<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8744</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:57:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8744</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-03-31</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">99/5899 WVG</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBV0002508&amp;artikel=23&amp;g=2000-03-31">Verdrag inzake de rechten van het kind 23</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0006169&amp;artikel=2&amp;g=2000-03-31">Wet voorzieningen gehandicapten 2</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0006169&amp;artikel=3&amp;g=2000-03-31">Wet voorzieningen gehandicapten 3</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8744">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8744</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:57:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-10-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8744 Centrale Raad van Beroep , 31-03-2000 / 99/5899 WVG</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8744:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8744:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>99/5899 WVG</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A., wonende te B., appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Schoonhoven, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 16 december 1996 heeft gedaagde afwijzend beschikt op de</para>
      <para>aanvraag van appellant, welke er op was gericht om hem ingevolge de Wet</para>
      <para>voorzieningen gehandicapten (WVG) en de op die wet gebaseerde Verordening</para>
      <para>Voorzieningen gehandicapten van de gemeente Schoonhoven (de Verordening) in</para>
      <para>aanmerking te brengen voor een aangepaste (bruikleen)auto met kilometervergoeding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft het bezwaar van appellant tegen voormeld besluit bij besluit</para>
      <para>van 10 februari 1998 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage heeft bij uitspraak van 12</para>
      <para>oktober 1999 (de aangevallen uitspraak) het tegen het bestreden besluit</para>
      <para>ingestelde beroep ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant is mr J.I.M. van Ede-Pas, advocaat te Gouda, van deze</para>
      <para>uitspraak in hoger beroep gekomen op bij beroepschrift aangevoerde gronden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Gedaagde heeft een verweerschrift (met bijlagen) ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant heeft mr Van Ede-Pas, voornoemd, bij brief van 2 februari</para>
      <para>2000 nadere stukken ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 18 februari 2000, waar voor appellant</para>
      <para>is verschenen mr Van Ede-Pas, voornoemd en waar gedaagde niet is verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor een weergave van de aan het bestreden besluit voorafgegane relevante</para>
      <para>feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar rubriek 3 van de aangevallen uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard,</para>
      <para>overwegende dat er in de diverse medische rapporten - waaronder het rapport</para>
      <para>van de door de rechtbank benoemde deskundige revalidatiearts M. Terburg van 11</para>
      <para>april 1999 - geen aanknopingspunten te vinden zijn voor het oordeel dat</para>
      <para>appellant voor deelname aan het leven van alledag of het onderhouden van</para>
      <para>persoonlijke contacten geen gebruik zou kunnen maken van een rolstoeltaxi,</para>
      <para>voor het gebruik waarvan gedaagde aan appellant een tegemoetkoming in de</para>
      <para>kosten heeft toegekend.</para>
      <para>Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat directe beschikbaarheid van een</para>
      <para>aangepaste auto weliswaar uit therapeutische overwegingen wenselijk is, maar</para>
      <para>als zodanig niet binnen de reikwijdte van de aan de gemeenten ingevolge de WVG</para>
      <para>opgelegde zorgplicht valt.</para>
      <para>Tenslotte heeft de rechtbank het beroep op artikel 23 van het Verdrag inzake</para>
      <para>de Rechten van het Kind afgewezen op de grond dat aan deze bepaling geen</para>
      <para>directe werking toekomt nu het naar zijn aard een bepaling betreft die bestemd</para>
      <para>is nader te worden ingevuld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In hoger beroep is namens appellant gesteld dat de rechtbank ten onrechte</para>
      <para>voorbij is gegaan aan de conclusie in het rapport van de door haar benoemde</para>
      <para>deskundige Terburg, voormeld, door er van uit te gaan dat appellant gebruik</para>
