<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8740</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-04T20:19:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB8740</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-03-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">97/4196 AAW/WAO</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0008015&amp;artikel=XVI&amp;g=2000-03-17">Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid XVI</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0008015&amp;artikel=XVI&amp;g=2000-03-17">Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid XVI</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002524&amp;artikel=57a&amp;g=2000-03-17">Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 57a</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002524&amp;artikel=57 (oud)&amp;g=2000-03-17">Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 57 (oud)</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2000/115</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8740">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8740</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:56:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-10-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8740 Centrale Raad van Beroep , 17-03-2000 / 97/4196 AAW/WAO</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8740:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8740:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>97/4196 AAW/WAO</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A, wonende te B, appellante,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale</para>
      <para>verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de</para>
      <para>Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt</para>
      <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de</para>
      <para>plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige</para>
      <para>geval is het Lisv in de plaats getreden van de</para>
      <para>Bedrijfsvereniging voor de Gezondheid, Geestelijke en</para>
      <para>Maatschappelijke Belangen (BVG). In deze uitspraak wordt onder</para>
      <para>gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze</para>
      <para>bedrijfsvereniging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 11 juni 1996 heeft gedaagde van appellante een</para>
      <para>bedrag van f 8.765,62 teruggevorderd, primair op de grond dat</para>
      <para>door toedoen van appellante over de periode van 25 april 1993</para>
      <para>tot 1 november 1994 onverschuldigd uitkering krachtens de Wet</para>
      <para>op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is betaald.</para>
      <para>Subsidiair heeft gedaagde over laatstgenoemde periode een</para>
      <para>bedrag van f 5.239,32 teruggevorderd, omdat het appellante</para>
      <para>redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat aan haar onverschuldigd</para>
      <para>werd betaald. Daarnaast heeft gedaagde bij dat besluit van</para>
      <para>appellante een bedrag van f 862,17 teruggevorderd op de grond</para>
      <para>dat het haar redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat over de</para>
      <para>periode van 1 november 1994 tot 1 februari 1995 onverschuldigd</para>
      <para>uitkeringen krachtens de WAO werden betaald.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 25 oktober 1996 heeft gedaagde zijn besluit</para>
      <para>van 11 juni 1996 gewijzigd in die zin dat het bedrag van f</para>
      <para>8.765,62 wordt verminderd met 10% tot f 7.889,06, het bedrag</para>
      <para>van f 5.239,32 met 10% wordt verminderd tot f 4.715,39 en het</para>
      <para>bedrag van f 862,17 wordt verminderd met 10% tot f 775,95,</para>
      <para>omdat gedaagde aan appellante tussen september 1991 en oktober</para>
      <para>1994 geen enquêteformulier heeft gezonden. Tevens heeft</para>
      <para>gedaagde bij dat besluit het volgende medegedeeld.</para>
      <para>"Wij bieden u de mogelijkheid ons een voorstel te doen tot</para>
      <para>terugbetaling of verrekening met de u nog toekomende</para>
      <para>uitkering. Uw voorstel moet wel ertoe leiden dat onze</para>
      <para>vordering binnen 12 maanden is voldaan. U dient dit met</para>
      <para>redenen omkleed voorstel binnen zes weken na dagtekening van</para>
      <para>deze beschikking aan ons te richten. Mocht u geen gebruik</para>
      <para>maken van deze mogelijkheid, dan bepalen wij op welke wijze en</para>
      <para>binnen welke termijn(en) u onze vordering moet voldoen.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te Breda heeft bij uitspraak van 9</para>
      <para>april 1997 het beroep tegen het besluit van 11 juni 1996</para>
      <para>gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, gedaagde in de</para>
      <para>proceskosten van appellante ten bedrage van</para>
