp;g=2000-04-19">Werkloosheidswet 24</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 2000, 123</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2000/166 met annotatie van G. Boot</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8749">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8749</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:57:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-12-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8749 Centrale Raad van Beroep , 19-04-2000 / 98/1676 WW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8749:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8749:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>98/1676 WW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>A, wonende te B, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in</para>
      <para>werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale</para>
      <para>verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv)</para>
      <para>in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is</para>
      <para>het Lisv in de plaats getreden van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging. In</para>
      <para>deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden in hoger</para>
      <para>beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te Almelo onder</para>
      <para>dagtekening 13 januari 1998 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij</para>
      <para>wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens gedaagde heeft mr D.J.H. Habers, werkzaam bij het Buro voor Rechtshulp</para>
      <para>te Enschede, een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 9 februari 2000,</para>
      <para>waar appellant, vanwege de Raad opgeroepen om te verschijnen, zich heeft doen</para>
      <para>vertegenwoordigen door mr H.M. Schartman, werkzaam bij Gak Nederland B.V., en</para>
      <para>waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr Habers voornoemd als</para>
      <para>zijn raadsman.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt</para>
      <para>beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende</para>
      <para>bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan gedaagde is ingaande 1 januari 1996 uitkering krachtens de WW toegekend.</para>
      <para>Het recht op uitkering is in verband met arbeidsongeschiktheid en</para>
      <para>werkhervatting enige malen onderbroken geweest en weer herleefd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de gedingstukken ontleent de Raad dat het arbeidsbureau gedaagde</para>
      <para>telefonisch op 16 oktober 1996 heeft meegedeeld dat hij bij de firma X kon</para>
      <para>solliciteren op een vacature als metselaar. Daarvan heeft gedaagde afgezien</para>
      <para>omdat hij, naar zijn zeggen, in een vergevorderd stadium van onderhandeling was</para>
      <para>met de onderneming Q over indiensttreding in Duitsland. In Duitsland kon hij</para>
      <para>een beduidend hoger loon verwachten dan hem in Nederland zou worden aangeboden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft aangenomen dat gedaagde werkloos is gebleven doordat hij door</para>
      <para>eigen toedoen geen passende arbeid heeft verkregen en aldus de verplichting van</para>
      <para>artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten tweede, van de WW niet heeft</para>
      <para>nagekomen. Bij besluit van 4 november 1996, welk besluit bij het bestreden</para>
      <para>besluit op bezwaar van 3 februari 1997 is gehandhaafd, heeft appellant op grond</para>
      <para>van artikel 27, tweede lid, van de WW de uitkering met ingang van 4 november</para>
      <para>1996 blijvend geheel geweigerd, aannemende dat het recht op uitkering met</para>
      <para>ingang van die datum geheel zou zijn geëindigd indien gedaagde de betreffende</para>
      <para>arbeid bij de firma X zou hebben verkregen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het bestreden besluit van 3</para>
      <para>februari 1997 vernietigd, onder toewijzing aan gedaagde van proceskosten en</para>
      <para>griffierecht. Het eveneens bij die uitspraak vernietigde besluit van</para>
      <para>24 december 1996, waarbij gedaagde terzake van zijn ziekmelding per 5 november</para>
      <para>1996 wegens het plegen van een benadelingshandeling als bedoeld in artikel 45</para>
      <para>van de Ziektewet ziekengeld tijdelijk en gedeeltelijk is geweigerd, is door de</para>
      <para>intrekking van het hoger beroep terzake van dat besluit ter zitting van de Raad</para>
      <para>niet langer in geding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank was van oordeel dat, nu gedaagde één van de acht door het</para>
      <para>arbeidsbureau voor de firma X geselecteerde kandidaten was voor twee functies,</para>
      <para>het allerminst vaststaat dat hij, zo hij wel gesolliciteerd had, daadwerkelijk</para>
      <para>een aanstelling zou hebben gekregen waardoor aan zijn situatie van werkloosheid</para>
      <para>een einde zou zijn gekomen. De rechtbank deelde om die reden het standpunt van</para>
      <para>appellant niet dat gedaagde zich heeft schuldig gemaakt aan schending van</para>
      <para>artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten tweede, van de WW.</para>
      <para>De rechtbank overwoog voorts dat van gedaagde verlangd had kunnen worden dat</para>