      <para>zou kunnen maken van een rolstoeltaxi terwijl die conclusie in dat rapport</para>
      <para>niet - met zoveel woorden - getrokken wordt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant wordt in hoger beroep, evenals in eerste aanleg, bestreden</para>
      <para>dat een rolstoeltaxi(vergoeding) een adequate vervoersvoorziening voor</para>
      <para>appellant is, nu - ook volgens de deskundige - een vervoersvoorziening in casu</para>
      <para>slechts adequaat genoemd kan worden als deze gemakkelijk en veelvuldig, zo</para>
      <para>niet altijd beschikbaar is.</para>
      <para>Zijdens appellant is tevens betoogd dat de in de aangevallen uitspraak</para>
      <para>omschreven 'therapeutische' noodzaak van een te allen tijde beschikbaar</para>
      <para>aangepast vervoermiddel gezien moet worden als een medisch noodzakelijke</para>
      <para>voorziening die in het geval van appellant een voorwaarde vormt voor deelname</para>
      <para>aan het leven van alledag en als zodanig wèl onder de zorgplicht ingevolge de WVG valt.</para>
      <para>Voorts is gesteld dat bij de beoordeling van appellants aanvraag ten onrechte</para>
      <para>- want in tegenstelling tot de uit de toelichting bij de WVG blijkende</para>
      <para>bedoeling van die wet - onvoldoende rekening is gehouden met de gezinssituatie</para>
      <para>en de problemen die het gezin als geheel ondervindt als gevolg van de</para>
      <para>handicaps van appellant.</para>
      <para>Tenslotte is er zijdens appellant op gewezen dat niet valt in te zien waarom</para>
      <para>de wijze van invulling van de op basis van artikel 23 van het Verdrag van de</para>
      <para>Rechten van het Kind gegeven extra zorgplicht ten aanzien van gehandicapte</para>
      <para>kinderen niet door de rechter zou kunnen worden getoetst.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het voorliggende geschilpunt dient de rechterlijke beoordeling te</para>
      <para>worden geplaatst tegen de achtergrond van de (reikwijdte van de) verplichting</para>
      <para>van het gemeentebestuur om verantwoorde voorzieningen als omschreven in</para>
      <para>artikel 3 van de WVG aan te bieden. Wat betreft de vervoersvoorzieningen</para>
      <para>vloeit daaruit volgens vaste jurisprudentie van de Raad voort dat zodanige</para>
      <para>voorzieningen moeten worden geboden dat de ter plaatse wonende gehandicapten</para>
      <para>daardoor ten minste in staat worden gesteld om in hun directe woon- en</para>
      <para>leefomgeving in aanvaardbare mate sociale contacten te onderhouden en deel te</para>
      <para>nemen aan het leven van alledag.</para>
      <para>Naar het oordeel van de Raad komen het in artikel 3 van de WVG genoemde begrip</para>
      <para>'cliëntgerichtheid' en de bij de toelichting van die wet gememoreerde</para>
      <para>'gezins- en persoonlijke omstandigheden' dan ook geen verderstrekkende</para>
      <para>betekenis toe dan dat de geboden voorzieningen toegesneden dienen te zijn op</para>
      <para>de handicap(s) van de betrokkene en diens individuele omstandigheden.</para>
      <para>Bijzondere individuele omstandigheden kunnen - wanneer deze bij toekenning van</para>
      <para>de goedkoopst adequate voorziening zouden leiden tot bijvoorbeeld dreigend</para>
      <para>sociaal isolement bij het niet voorzien in bovenregionale contacten - een</para>
      <para>gemeentebestuur ertoe nopen andere (duurdere) voorzieningen toe te kennen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de Raad niet gebleken</para>
      <para>dat appellant door het aan hem verstrekte pakket aan vervoersvoorzieningen</para>
      <para>niet - voldoende - in staat gesteld wordt in aanvaardbare mate sociale</para>
      <para>contacten te onderhouden en deel te nemen aan het leven van alledag.</para>
      <para>Daarbij merkt de Raad op dat niet uit het oog mag worden verloren dat gedaagde</para>
      <para>bij vaststelling van de aard en omvang van de te verstrekken</para>
      <para>vervoersvoorzieningen geen doorslaggevende betekenis behoeft toe te kennen aan</para>
      <para>alle bij de individuele gehandicapte of bij zijn gezinsleden levende wensen en</para>
      <para>voorkeuren en evenmin aan diens, in beginsel niet onder de WVG vallende,</para>
      <para>bovenregionale contacten. Aan het ingevolge de WVG in de Verordening</para>
      <para>neergelegde stelsel van vervoersvoorzieningen is immers inherent dat van een</para>
      <para>betrokkene kan worden gevergd dat hij of zij zich enige beperkingen getroost.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gezinsomstandigheden kunnen weliswaar betrokken worden bij de beoordeling van</para>
      <para>een aanvraag voor een vervoersvoorziening, maar deze zullen dan in het</para>