      <para>f 710,- veroordeeld en gelast dat gedaagde aan appellante het</para>
      <para>betaalde griffierecht ten bedrage van f 50,- vergoedt, en het</para>
      <para>beroep tegen het besluit van 25 oktober 1996 ongegrond</para>
      <para>verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellante is mr P.J. van 't Hoff, werkzaam bij</para>
      <para>Stichting Rechtsbijstand te Tilburg, op bij aanvullend</para>
      <para>beroepschrift aangegeven gronden van die uitspraak in hoger</para>
      <para>beroep gekomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad gehouden op 11</para>
      <para>mei 1999, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan</para>
      <para>door mr P.J. van 't Hoff, en waar gedaagde</para>
      <para>- zoals tevoren was bericht - niet is verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Omdat het onderzoek niet volledig was geweest, heeft de Raad</para>
      <para>het onderzoek heropend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad</para>
      <para>gehouden op 14 januari 2000, waar appellante - zoals te voren</para>
      <para>was bericht - niet is verschenen en waar gedaagde - daartoe</para>
      <para>ambtshalve opgeroepen - is verschenen bij gemachtigde mr S.I.</para>
      <para>Zwanenburg, werkzaam bij Cadans Uitvoeringsinstelling B.V.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellante is hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak</para>
      <para>van de rechtbank in zoverre daarbij het beroep tegen het</para>
      <para>besluit van 25 oktober 1996 ongegrond is verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tijdens de behandeling van het geding ter zitting d.d.</para>
      <para>11 mei 1999 van de Raad heeft de gemachtigde van appellante</para>
      <para>desgevraagd medegedeeld dat appellante niet (langer) betwist</para>
      <para>dat gedaagde de bevoegdheid toekomt om de door gedaagde aan</para>
      <para>haar onverschuldigd betaalde uitkering terug te vorderen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zoals in het aanvullend beroepschrift namens appellante is</para>
      <para>aangevoerd en op laatstgenoemde zitting van de Raad is</para>
      <para>benadrukt, kan appellante zich niet verenigen met de wijze</para>
      <para>waarop gedaagde van zijn bevoegdheid tot terugvordering</para>
      <para>gebruik heeft gemaakt. In het aanvullend beroepschrift heeft</para>
      <para>appellante daartoe het volgende aangevoerd.</para>
      <para>"Door het terug te vorderen bedrag met slechts 10% te</para>
      <para>verminderen heeft de bedrijfsvereniging in wezen te kennen</para>
      <para>gegeven dat haar aandeel in de wederzijds gemaakte fouten 10%</para>
      <para>bedraagt tegenover een aandeel van appellante van 90%. De</para>
      <para>rechtbank is terecht tot de overtuiging gekomen dat bij</para>
      <para>appellante iedere opzet tot benadeling van de</para>
      <para>bedrijfsvereniging heeft ontbroken. In goed vertrouwen is zij</para>
      <para>ervan uitgegaan dat de door de werkgever aan de</para>
      <para>bedrijfsvereniging verstrekte gegevens gezien de koppelingen</para>
      <para>tussen computerbestanden ook zouden worden gebruikt in het</para>
      <para>kader van haar aanspraak op een</para>
      <para>arbeidsongeschiktheidsuitkering. Het komt appellante voor dat</para>
      <para>in dezen een vermindering van het terug te vorderen bedrag met</para>
      <para>50% een evenredige afspiegeling is van zowel haar aandeel in</para>
      <para>het gebeurde als van dat van de bedrijfsvereniging.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad overweegt allereerst dat het thans nog in geding</para>
      <para>zijnde terugvorderingsbesluit dateert van na 1 augustus 1996.</para>
      <para>De onverschuldigde  betalingen die hebben geleid tot dat</para>
      <para>besluit hebben plaatsgehad voor 1 augustus 1996. Ingevolge</para>
      <para>artikel XVI, eerste lid, van de Wet boeten, maatregelen en</para>
      <para>terug- en invordering sociale zekerheid (Staatsblad 1996,</para>
      <para>248), dient de bevoegdheid tot terugvordering alsmede de wijze</para>
      <para>waarop gedaagde van die bevoegdheid tot terugvordering gebruik</para>
      <para>heeft gemaakt, te worden getoetst aan het recht zoals dat gold</para>
      <para>voor 1 augustus 1996.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zoals reeds blijkt uit het vorenstaande is tussen partijen</para>
      <para>niet langer in geschil - en ook die Raad is die opvatting</para>
      <para>toegedaan - dat appellante niet heeft voldaan aan haar</para>
      <para>mededelingsverplichting en dat zij redelijkerwijs kon</para>
      <para>begrijpen dat in de betreffende periode onverschuldigd</para>
      <para>uitkeringen aan haar werden betaald.</para>
      <para>De Raad dient derhalve thans de vraag te beantwoorden of de</para>