      <para>hij zich bij de firma X voor de vacature had gepresenteerd, nu hij niet wist</para>
      <para>vanaf welke datum hij bij de firma Q zou kunnen beginnen. In die omstandigheid</para>
      <para>had hij in ieder geval in een gesprek met X de mogelijkheid van tewerkstelling,</para>
      <para>desnoods als overbrugging, moeten onderzoeken. Door niet te solliciteren heeft</para>
      <para>gedaagde niet die inspanning gepleegd om passend werk te krijgen die van hem</para>
      <para>verwacht mocht worden, zodat sprake is van schending van artikel 24, eerste</para>
      <para>lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW. Schending van die verplichting</para>
      <para>was echter niet aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd, aldus de rechtbank.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het aanvullend beroepschrift heeft appellant zich op het standpunt gesteld</para>
      <para>dat gedaagde, nu het arbeidsbureau hem uit zijn bestand heeft geselecteerd op</para>
      <para>basis van objectieve selectiecriteria, een gerede of in elk geval meer dan</para>
      <para>hypothetische kans had om één van de twee functies bij de firma X te bemachtigen.</para>
      <para>Voorts heeft appellant benadrukt dat, hoewel de uit de sedert 1 augustus 1996</para>
      <para>geldende wetgeving voortvloeiende 'strafmaat' een minder genuanceerd beeld</para>
      <para>vertoont dan de in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW</para>
      <para>beschreven verplichtingen, geen reden is het concrete gedrag van appellant</para>
      <para>anders te kwalificeren.</para>
      <para>Ter zitting van de Raad heeft appellant, onder verwijzing naar een tweetal</para>
      <para>gedingstukken, nader betoogd dat het arbeidsbureau acht kandidaten verwees voor</para>
      <para>twee vacatures als metselaar en twee vacatures als timmerman, en dat de kans te</para>
      <para>worden aangenomen één op twee zou zijn geweest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitgaande van de door de rechtbank en door appellant bij het aanvullend</para>
      <para>beroepschrift weergegeven feiten, te weten dat gedaagde tezamen met zeven</para>
      <para>andere kandidaten werd verwezen naar twee vacatures bij de firma X,</para>
      <para>onderschrijft de Raad de opvatting van de rechtbank dat onvoldoende vaststaat</para>
      <para>dat gedaagde werkloos is gebleven doordat hij heeft nagelaten passende arbeid</para>
      <para>te verkrijgen. De kans dat gedaagde werk als metselaar bij de firma X zou</para>
      <para>hebben gekregen acht de Raad weliswaar meer dan louter hypothetisch, maar voor</para>
      <para>het aannemen van een grotere dan deze kans, waarvan de Raad bij de toepassing</para>
      <para>van de hier in geding zijnde bepaling uitgaat, bieden de voorhanden zijnde</para>
      <para>gegevens onvoldoende zekerheid. Daarbij merkt de Raad op dat de door appellant</para>
      <para>genoemde gedingstukken wel enig aanknopingspunt bieden voor de juistheid van</para>
      <para>het gestelde ter zitting omtrent het aantal vacatures, doch niettemin vragen</para>
      <para>openlaten of de door appellant berekende aannamekans juist kan worden genoemd.</para>
      <para>Zo ontbreekt een opgave van het aantal metselaars en timmerlieden onder de</para>
      <para>groep verwezen kandidaten. Voorts is verder onderzoek bij de firma X achterwege</para>
      <para>gebleven, onder meer met betrekking tot het feitelijk vervuld zijn van de vacatures.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad wijst er tot slot op dat de sedert 1 augustus 1996 geldende wetgeving,</para>
      <para>die het opleggen van een maatregel in beginsel verplicht stelt, alsook de</para>
      <para>verstrekkende gevolgen van het opleggen van een maatregel als hier aan de orde,</para>
      <para>te meer noopt tot een deugdelijk en zorgvuldig onderzoek ter vaststelling van</para>
      <para>de relevante feiten en omstandigheden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, concludeert de Raad dat de</para>
      <para>aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht termen aanwezig appellant te veroordelen in de aan de zijde van</para>
      <para>gedaagde in hoger beroep gevallen proceskosten, die worden begroot op f 1.420,-- wegens</para>
      <para>rechtsbijstand, vermeerderd met f 56,-- wegens reiskosten en f 156,-- wegens</para>
      <para>verletkosten van gedaagde, totaal derhalve f 1.632,--.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Beslist wordt als hierna is aangegeven.</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>Verstaat dat van appellant een recht wordt geheven van f 675,--;</para>
      <para>Veroordeelt appellant in de aan de zijde van gedaagde gevallen kosten in hoger</para>
      <para>beroep, begroot op f 1.632,--, in verband met het bepaalde in artikel 8:75,</para>
      <para>tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te voldoen aan de griffier van de Raad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr Ch. van Voorst en</para>
      <para>mr Th.C. van Sloten als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, en</para>
      <para>uitgesproken in het openbaar op 19 april 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) M.A. Hoogeveen.</para>
    <para />
    <para>(get.) P. Boer.</para>
    <para />
    <para>JdB/0303</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>