      <para>bijzonder een rol spelen bij de vraag in hoeverre sociaal isolement optreedt</para>
      <para>bij toekenning van de (goedkoopst adequate) voorziening. Bij de aan een</para>
      <para>gehandicapte toe te kennen - individuele - vervoersvoorziening zijn de wensen</para>
      <para>of behoeften van de overige gezinsleden in beginsel niet maatgevend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met de rechtbank is de Raad dan ook van oordeel dat de conclusie van de</para>
      <para>deskundige Terburg, inhoudende dat appellant bij voorkeur een gemakkelijk en</para>
      <para>veelvuldig beschikbaar vervoermiddel tot zijn beschikking zou moeten hebben in</para>
      <para>aanvulling op de reeds verstrekte elektrische rolstoel en duwwandelwagen,</para>
      <para>veeleer is ingegeven door in het hiervoor omschreven wettelijk kader van de</para>
      <para>WVG niet doorslaggevende overwegingen en omstandigheden zoals de zware wissel</para>
      <para>die de verzorging van appellant op het gezin legt, zijn leeftijd en de</para>
      <para>wenselijkheid om als gezin te integreren in een (gezien het opgegeven</para>
      <para>vervoerspatroon zéér uitgebreid) sociaal netwerk.</para>
      <para>De conclusie in het rapport, dat appellant op medische gronden aangewezen zou</para>
      <para>zijn op vervoer in de vorm van een eigen aangepaste (bruikleen)auto kan naar</para>
      <para>het oordeel van de Raad evenmin onderschreven worden, daar immers transfers</para>
      <para>bij het gebruik van een rolstoeltaxi niet noodzakelijk zijn en uit de stukken</para>
      <para>alsmede het verhandelde ter zitting zelfs is op te maken dat appellant reeds</para>
      <para>sedert vele jaren vrijwel dagelijks - voorheen van en naar school en thans van</para>
      <para>en naar een dagverblijf - met een vergelijkbare rolstoeltaxi vervoerd wordt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In aanmerking nemend dat appellant vijf dagen per week in een dagverblijf</para>
      <para>wordt opgevangen, in hecht familieverband leeft, afstanden binnen zijn directe</para>
      <para>leef- en woonomgeving kan overbruggen met de aan hem verstrekte elektrische</para>
      <para>rolstoel en dat aan hem, naast de forfaitaire taxivergoeding een extra</para>
      <para>vergoeding is toegekend als tegemoetkoming in de kosten van zijn</para>
      <para>bovenregionale vervoersbehoefte (waarvan alleen de hoogte ten tijde in geding</para>
      <para>nog niet exact was vastgesteld) kan de Raad niet anders concluderen dat</para>
      <para>gedaagde met het aan appellant toegekende pakket aan vervoersvoorzieningen in</para>
      <para>voldoende mate tegemoet is gekomen aan de hem ingevolge de WVG opgelegde</para>
      <para>zorgplicht. Daarbij hanteert gedaagde terecht het - volgens 's Raads vaste</para>
      <para>jurisprudentie aanvaardbare - beleidsuitgangspunt dat toekenning van een</para>
      <para>bruikleenauto of -bus eerst dan overwogen wordt als geen enkele andere</para>
      <para>vervoersvoorziening of combinatie van vervoersvoorzieningen een goedkopere</para>
      <para>adequate oplossing biedt voor het geheel aan vervoersproblematiek van de</para>
      <para>gehandicapte (zelf).</para>
      <para>Dat een rolstoeltaxi niet altijd en onbeperkt beschikbaar is, geldt voor al</para>
      <para>degenen die voor hun vervoer zijn aangewezen op dergelijke vanwege gedaagde</para>
      <para>verstrekte vervoersvoorzieningen en de Raad is er niet van overtuigd geraakt</para>
      <para>dat dit (uitsluitend en vooral) in het onderhavige geval tot onbillijkheid of</para>
      <para>bijzondere hardheid leidt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tenslotte is de Raad niet gebleken dat gedaagde, op basis van de voorliggende</para>
      <para>gegevens en met de hiervoor omschreven rechtens aanvaardbare invulling van de</para>
      <para>aan gemeenten opgedragen (bijzondere) zorgplicht, in casu enige internationale</para>
      <para>rechtsnorm geschonden zou hebben.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen zodat</para>
      <para>moet worden beslist zoals hierna in rubriek III is weergeven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in</para>
      <para>artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr M.I. 't Hooft als voorzitter, mr D.J. van der Vos en mr</para>
      <para>R.M. van Male als leden, in tegenwoordigheid van mr M. van 't Klooster als</para>
      <para>griffier, en uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) M.I. 't Hooft.</para>
    <para />
    <para>(get.) M. van 't Klooster.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>JdB</para>
      <para>1703</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>