      <para>wijze waarop gedaagde gebruik heeft gemaakt van zijn</para>
      <para>bevoegdheid tot terugvordering, de rechterlijke toetsing kan</para>
      <para>doorstaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad overweegt dienaangaande naar aanleiding van de grieven</para>
      <para>van appellante het volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft op grond van artikel 57 (oud) van de WAO een</para>
      <para>beleid ontwikkeld. Dit beleid houdt onder meer in dat het</para>
      <para>terugvorderingsbedrag met 10% wordt gematigd, indien er niet</para>
      <para>elk jaar enquêteformulieren aan de betrokkene zijn verstuurd</para>
      <para>en er geen sprake is van fraude of kennelijke opzet. De Raad</para>
      <para>stelt vast dat het besluit van 25 oktober 1996  in</para>
      <para>overeenstemming is met dat beleid. Naar het oordeel van de</para>
      <para>Raad blijft dat beleid en de daarin vervatte belangenafweging</para>
      <para>in beginsel binnen de grenzen van een redelijke</para>
      <para>beleidsbepaling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts kan de Raad het standpunt van appellante niet</para>
      <para>onderschrijven dat gedaagde in haar geval had moeten afwijken</para>
      <para>van zijn beleid. Wat er ook zij van de opvatting van</para>
      <para>appellante dat gedaagde - in het kader van de</para>
      <para>premieheffing - op de hoogte was van haar werkzaamheden en inkomsten, omdat</para>
      <para>haar werkgever bij de BVG was aangesloten en omdat op de</para>
      <para>statusoverzichten is vermeld dat de BVG op de hoogte is van de</para>
      <para>inkomsten van appellante, zulks laat onverlet dat appellante</para>
      <para>ernstig te kort geschoten is in de nakoming van de op haar</para>
      <para>rustende mededelingsplicht en dat het haar overigens duidelijk</para>
      <para>moet zijn geweest dat onverschuldigd aan haar werd betaald.</para>
      <para>Onder deze omstandigheden is de Raad van oordeel dat gedaagde</para>
      <para>door het terugvorderingsbedrag met 10% te verminderen in</para>
      <para>voldoende mate rekening heeft gehouden met het gegeven dat in</para>
      <para>1992 en 1993 geen enquêteformulier aan appellante is</para>
      <para>toegezonden en dat gedaagde derhalve in redelijkheid tot de</para>
      <para>onderhavige belangenafweging heeft kunnen komen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit betekent dat bovenvermelde vraag door de Raad bevestigend</para>
      <para>wordt beantwoord.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellante is ter zitting d.d. 11 mei 1999 van de Raad</para>
      <para>aangevoerd dat het bestreden besluit niet de termijn of</para>
      <para>termijnen vermeld, waarbinnen moet worden betaald, zoals is</para>
      <para>vereist op grond van artikel 57, derde lid, van de WAO, zoals</para>
      <para>dit ten tijde van het bestreden besluit luidde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>In dat verband overweegt de Raad het volgende.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel XVI, tweede lid, van de Wet boeten,</para>
      <para>maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid blijft</para>
      <para>op besluiten die zijn bekendgemaakt voor 1 augustus 1996, het</para>
      <para>recht van toepassing zoals dit voor die datum gold.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de Tica-circulaire nr. C.96.03 van 21 februari 1996 is deze</para>
      <para>bepaling als volgt uitgelegd:</para>
      <para>"Uit bovengenoemd tweede lid volgt allereerst dat ten aanzien</para>
      <para>van besluiten tot terugvordering of verrekening die voor de</para>
      <para>invoeringsdatum zijn bekendgemaakt, de nieuwe wettelijke</para>
      <para>bepalingen niet van toepassing zijn. Concreet betekent dit</para>
      <para>bijvoorbeeld dat dergelijke besluiten tot terugvordering geen</para>
      <para>executoriale titel opleveren, dat voor de tenuitvoerlegging</para>
      <para>van die terugvorderingsbesluiten de artikelen 27g WW e.d. niet</para>
      <para>gelden en dat het "Besluit betaling en tenuitvoerlegging</para>
      <para>terugvordering en boeten" van het Tica op die besluiten niet</para>
      <para>van toepassing is.</para>
      <para>A contrario valt uit het tweede lid van artikel XVI af te</para>
      <para>leiden dat ten aanzien van besluiten tot terugvordering of</para>
      <para>verrekening die op of na de invoeringsdatum zijn</para>
      <para>bekendgemaakt, het nieuwe recht van toepassing is, ook als het</para>
      <para>gaat om voor de invoeringsdatum gedane onverschuldigde</para>
      <para>betalingen.</para>
      <para>Door de wetgever wordt het beginsel van onmiddellijke werking</para>
      <para>gehanteerd. Op dergelijke besluiten is bijvoorbeeld dan ook</para>
      <para>het nieuwe recht met betrekking tot de tenuitvoerlegging van</para>
      <para>het terugvorderingsbesluit volledig van toepassing (het</para>
      <para>besluit levert een executoriale titel op, bij gebreke van</para>
      <para>tijdige terugbetaling wordt het bedrag van de terugvordering</para>
      <para>verhoogd met rente en incassokosten etc.). Alleen de vraag of</para>
      <para>terugvordering wel mogelijk is, zal ten aanzien van vóór de</para>
      <para>invoeringsdatum gedane betalingen beoordeeld moeten worden aan</para>
      <para>de hand van de voorheen geldende wettelijke bepalingen.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Blijkens de gedingstukken en verhandelde ter zitting van 14</para>
      <para>januari 2000 heeft gedaagde zich bij deze uitleg van het</para>
      <para>tweede lid van genoemd artikel XVI aangesloten. Ook de Raad</para>
      <para>houdt deze uitleg, mede gelet op de aard van een besluit tot</para>
      <para>effectuering van een terugvordering, voor juist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dat betekent dat op het onderhavige besluit tot terugvordering</para>
      <para>het bepaalde in artikel 57, derde lid, van de WAO, zoals</para>
      <para>destijds luidend, van toepassing is. Ingevolge dit artikellid</para>
      <para>dient een besluit tot terugvordering onder meer te vermelden</para>
      <para>de termijn of termijnen waarbinnen moet worden betaald,</para>
      <para>alsmede dat het besluit bij gebreke van tijdige betaling zal</para>
      <para>worden ten uitvoer gelegd op de wijze als omschreven in</para>
      <para>artikel 57a van die wet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zoals de Raad reeds zijn uitspraak van 21 september 1999,</para>
      <para>gepubliceerd in USZ 1999/348 en AB 1999, nr.464, heeft</para>
      <para>overwogen, kan alleen in het geval van bijzondere, in het</para>
      <para>betreffende besluit te vermelden, omstandigheden van deze</para>
      <para>wettelijke verplichting van het uitvoeringsorgaan worden</para>
      <para>afgeweken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zoals ook door de gemachtigde van gedaagde ter zitting van 14</para>
      <para>januari 2000 is erkend, bevat het in dit geding nog aan de</para>
      <para>orde zijnde terugvorderingbesluit niet de termijnen waarbinnen</para>
      <para>moet worden terugbetaald, en bevat dit besluit geen verwijzing</para>
      <para>naar artikel 57a van de WAO. Daarbij is niet gesteld of</para>
      <para>gebleken van bijzondere omstandigheden die het niet naleven</para>
      <para>van deze wettelijke verplichting rechtvaardigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het vorenstaande komt de Raad tot de slotsom dat het</para>
      <para>in hoger beroep bestreden besluit niet volledig voldoet aan de</para>
      <para>vereisten die in artikel 57, derde lid, van de WAO, zoals</para>
      <para>destijds luidend, zijn opgenomen. Derhalve komt dit besluit,</para>
      <para>evenals de aangevallen uitspraak voor zover daarbij dat</para>
      <para>besluit in stand is gelaten, voor vernietiging in aanmerking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht voorts termen aanwezig om op grond van artikel</para>
      <para>8:75 van de Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen</para>
      <para>in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten</para>
      <para>worden begroot op f 1.420,- voor verleende rechtsbijstand in</para>
      <para>hoger beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tevens acht de Raad gronden aanwezig te bepalen dat het door</para>
      <para>appellant in hoger beroep gestorte griffierecht door gedaagde</para>
      <para>dient te worden vergoed.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Derhalve dient te worden beslist als volgt.</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten;</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart het inleidende beroep dat geacht te zijn gericht</para>
      <para>tegen het besluit van 25 oktober 1996, alsnog gegrond;</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Vernietigt het bestreden besluit van 25 oktober 1996;</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een</para>
      <para>bedrag van f 1.420,-;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bepaalt dat gedaagde aan appellante het gestorte recht van</para>
      <para>f 160,- dient te vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr H. van Leeuwen als voorzitter en</para>
      <para>mr W.D.M. van Diepenbeek en mr T. Hoogenboom als leden in</para>
      <para>tegenwoordigheid van S.I. ter Riet als griffier en</para>
      <para>uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) H. van Leeuwen.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) S.I. ter Riet.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>AB</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>